ECLI:NL:RBGEL:2026:983

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
AWB 25/6374
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WpbrArt. 7 lid 2 Wpbr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden toegewezen

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van een verleende toestemming aan verzoeker om beveiligingswerkzaamheden te verrichten voor een specifieke beveiligingsorganisatie.

De korpschef had de toestemming ingetrokken omdat verzoeker als leidinggevende van een andere beveiligingsorganisatie onvoldoende betrouwbaar zou zijn, vanwege het laten werken van een persoon zonder vereiste politietoestemming en legitimatiebewijs. Verzoeker betwistte dit en stelde dat hij als beveiliger wel bekwaam en betrouwbaar is, ondanks tekortkomingen als leidinggevende.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege het wegvallen van de voornaamste inkomstenbron van verzoeker. Hoewel verzoeker tekortgeschoten is als leidinggevende, is onvoldoende gebleken dat hij daardoor niet langer bekwaam en betrouwbaar is om zelf beveiligingswerkzaamheden te verrichten.

Daarom heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens is de korpschef veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/6374

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.J.R. Roethof),
en

de korpschef van politie

(gemachtigden: mr. S.A.J. Wezendonk en mr. S. Schiphorst).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de intrekking van een verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden [1] te mogen verrichten voor beveiligingsorganisatie [naam organisatie 1].
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat onvoldoende gebleken is dat verzoeker niet (langer) beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn om het werk als beveiliger te verrichten. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. De korpschef heeft de toestemming om beveiligingswerkzaamheden voor [naam organisatie 1] te verrichten bij besluit van 17 december 2025 ingetrokken.
2.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De korpschef heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker, mr. J.G. Roethof en de gemachtigden van de korpschef hebben deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Daarna beoordeelt zij of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor is van belang of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoeker.
Waar gaat deze zaak over?
4. Verzoeker is werkzaam in de beveiligingsbranche. Hij gaf leiding aan de beveiligingsorganisatie [naam organisatie 2]. Bij besluit van 21 oktober 2025 heeft de minister van Justitie en Veiligheid de aan [naam organisatie 2] verleende vergunning en de aan verzoeker verleende toestemming om leiding te geven aan [naam organisatie 2] ingetrokken. De reden daarvoor is – kort samengevat – dat de betrouwbaarheid en bekwaamheid van verzoeker (als leidinggevende van [naam organisatie 2]) niet langer boven iedere twijfel verheven zijn, omdat hij de heer [naam] beveiligingswerkzaamheden heeft laten uitvoeren gedurende langere periode zonder de daarvoor vereiste politietoestemming en het vereiste legitimatiebewijs. Op zitting heeft verzoeker, voor zover van belang, toegelicht dat de bedrijfsactiviteiten van [naam organisatie 2] ondertussen volledig zijn gestaakt.
5. Daarnaast verricht verzoeker beveiligingswerkzaamheden voor beveiligingsorganisatie [naam organisatie 1]. Op 19 augustus is door de korpschef aan de beveiligingsorganisatie [naam organisatie 1] toestemming verleend om verzoeker voor dit bedrijf beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. Bij brief van 2 december 2025 heeft de korpschef kenbaar gemaakt voornemens te zijn om deze toestemming in te trekken en bij besluit van 17 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de korpschef daar definitief toe besloten. De reden voor de intrekking van deze toestemming is gelijk aan de reden die de minister had voor het intrekken van de toestemming om leiding te geven aan [naam organisatie 2]. De korpschef vindt dat verzoeker als leidinggevende van een beveiligingsorganisatie geen personen te werk had behoren te stellen die geen toestemming hebben gekregen om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. De korpschef komt dus om dezelfde reden als de minister tot de conclusie dat verzoeker niet aan de betrouwbaarheidseis voldoet om als beveiliger te mogen werken.
Is sprake van een spoedeisend belang?
6. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker heeft namelijk onvoldoende objectief onderbouwd dat hij door de intrekking in een financiële noodsituatie zal komen, dan wel is gekomen.
