ECLI:NL:RBGEL:2026:999

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
05/142883-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 55 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en openlijke geweldpleging met messen

Op 25 april 2024 vond in Duiven een steekincident plaats waarbij verdachte samen met medeverdachten meerdere malen met messen op het slachtoffer stak, wat leidde tot ernstig lichamelijk letsel. Verdachte werd primair beschuldigd van poging tot doodslag en openlijke geweldpleging in vereniging.

De rechtbank stelde vast dat verdachte met voorwaardelijk opzet handelde, bewust de aanmerkelijke kans aanvaardend dat het slachtoffer zou overlijden. De verdediging voerde noodweer en noodweerexces aan, maar deze verweren werden verworpen. Er was sprake van eendaadse samenloop van de feiten.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 120 dagen op, waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden zoals behandeling en dagbesteding. Daarnaast werd een werkstraf van 120 uur opgelegd. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht. Tevens werd verdachte veroordeeld tot betaling van materiële schade en smartengeld aan het slachtoffer.

De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het advies van deskundigen over een normoverschrijdende gedragsstoornis en het matige tot hoge recidiverisico zonder begeleiding. De straf is mede gebaseerd op de ernst van het feit en de maatschappelijke onrust die het geweld veroorzaakte.

De civiele vordering van het slachtoffer werd deels toegewezen: €154,50 aan materiële schade en €1.875,- aan smartengeld, vermeerderd met wettelijke rente. Verdachte en medeverdachten zijn hoofdelijk aansprakelijk. Het vonnis werd uitgesproken door kinderrechters Post, Jacobs en Bak op 10 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 dagen jeugddetentie (waarvan 77 voorwaardelijk), 120 uur werkstraf en schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/142883-24
Datum uitspraak : 10 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
wonend aan [adres] ,
raadsvrouw: mr. F. van den Heuvel, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte (hierna: [verdachte] ) is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 25 april 2024 te Duiven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]
opzettelijk van het leven te beroven,
  • meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst/hartstreek en/of in de buik en/of in de flank en/of in de arm, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of heeft gesneden en/of heeft geprikt en/of
  • meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of heeft getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij op of omstreeks 25 april 2024 te Duiven aan [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere steek- en/of snijwonden in de borstkas
en/of in de buik(streek) en/of in de flank, heeft toegebracht door
  • meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst/hartstreek en/of in de buik en/of in de flank en/of in de arm, althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of snijden en/of prikken en/of
  • meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of trappen;
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 25 april 2024 te Duiven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
  • meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst/hartstreek en/of in de buik en/of in de flank en/of in de arm, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of heeft gesneden en/of heeft geprikt en/of
  • meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of heeft getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meest subsidiair:
hij op of omstreeks 25 april 2024 te Duiven [slachtoffer] heeft mishandeld door:
  • meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst/hartstreek en/of in de buik en/of in de flank en/of in de arm, althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of snijden en/of prikken en/of
  • meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of trappen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere steek- en/of snijwonden in de borstkas en/of in de buik(streek) en/of in de flank ten gevolge heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 25 april te Duiven
openlijk, te weten op/aan de Saffier en/of de kruising van de Saffier met de Aquamarijn,
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door:
  • die [slachtoffer] vast te houden, terwijl die [slachtoffer] werd geslagen en/of getrapt en/of gestoken en/of gesneden en/of geprikt,
  • meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst/hartstreek en/of in de buik en/of in de flank en/of in de arm, althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of snijden en/of prikken en/of
  • meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of op/tegen de benen en/of op/tegen/in de buik, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of te slaan, terwijl die [slachtoffer] op de grond viel en/of lag,
terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten meerdere steekverwondingen in de borst/hartstreek en/of buik en/of flank en/of arm voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 25 april 2024 heeft in Duiven een steekincident plaatsgevonden. Hierbij zijn drie personen gewond geraakt: [verdachte] zelf, [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Ook [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) was betrokken bij het incident. [2]
Uit de medische verklaring blijkt dat [verdachte] als gevolg van het steekincident een steekwond in zijn rug en een klaplong heeft opgelopen. Er was ook sprake van inwendig bloedverlies. [3]
Uit de medische verklaring blijkt dat [slachtoffer] als gevolg van het steekincident zes verwondingen had: in zijn borstkas rechts ter hoogte van de zesde rib, links naast zijn navel, in zijn linker flank, in zijn linker boven- en onderarm en in zijn linker knie. Er was sprake van ernstig uitwendig bloedverlies en de wonden zijn gehecht. [4]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de eendaadse samenloop van de primair onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag en het onder 2 ten laste gelegde openlijk geweld.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft een vrijspraak bepleit voor de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en het onder 2 ten laste gelegde openlijk geweld. Zij heeft gesteld dat de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wel wettig en overtuigend kan worden bewezen. Voor het geval de rechtbank wel komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, heeft de raadsvrouw gesteld dat sprake is van een eendaadse samenloop.
