ECLI:NL:RBGEL:2026:854

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
12028635 \ VV EXPL 25-87
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArtikel 32 cao Bakkersbedrijf
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkgever mocht loonbetaling zieke werknemer niet stopzetten wegens onvoldoende onderbouwing niet-meewerken re-integratie

De werknemer is sinds mei 2021 in dienst en sinds januari 2024 teamleider. Vanaf april 2024 is zij arbeidsongeschikt. De werkgever stopte de loonbetaling vanaf 15 april 2025 wegens vermeende niet-medewerking aan re-integratie, onder meer omdat de werknemer niet op een re-integratieafspraak verscheen.

Uit een arbeidsdeskundig rapport blijkt dat de werknemer de afspraak op 15 april probeerde te verzetten, maar dat de werkgever dit niet accepteerde. De werknemer begreep de loonstop tot 18 april. Na die datum zijn er echter meerdere medische redenen en adviezen van de bedrijfsarts die het onvermogen tot re-integratie bevestigen. De werkgever heeft niet concreet gesteld welke afspraken na 18 april niet zijn nagekomen.

De kantonrechter oordeelt dat de loonstop na 18 april onrechtmatig is en veroordeelt de werkgever tot betaling van het achterstallige loon, inclusief vakantietoeslag, wettelijke rente en een beperkte wettelijke verhoging. De proceskosten worden aan de werkgever opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Werkgever moet loonbetaling hervatten en achterstallig loon met rente en toeslag betalen wegens onvoldoende onderbouwing niet-meewerken re-integratie na 18 april 2025.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 12028635 \ VV EXPL 25-87
Vonnis in kort geding van 27 januari 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. M. Bakhuis,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de producties 16 tot en met 18 van [eiseres]
- de mondelinge behandeling van 13 januari 2026, die is gehouden op de locatie Zutphen. [gedaagde] heeft spreekaantekeningen voorgedragen en van het overige verhandelde zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] is laatstelijk sinds 13 mei 2021 in dienst van [gedaagde] . Per 1 januari 2024 is de functie van [eiseres] gewijzigd van medewerker bakkerij naar die van Teamleider II voor 34 uur per week. Op 13 mei 2024 is de arbeidsovereenkomst verlengd voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Bakkersbedrijf van toepassing.
2.2.
Per 29 april 2024 is [eiseres] arbeidsongeschikt.
2.3.
Bij e-mail van 15 april 2025 heeft [gedaagde] aan [eiseres] onder meer geschreven:
“Je bent verplicht om beschikbaar te zijn aan de telefoon voor ons. Je was dit 4 keer niet.
Wij verwachten jou vanmiddag om 14:00 uur tot 16:00 uur om te re-integreren. (…)
Je hebt een bericht gestuurd dat je dinsdag zou werken. Vervolgens akkoord, zoals je in het rooster stond. Je bent niet op komen dagen en appt, ik ben er morgen van 10:00 uur tot 12:00 uur. Wij kunnen morgen helaas geen begeleiding aanbieden, vandaar dat we jou verwachten vanmiddag om 14:00 uur bij de Bakkersmolen van [gedaagde] in werkkleding.
Mocht je hier niet aan houden. Zullen we je salaris stopzetten en wordt dit niet uitbetaald. Ik hoop dat dit niet nodig is.”
2.4.
Op 29 september 2025 heeft [eiseres] een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV over de vraag of haar re-integratie-inspanningen voldoende zijn geweest.
Het deskundigenoordeel heeft zich gericht op de periode vanaf de ziekmelding tot 29 september 2025.
2.5.
In het arbeidsdeskundig rapport van 26 november 2025 is onder meer het volgende vermeld:
“Op 15 april probeert werknemer de afspraak van die dag te verzetten naar 16 april. Werkgever gaat daarmee niet akkoord omdat er dan geen begeleiding is. Werknemer begrijpt de loonstop die haar in de periode 14 tot 18 april wordt opgelegd.
De eerste volgende afspraak voor 22 april wordt door werknemer via een appbericht afgezegd ivm een kaakontsteking. De werkgever wenst haar beterschap (via app).
(…)
Op 3 mei 2025 meldt werknemer zich af voor dinsdag 6 en woensdag 7 mei (in verband met verslechtering van haar mentale situatie).
Werkgever reageert daarom met een bericht dat het loon is stopgezet totdat er een werkhervatting is en biedt hulp aan (mailberichten).
Op 12 mei 2025 vindt er een gesprek met de bedrijfsarts plaats
(…)
• Het herstel van de belastbaarheid laat een stagnerende en zelf dalende lijn zien
• Gezien hetonvermogenvan werknemer om de re-integratie voort te zeten is afgesproken om de komende week aan herstel te werken (…).
• Per 19 mei wordt geadviseerd om te starten op basis van een schema.
• Week 1 een koffiemoment (…), week 2 herstart van re-integratie, (…)
(…)
Werknemer verzoekt vervolgens zelf om een gesprek over re-integratie of andere oplossing. Op de afgesproken datum (20 mei) heeft werknemer zich verslapen, waardoor er een afspraak gemaakt wordt voor een gesprek op 21 mei. Er zijn geen stukken aangeleverd van een bijstelling plan van aanpak naar aanleiding van dit gesprek. Uit het mailverkeer wordt duidelijk dat er onderzocht wordt of er een akkoord kan komen over een vaststellingsovereenkomst. (…) Werknemer zegt een aantal keer een afspraak af, omdat zij een traumatisch weekend heeft gehad; er geen voorstel ligt waarin zij zich kan vinden; zij langere tijd wenst om advies van adviseurs in te winnen.
(…)
De werkgever heeft geen antwoord gegeven op de vraag welke afspraken werknemer niet is nagekomen en met welke reden.
De werkgever heeft geen antwoord gegeven op de vraag naar de reden van de loonstop en wat van werknemer verwacht wordt om weer tot loonbetaling te komen.

