ECLI:NL:RBGRO:2000:AF0384

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
18 juli 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
FT RK 00-361
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.P. Evenhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 sub e Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken minnelijke regeling

Verzoekster heeft op 21 juni 2000 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zij heeft echter niet de vereiste verklaring overgelegd dat zij heeft getracht een minnelijke regeling met haar schuldeisers te treffen, zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 sub e van Pro de Faillissementswet.

Verzoekster gaf aan dat zij zich had aangemeld bij Project Geldzorg van de gemeente Groningen en op een wachtlijst stond met een wachttijd van enkele maanden. Ondanks deze wachttijd namen enkele schuldeisers incassomaatregelen, waardoor verzoekster genoodzaakt was het verzoek in te dienen.

De rechtbank benadrukt dat het stimuleren van een minnelijke regeling tussen debiteur en schuldeisers een van de doelstellingen van de Wet schuldsanering is. De wettelijke schuldsaneringsregeling fungeert als een 'stok achter de deur' en wordt pas toegepast als het minnelijke traject is doorlopen of er bijzondere omstandigheden zijn.

Aangezien verzoekster dit traject niet heeft doorlopen en geen bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die voorlopige toepassing rechtvaardigen, verklaart de rechtbank haar verzoek niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een verklaring omtrent minnelijke regeling met schuldeisers.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Groningen,
Enkelvoudige civiele kamer
X. , geboren ... ,wonende te P.,
verzoekster,
procureur mr. M.S. de Groene,
heeft op 21 juni 2000 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Verzoekster is bijgestaan door haar procureur op 18 juli 2000 door de rechtbank gehoord.
Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken.
Verzoekster heeft haar verzoekschrift ingediend zonder daarbij de verklaring bedoeld in artikel 285 lid 1 aanhef Pro en sub e Fw over te leggen. Ook nadien is deze verklaring niet in het geding gebracht.
Verzoekster heeft daaromtrent verklaard dat zij voor het treffen van een minnelijke regeling met de schuldeisers zich heeft aangemeld bij Project Geldzorg van de gemeente Groningen. Verzoekster is op de wachtlijst geplaatst waarbij haar te kennen is gegeven dat zij rekening moet houden met een wachttijd van enkele maanden. Voor enkele schuldeisers was dat onvoldoende grond om geen nadere incassomaatregelen te nemen. Verzoekster zag zich daarom genoodzaakt het onderhavige verzoek in te dienen.
Bij de beoordeling van een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling dient de rechtbank onder meer te worden geïnformeerd omtrent de pogingen tot het treffen van een buitengerechtelijke regeling met de schuldeisers. Het stimuleren van een minnelijke regeling tussen de debiteur en zijn crediteuren is een van de doelstellingen van de Wet schuldsanering. De wettelijke schuldsaneringsregeling wordt -blijkens de parlementaire stukken rond de totstandkoming van die wet- aangemerkt als een regeling die fungeert als een 'stok achter de deur'.
Nu dat traject niet is doorlopen is de rechtbank van oordeel dat verzoekster te vroeg een beroep doet op de wettelijke schuldsaneringsregeling, tenzij er sprake is van dusdanige feiten en omstandigheden die de (voorlopige) toepassing van deze regeling zouden kunnen rechtvaardigen. De argumenten die verzoekster daartoe heeft aangevoerd kunnen een dergelijke toepassing niet rechtvaardigen.
Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat verzoekster niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Gewezen door mr. J.P. Evenhuis, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.