Beoordeling door de rechtbank
Op 25 april 2024 gingen [medeverdachte 1] en [verdachte] naar de woning van [slachtoffer] . Zij hadden allebei een mes bij zich. [medeverdachte 1] en [verdachte] belden aan en de moeder van [slachtoffer] deed de voordeur open. Er werd over en weer geschreeuwd. [slachtoffer] kwam van de trap naar beneden met een schaar in zijn hand. Hij liep naar buiten naar [medeverdachte 1] en [verdachte] . De moeder van [slachtoffer] ging tussen de jongens in staan. De buurman van [slachtoffer] kwam erbij. [medeverdachte 1] zei tegen [verdachte] : “steek hem, steek hem”. De buurman hield [medeverdachte 1] en [verdachte] tegen. De moeder van [slachtoffer] belde de politie en begon te filmen. [medeverdachte 1] en [verdachte] renden weg. [5]
Toen de jongens weg waren, ging [slachtoffer] terug naar binnen. Hij pakte twee messen in de keuken. [slachtoffer] rende via de voordeur door het steegje de straat in. Hij rende over de Aquamarijn en stond uiteindelijk stil ter hoogte van [adres] . Hij had in zijn beide handen een mes. Een stukje verderop stonden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . [verdachte] rende op [slachtoffer] af met een mes in zijn hand, waarna over en weer door hen werd gestoken. [6]
[medeverdachte 1] rende achter [verdachte] aan en [medeverdachte 2] volgde. Bij de confrontatie daarna, is [slachtoffer] op de grond terecht gekomen. [medeverdachte 2] hield [slachtoffer] toen vast terwijl [medeverdachte 1] [slachtoffer] tegen zijn hoofd en buik schopte. [verdachte] stak ondertussen meerdere malen met een mes op [slachtoffer] in, terwijl [slachtoffer] ook werd geschopt en geslagen door alle drie. Door tussenkomst van getuige [getuige] kon [slachtoffer] wegkomen. [7]
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] [slachtoffer] meerdere malen met een mes heeft gestoken. Daarbij werd [slachtoffer] vastgehouden door [medeverdachte 2] . Ook is [slachtoffer] door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geschopt en geslagen. De rechtbank moet nu beoordelen hoe het handelen van [verdachte] gekwalificeerd kan worden.
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat een verdachte, al dan niet voorwaardelijk, opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of door een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg is ontstaan, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij kijkt de rechtbank naar de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder de gedragingen zijn verricht. In alle gevallen moet het gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is.
De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat [verdachte] meerdere malen met een mes in (onder meer) het bovenlichaam van [slachtoffer] heeft gestoken. De rechtbank overweegt dat het steken in het bovenlichaam met een mes een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij het slachtoffer oplevert. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat bij het steken van een mes in iemands borst en buik de aanmerkelijke kans bestaat dat letsel wordt veroorzaakt aan vitale structuren of organen dat tot de dood kan leiden. Bij [slachtoffer] zijn onder meer steekverwondingen geconstateerd in zijn borstkas rechts ter hoogte van de zesde rib, links naast zijn navel en in zijn linker flank. Er was sprake van ernstig bloedverlies en medisch ingrijpen was noodzakelijk door middel van het hechten van de wonden.
Kijkend naar het handelen van [verdachte] is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Daarnaast komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging. [verdachte] vormde samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een groep personen die op een openbare weg meerdere geweldshandelingen hebben verricht tegen [slachtoffer] . Dat geen sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer] toe te takelen, zoals door de raadsvrouw gesteld, maakt dit niet anders.
De rechtbank vindt dat niet is komen vast te staan dat het letsel van [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Zij overweegt in dit verband dat een letselinterpretatie ontbreekt en dat [slachtoffer] inmiddels weer volledig is hersteld van zijn verwondingen.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks25 april 2024 te Duiven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]
opzettelijk van het leven te beroven,
  • meermalen
  • meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of heeft getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op
of omstreeks25 april te Duiven
openlijk, te weten op/aan de Saffier en/of de kruising van de Saffier met de Aquamarijn,
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door:
  • die [slachtoffer] vast te houden, terwijl die [slachtoffer] werd geslagen en
  • meermalen
  • meermalen,
terwijl dit door hem gepleegde geweld
zwaar lichamelijk letsel, althansenig lichamelijk letsel, te weten meerdere steekverwondingen in de borst/hartstreek en
/ofbuik en
/offlank en
/ofarm voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
feit 1, primair:
poging tot doodslag
en
feit 2:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 77 dagen voorwaardelijk. De officier van justitie eist daarbij een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarden:
  • behandeling (PMT) bij Kairos of De Waag;
  • dagbesteding in de vorm van school, stage of werk;
  • coaching door Potentia Zorg;
  • een contactverbod met [slachtoffer] ;
  • begeleiding door de jeugdreclassering.