De korpschef is onder die omstandigheden van mening dat geen sprake is van een (dreigende) financiële noodsituatie. Daarom is er geen sprake van een spoedeisend belang.
6.1.
Omdat partijen van mening verschillen over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, beoordeelt de voorzieningenrechter dat eerst.
6.2.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure bestaat alleen aanleiding als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Een beslissing op bezwaar kan niet worden afgewacht als er vóór die tijd onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan, bijvoorbeeld acute financiële nood.
6.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval wel sprake is van een spoedeisend belang. De intrekking van de toestemming heeft tot gevolg dat verzoeker geen inkomsten meer kan verwerven vanuit zijn werk als beveiliger bij [naam organisatie 1]. Op zitting heeft betrokkene toegelicht dat hij nog wel beperkte inkomsten genereert vanuit een eigen bedrijf, maar dat deze inkomsten onvoldoende zijn om de huur te kunnen betalen. Ondanks dat dit in de kern (zoals de korpschef terecht stelt) een financieel belang is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat bij het wegvallen van de bron van voornaamste inkomsten van verzoeker voldoende aannemelijk is dat op korte termijn financiële nood kan ontstaan. De voorzieningenrechter neemt daarom in het voordeel van verzoeker aan dat er wel een spoedeisend belang is.
Heeft de korpschef in redelijkheid kunnen concluderen dat verzoeker niet (langer) beschikt over de vereiste bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn om het werk als beveiliger te verrichten?
7. Verzoeker wijst er – kort samengevat – op dat hij geen toestemming of instructie heeft gegeven aan de heer [naam] om zich voor te doen als beveiligingsmedewerker. Dat [naam] desondanks werkzaamheden heeft verricht terwijl hij kleding droeg met een logo van een beveiligingsmedewerker is enkel en alleen de beslissing van de heer [naam] zelf geweest. De kleding is niet verstrekt door verzoeker. Daarnaast heeft verzoeker de heer [naam] er direct op gewezen dat hij dit absoluut niet mocht doen. Tegen deze achtergrond heeft verzoeker al hetgeen redelijkerwijs van hem mag worden verwacht als leidinggevende van [naam organisatie 2] gedaan om te voorkomen dat [naam] ten onrechte zich voordoet als beveiligersmedewerker. Verzoeker wijst er op dat geen opzet in het spel is. Verzoeker voert verder aan dat het gebrek aan vertrouwen in de leidinggevende capaciteiten van verzoeker niet gelijk is te stellen aan het gebrek aan capaciteit om werkzaamheden als beveiligingsmedewerker bij [naam organisatie 1] te verrichten. Er is volgens verzoeker onvoldoende gemotiveerd hoe het handelen in de ene hoedanigheid gevolgen kan hebben voor de betrouwbaarheid in de andere hoedanigheid.
7.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 7, vierde en vijfde lid, van de Wpbr volgt dat de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten kan worden ingetrokken als de persoon om wie het gaat niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn om het werk te verrichten. De voorzieningenrechter begrijpt de grond van verzoeker dan ook zo dat hij zich op het standpunt stelt dat de korpschef ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de vereiste bekwaamheid en betrouwbaarheid om het werk te verrichten ontbreekt.
7.2.
Op grond van vaste jurisprudentie komt de korpschef bij de beoordeling van de bekwaamheid en betrouwbaarheid om het werk te verrichten beoordelingsruimte toe. [2] De korpschef heeft die ruimte ingevuld door middel van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (Bpbr 2019), waarin is uitgewerkt wanneer iemand niet bekwaam en/of niet betrouwbaar wordt geacht. In het bestreden besluit heeft de korpschef verwezen naar paragraaf 3.3 van de Bpbr 2019. Daarin is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
‘De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:
a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.’
(…)
‘Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.’
