ECLI:NL:RBGRO:2000:AA7079
Rechtbank Groningen
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- P.H.M. Smeets
- Rechtspraak.nl
Intrekking standwerkersvergunning wegens niet voldoen aan standwerkersdefinitie
Verzoeker kreeg op 14 december 1998 een standwerkersvergunning verleend. Verweerders besloten deze vergunning voor een kwartaal in te trekken omdat verzoeker zich op 13 en 20 februari 1999 niet gedroeg als standwerker volgens de Beleidsregels en Marktvoorschriften van Groningen. Verzoeker maakte gebruik van zijn zienswijze, maar verweerders handhaafden het besluit.
Verzoeker stelde beroep in tegen de intrekking en vroeg om een voorlopige voorziening om schorsing van het besluit te verkrijgen. De president van de rechtbank oordeelde dat het beleid rond handhaving van standwerkers niet onredelijk is en dat verzoeker niet als standwerker heeft opgetreden, maar als stille kramer. Verzoeker droeg zelf het risico dat zijn handelswijze niet voldeed aan de definitie.
Omdat nader onderzoek geen toegevoegde waarde had, deed de president onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Verzoeker kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de standwerkersvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.