De officier van justitie is van mening dat de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, moet worden afgetrokken van de jeugddetentie. Naast de jeugddetentie heeft de officier van justitie een werkstraf van 150 uur geëist.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat een (voorwaardelijke) detentie op dit moment niet meer passend is. Zij heeft de rechtbank verzocht een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, PMT of een soortgelijk traject en dagbesteding, zoals ook is geadviseerd door de Raad.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 21 januari 2026 (het strafblad),
  • het psychologisch rapport Pro Justitia van 10 oktober 2024 van E.E. ter Borg, orthopedagoog-generalist NVO;
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 25 november 2025.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
De ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel als gevolg. Hij is samen met [medeverdachte 1] , allebei gewapend met een mes, naar de woning van [slachtoffer] gegaan om verhaal te halen. [medeverdachte 1] en [verdachte] dachten namelijk dat [slachtoffer] graffiti op de auto van de vader van [medeverdachte 1] had gespoten. Bij de woning van [slachtoffer] stonden [verdachte] en [medeverdachte 1] tegenover [slachtoffer] . Door tussenkomst van de moeder en de buurman van [slachtoffer] is de situatie op dat moment niet geëscaleerd.
Kort na deze eerste confrontatie heeft [slachtoffer] [verdachte] en [medeverdachte 1] opgezocht op straat. Hier kwam het wel tot een confrontatie, waarbij [verdachte] en [slachtoffer] elkaar over en weer hebben gestoken. De confrontatie heeft zich bovendien voortgezet, waarbij ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken waren. [slachtoffer] is vastgehouden, terwijl hij werd geslagen, geschopt en gestoken met een mes. Hoewel [verdachte] ook zelf gewond is geraakt, is de rechtbank van oordeel dat hij door het actief opzoeken van de confrontatie met [slachtoffer] en het vervolgens samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] inzetten van fors geweld, op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Daarnaast heeft [verdachte] met zijn handelen gevoelens van afschuw, onrust en onveiligheid veroorzaakt in de wijk waar het geweld plaatsvond en in de samenleving als geheel.
Het advies van de deskundigen
[verdachte] is onderzocht door een psycholoog. Zij heeft gerapporteerd dat sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis. Deze stoornis was ook aanwezig op het moment van het plegen van het tenlastegelegde, waardoor de gedragskeuzes en gedragingen van [verdachte] werden beïnvloed. Daarom adviseert de psycholoog om [verdachte] de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Het recidiverisico wordt zonder toezicht, begeleiding en behandeling als matig tot hoog ingeschat door de psycholoog. Bij een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten wordt geadviseerd om begeleiding en behandeling (gericht op de opvoedsituatie, het vergroten van de weerbaarheid, het versterken van de morele ontwikkeling en het verwerken van traumatische gebeurtenissen) op te leggen als bijzondere voorwaarden en de jeugdreclasseringsmaatregel voort te zetten.
De Raad heeft tijdens de zitting toegelicht dat er zorgen zijn over de thuissituatie van [verdachte] en dat systemische hulp nog niet van de grond is gekomen. De Raad ziet een risico bij conflictsituaties en kan zich vinden in het advies van de psycholoog om een PMT traject op te nemen als bijzondere voorwaarde. Daarnaast adviseert de Raad om een zinvolle dagbesteding, een traject richting begeleid wonen en coaching door Potentia Zorg op te nemen als voorwaarden. De jeugdreclasseerder heeft zich hierbij aangesloten en de rechtbank gevraagd om in de voorwaarden op te nemen dat deze van toepassing zijn voor zover en zolang de jeugdreclassering de voorwaarden nodig vindt.
De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen over en houdt er rekening mee dat de feiten [verdachte] verminderd kunnen worden toegerekend.
De beslissing over de straf
Hoewel de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie van enkele maanden rechtvaardigt, is de rechtbank van oordeel dat het op dit moment niet meer passend is om [verdachte] terug naar de JJI te laten gaan. Hierbij weegt de rechtbank mee dat het lange tijd heeft geduurd voordat de strafzaak tegen [verdachte] werd behandeld op zitting, waardoor de in strafzaken toepasselijke redelijke termijn van 16 maanden is geschonden. Daarnaast is [verdachte] niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten, lijkt hij in te zien dat hij niet goed heeft gehandeld en heeft hij zich gedurende de lange periode van schorsing van de voorlopige hechtenis opengesteld voor de begeleiding van de jeugdreclassering. Alles afwegend legt de rechtbank daarom aan [verdachte] een werkstraf op van 120 uur en daarnaast een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, waarvan 77 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel van de straf verbindt de rechtbank een proeftijd van 2 jaar, onder de algemene voorwaarde en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad.