4.Beoordeling re-integratie inspanningen

(…)
Uit de ontvangen stukken blijkt dat het niet gelukt is om tot structurele fysieke contactmomenten en/of werkhervattingen te komen. Werknemer heeft frequent om diverse redenen afspraken afgezegd of verplaatst.
Toch kan niet worden gesteld dat zij onvoldoende meewerkt aan haar re-integratie, omdat er geen concrete afspraken zijn vastgelegd in een ondertekend plan van aanpak (afspraken over re-integratiedoel, opbouw schema’s, consequenties bij niet verschijnen, evaluatiemomenten). Alleen voor de periode februari 2025 t/m 6 maart 2025 is een (…) plan van aanpak opgesteld en ondertekend. Er zijn daarna nieuwe adviezen van de bedrijfsarts geweest, maar er is geen nieuw plan van aanpak opgesteld.
Er is niet vastgelegd of pogingen om tot een vaststellingsovereenkomst te komen een opschortende werking hebben voor de re-integratie-activiteiten en voor hoe lang.
(…)

5.Conclusie

Er kan niet gesteld worden dat re-integratie-activiteiten van werknemer onvoldoende zijn, omdat er geen concrete afspraken zijn vastgelegd in een (…) plan van aanpak.
De re-integratie-inspanningen van de werknemer zijn voldoende.”