7.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat de heer [naam] meermaals werkzaamheden heeft verricht voor een supermarkt en dat hij daarbij in ieder geval de indruk heeft gewekt dat hij beveiligingswerkzaamheden verrichte voor [naam organisatie 2]. De heer [naam] droeg tenslotte een shirt met daarop een beveiligingsinsigne en de tekst [naam organisatie 2], zo blijkt uit een proces-verbaal van de wijkagent. Op zitting heeft verzoeker dit ook erkend. Ook zijn partijen niet verdeeld over het feit dat de heer [naam] niet de juiste toestemmingen had om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. Verzoeker heeft op zitting wel gesteld dat de heer [naam] als servicemedewerker heeft gewerkt in de supermarkt (en niet als beveiliger), maar dat acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 27 maart 2025 blijkt dat de wijkagent de heer [naam] meerdere keren bij meldingen heeft zien optreden als beveiliger. De voorzieningenrechter mag in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan het proces-verbaal te twijfelen. Vast staat verder dat verzoeker leidinggevende was van [naam organisatie 2] en de voorzieningenrechter is van oordeel dat hij er in die hoedanigheid verantwoordelijk voor was dat de heer [naam] zich niet voor zou kunnen doen als beveiliger van [naam organisatie 2]. Verzoeker heeft daarin als leidinggevende tekortgeschoten, nu de heer [naam] zich meermaals en gedurende langere periode als beveiliger van [naam organisatie 2] heeft kunnen voordoen. Hoewel het besluit van de minister om de aan verzoeker verleende toestemming om leiding te geven aan [naam organisatie 2] in te trekken in deze procedure niet voorligt, acht de voorzieningenrechter het voldoende begrijpelijk dat deze toestemming is ingetrokken.
7.4.
Anders dan de korpschef is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat het tekortschieten als leidinggevende niet per definitie betekent dat verzoeker ook niet (langer) beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn om het werk als beveiliger te verrichten. In dit geval staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende vast dat verzoeker vanwege het tekortschieten als leidinggevende niet (langer) beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn om het werk als beveiliger te verrichten. Daar heeft de voorzieningenrechter het volgende bij in aanmerking genomen.
7.5.
Verzoeker verricht al 21 jaar beveiligingswerkzaamheden en er hebben geen eerdere incidenten plaatsgevonden die doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bekwaamheid van verzoeker als beveiliger. Het enige wat verzoeker verweten kan worden is dat hij, zoals hiervoor uitgebreid overwogen, te weinig maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de heer [naam] zich als beveiliger heeft kunnen uitgeven. Vast staat dat hij daarmee tekort is geschoten als leidinggevende. In het voordeel van verzoeker pleit echter dat hij, zoals op zitting is toegelicht en de korpschef ook erkent, de heer [naam] er meerdere keren op heeft gewezen dat hij zich niet als beveiliger mag uitgeven. Het is dus niet zo dat verzoeker in zijn geheel niet heeft gehandeld en het op zijn beloop heeft gelaten. Daaruit leidt de voorzieningenrechter af dat verzoeker in zekere zin wel bewust is van de regels die gelden en deze niet bewust niet heeft nageleefd. Dat wordt in zoverre ook ondersteund door het feit dat hij al 21 jaar als beveiliger heeft kunnen werken.
7.6.
Het is de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende gebleken waarom het nalaten als leidinggevende in dit geval betekent dat verzoeker in zijn geheel geen beveiligingswerkzaamheden meer zou kunnen verrichten. Het nalaten van verzoeker als leidinggevende is, gelet op hetgeen onder 7.5 is overwogen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zodanig ernstig en verwijtbaar dat het de conclusie kan dragen dat verzoeker in zijn geheel niet langer geschikt is om beveiligingswerkzaamheden te verrichten.

Conclusie en gevolgen

8. Daarmee staat op dit moment dus onvoldoende vast dat verzoeker niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn om het werk als beveiliger te verrichten. De bezwaargrond heeft dan ook een redelijke kans van slagen en de voorzieningenrechter ziet hierin al aanleiding om het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Aan een bespreking van de andere bezwaargrond, of de intrekking van de toestemming onevenredig is, komt de voorzieningenrechter dan ook niet meer toe.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus toegewezen. Omdat het verzoek wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat de korpschef het griffierecht ter hoogte van € 194,- en de proceskosten moet vergoeden. De vergoeding voor de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting bij de voorzieningenrechter. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van verzoeker ter hoogte van € 1.868,-;
- bepaalt dat de korpschef het door verzoeker betaalde griffierecht ter hoogte van € 194,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).
2.ABRvS 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2950.