Uitspraak
1.De inhoud van de vordering
2.De procedure
3.De beoordeling van de vordering
€ 175.642,01.
Rechtbank Gelderland
De rechtbank Gelderland heeft op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde dat veroordeelde werd verplicht tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel. De primaire vordering bedroeg ruim €312.000, subsidiair €201.000, terwijl de verdediging een lagere berekening van circa €41.000 aanvoerde.
De rechtbank baseerde zich op het vonnis waarin veroordeelde werd veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf (waarvan 12 voorwaardelijk) voor medeplegen van handel in verdovende middelen. De ontnemingsperiode werd teruggebracht van 1665 naar 935 dagen, lopend van 1 januari 2022 tot 23 juli 2024, conform de bewezenverklaarde periode.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel omvatte 7.106 transacties tegen €40 per ponypack, resulterend in een omzet van €284.240. De kosten werden berekend op basis van inkoopprijs cocaïne (€28,21 per gram), versnijdingsmiddelen, autokosten en telefoonkosten, wat resulteerde in een totaal wederrechtelijk voordeel van €175.642. De rechtbank hanteerde een pondspondsgewijze verdeling tussen veroordeelde en medeverdachte, waardoor het voordeel voor veroordeelde werd vastgesteld op €87.821.
Na verrekening van een verbeurdverklaard bedrag van €614 (gedeeld door twee) resteert een betalingsverplichting van €87.514. De rechtbank bepaalde tevens de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €87.514 aan wederrechtelijk verkregen voordeel met maximale gijzeling van 1080 dagen.