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - samengevat - dat [gedaagde] wordt veroordeeld aan haar te betalen het netto-equivalent van € 2.715,35 bruto aan (achterstallig) loon vanaf 15 april 2025 onder toezending van bruto/nettospecificaties, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging van 50%, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] ten onrechte gestopt is met het betalen van het loon vanaf 15 april 2025.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering en subsidiair de loonbetaling toe te wijzen onder strikte re-integratievoorwaarden.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling.
4.2.
[gedaagde] heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat [eiseres] geen recht meer heeft op loon, ook niet in de hypothetische situatie dat zij haar best zou gaan doen. Dit betekent dat, anders dan uit de door haar ter zitting gebruikte term “opschorting” lijkt te volgen, geen sprake is geweest van opschorting, maar van geheel stopzetten van het loon zoals ook aangegeven in de e-mail van 15 april 2025.
4.3.
In de wet, artikel 7:629 BW Pro, is bepaald wanneer een werknemer geen recht op loon heeft tijdens arbeidsongeschiktheid. In het artikel staat dat een werkgever in bepaalde situaties geen loon hoeft te betalen. Eén van die situaties is dat de werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan, kort gezegd, re-integratiebevorderende maatregelen. Het gaat dan om redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten. De kantonrechter begrijpt uit het verweer van [gedaagde] , dat hij de loonbetaling heeft stopgezet, omdat het door haar gegeven voorschrift om op 15 april te komen re-integreren redelijk was maar [eiseres] niet is verschenen. Dit gebeurde nadat [eiseres] , zo blijkt uit de e-mail van die dag, al eerder niet was verschenen. [gedaagde] heeft daarnaast aangegeven dat [eiseres] in totaal negen maal niet is verschenen bij een re-integratie-afspraak.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] op goede gronden de loonbetaling heeft stopgezet nadat [eiseres] de afspraak om op 15 april op het bedrijf te verschijnen, niet is nagekomen. Uit het arbeidsdeskundig rapport blijkt dat zij de afspraak heeft proberen te verzetten naar de volgende dag, maar dat de werkgever hiermee niet akkoord ging. Zij is toch niet op het werk gekomen. [eiseres] heeft niet onderbouwd dat hiervoor een geldige reden was en heeft ook niet aangegeven dat het niet redelijk was van [gedaagde] dit van haar te vragen. [eiseres] heeft aan de arbeidsdeskundige ook laten weten dat zij de loonstop tot 18 april 2025 begrijpt.
4.5.
[gedaagde] heeft echter niet voldoende onderbouwd gesteld dat ook in de periode na 18 april 2025 sprake is geweest van een situatie waarin [eiseres] niet heeft meegewerkt aan haar re-integratie.
Uit het arbeidsdeskundig rapport blijkt dat de afspraak voor 22 april 2025 door [eiseres] is afgezegd in verband met een kaakontsteking en dat [eiseres] zich op 3 mei 2025 heeft afgemeld voor 6 en 7 mei 2025 in verband met verslechtering van haar mentale situatie. Verder blijkt hieruit dat de bedrijfsarts op 12 mei 2025 heeft vastgesteld dat sprake is van onvermogen om de re-integratie voort te zetten en is geadviseerd in de week van 19 mei 2025 te beginnen op basis van een schema. Hierna heeft nog een gesprek plaatsgevonden op 21 mei 2025 en is, aldus nog steeds blijkens het arbeidsdeskundig rapport, gesproken over de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] heeft hier tegenover niet concreet gesteld welke afspraken [eiseres] na 18 april 2025 (ten onrechte) niet is nagekomen. Dit betekent dat [gedaagde] de loonbetaling na die datum niet heeft mogen stopzetten.
4.6.
De gevorderde betaling van het achterstallig loon zal daarom en gelet op het spoedeisend belang bij de vordering, worden toegewezen, met inachtneming van het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 32 van Pro de cao, bedraagt de hoogte van de loondoorbetaling gedurende het tweede halfjaar van de arbeidsongeschiktheid 95% en gedurende het tweede jaar 85%. Dit betekent dat [eiseres] over de periode van 18 tot 29 april 2025 recht heeft op 95% van het loon en over de periode daarna tot 29 april 2026 op 85%.
[eiseres] heeft een salarisspecificatie van de maand maart 2025 overgelegd, waaruit blijkt dat 95% van het loon € 2.307,96 bedroeg. Dit betekent dat 100% van het loon € 2.429,43 bedraagt en 85% dus € 2.065,02.
In beginsel eindigt de loondoorbetalingsverplichting van [gedaagde] na de laatstgenoemde datum, zodat zij niet zal worden veroordeeld tot betaling van loon na die datum.
[gedaagde] moet ook nog de vakantietoeslag betalen over de periode tot 1 mei 2025, nu in de arbeidsovereenkomst is bepaald dat betaling hiervan plaatsvindt in de maand mei over de periode van juni tot mei.
4.7.
De medegevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de verzuimdata en die liggen telkens op de laatste dag van de maand. Ook de wettelijke verhoging zal worden toegewezen, maar deze zal worden beperkt tot 20%, hetgeen met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt.
4.8.
[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiseres] worden vastgesteld en begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
Totaal
1.039,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] te betalen
a. a) het netto-equivalent van het achterstallig loon van
- € 2.307,95 bruto per maand over de periode van 18 april 2025 tot 29 april 2025
- € 2.065,02 bruto per maand vanaf 29 april 2025 tot 1 januari
2026, onder toezending per e-mail van de bruto/nettospecificaties, vermeerderd met vakantietoeslag tot 1 mei 2025, de wettelijke rente vanaf de onderscheiden verzuimdata en met de wettelijke verhoging van 20%,
b) het netto-equivalent van het loon van € 2.065,02 bruto per maand vanaf
1 januari 2026 tot 28 april 2026, onder toezending per e-mail van de bruto/nettospecificaties,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.039,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.