De rechtbank beveelt dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Door de psycholoog wordt het recidiverisico als matig tot hoog ingeschat bij het ontbreken van toezicht en begeleiding terwijl behandeling van onderliggende risicofactoren nog onvoldoende van de grond is gekomen. De rechtbank vindt het daarom van groot belang dat de jeugdreclassering de begeleiding van [verdachte] direct kan voortzetten, ook als hij in hoger beroep zou gaan tegen dit vonnis.
De rechtbank zal het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van [verdachte] opheffen. Dit gelet op de duur van de voorlopige hechtenis die hij al heeft ondergaan.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de ten laste gelegde feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 154,50 aan materiële schade en € 3.750,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat [verdachte] en [slachtoffer] elkaar over en weer letsel hebben toegebracht, waardoor het redelijk is dat ieder zijn eigen schade draagt. Deze uitkomst kan wat de officier van justitie betreft worden bereikt door toepassing van de billijkheidscorrectie.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering vanwege eigen schuld. Subsidiair is verzocht om het immateriële deel van de schadevergoeding aanzienlijk lager vast te stellen dan door de benadeelde partij is verzocht. Ten aanzien van de materiële schade is aangevoerd dat het causaal verband tussen de behandeling van het littekenweefsel en de ten laste gelegde feiten onvoldoende is onderbouwd. De raadsvrouw heeft gesteld dat de vordering voor wat betreft de kosten van de fysiotherapie moet worden afgewezen. Ten aanzien van de kosten van de kleding heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek op de terechtzitting is voldoende gebleken dat [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van (onder meer) [verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadepost die ziet op de kleding door de verdediging niet inhoudelijk is betwist. De schadepost die ziet op de kosten van fysiotherapie is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en komt redelijk voor.
Voor de materiële schade is [verdachte] naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kleding en de kosten van fysiotherapie (€ 154,50) kan worden toegewezen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens de zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Door de bewezenverklaarde poging tot doodslag en de openlijke geweldpleging heeft [slachtoffer] immers lichamelijk letsel opgelopen, in de vorm van meerdere steek- en snijverwondingen en is hij op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan [verdachte] toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.875,- vaststellen, te weten de helft van het gevorderde bedrag. Bij de vaststelling van dit bedrag is meegewogen dat [slachtoffer] zelf een aandeel heeft gehad in de confrontatie die is ontstaan met (onder meer) [verdachte] . [slachtoffer] heeft immers kort na het vertrek van [medeverdachte 1] en [verdachte] bij zijn voordeur zelf de woning verlaten met twee messen in zijn handen. Hij heeft opnieuw de confrontatie met [verdachte] en [medeverdachte 1] gezocht, waardoor de situatie verder is geëscaleerd. Dit handelen van [slachtoffer] staat niet in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer, maar dient naar het oordeel van de rechtbank wel te worden meegewogen bij de toekenning van het smartengeld.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 14 januari 2026 wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd en vanaf 25 april 2024 over het smartengeld.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van verdachte wordt geen gijzeling opgelegd.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:
A.
een taakstraf, te weten een werkstraf van 120 (honderdtwintig) uur,
met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
een jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
bepaalt dat van die jeugddetentie 77 (zevenenzeventig) dagen niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar onder de
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en
stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte gedurende de proeftijd:
meewerkt aan behandeling (zoals PMT) bij Kairos of De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het vergroten van de weerbaarheid, het versterken van de morele ontwikkeling en het verwerken van eventuele traumatische gebeurtenissen;
meewerkt aan zinvolle dagbesteding, in de vorm van school, stage en/of werk, voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
meewerkt aan coaching door Potentia Zorg, voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering, voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering opstelt;
op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] (Irak);
geeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
onder de voorwaarden dat verdachte:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, uit te voeren door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, waaronder de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt, daaronder begrepen;
 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
 beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;
 heft het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op;
 veroordeelt verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten tot betaling van schadevergoeding aan
de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 154,50 (honderdvierenvijftig euro en vijftig cent) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 1.875,- (duizend achthonderdvijfenzeventig euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 154,50 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 1.875,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.J. Post (kinderrechter en voorzitter), mr. I.D. Jacobs en
mr. D.S.M. Bak, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024188301 en PL0600-2024188576, gesloten op 18 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 22 januari 2026.
3.Geneeskundige verklaring d.d. 16 juli 2024, p. 342.
4.Geneeskundige verklaring d.d. 25 juni 2024, p. 374.
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 120, het proces-verbaal van getuige [getuige] , p. 106, het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] , p. 360, het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] door RC d.d. 29 april 2024, p. 2.
6.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 213, het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 269, het proces-verbaal van bevindingen, p. 312, het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] , p. 361, het proces-verbaal van bevindingen, p. 85.
7.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 84 en 85, het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 20 november 2024, p. 2, het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 103.