ECLI:NL:RBGEL:2026:776

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
05-291988-24 vs
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling openlijke geweldpleging met beperkte schadeaansprakelijkheid

Op 21 juni 2024 heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een man in het centrum van Apeldoorn. De rechtbank acht bewezen dat verdachte onder meer een baksteen heeft gegooid en het slachtoffer heeft geschopt terwijl deze op de grond lag.

De bewijslast bestond uit camerabeelden, verklaringen van medeverdachten en chatberichten via Snapchat, waarin verdachte en anderen hun betrokkenheid bij het geweld bevestigden. De verdediging voerde aan dat de beelden onvoldoende duidelijk waren en dat verdachte geen significante bijdrage had geleverd, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 106 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen, COVA+ training en een contactverbod met het slachtoffer. Daarnaast werd een taakstraf van 80 uur opgelegd.

De civiele vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd deels toegewezen. De rechtbank stelde de schadevergoeding voor verdachte vast op 10% van de totale schade, omdat het grootste deel van de schade was veroorzaakt door een medeverdachte met steekletsel. Verdachte is veroordeeld tot betaling van € 1.547,15 aan materiële schade en smartengeld, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 106 dagen gevangenisstraf, taakstraf en betaling van schadevergoeding van 10% van de totale schade.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.291988.24
Datum uitspraak : 27 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. M.J. van den Hoonaard, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Apeldoorn openlijk, te weten het Marktplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door (met kracht) meermalen, althans eenmaal
- een (bier)flesje, althans een hard voorwerp op/tegen het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer] te gooien en/of te slaan en/of
- die [slachtoffer] (van achteren) te bespringen en/of de arm om de keel van die [slachtoffer] te slaan en/of te grijpen en/of
- ( vervolgens) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, (met geschoeide voet(en)) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen en/of
- een (bak)steen, althans een hard voorwerp op/tegen het been en/of de voet, althans het (onder)lichaam van die [slachtoffer] te gooien en/of te slaan.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft betoogd dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met de beelden, omdat deze te onduidelijk zijn om als belastend bewijs ten aanzien van verdachte te dienen. Op de beelden is niet te zien dat verdachte met een baksteen naar [slachtoffer] gooit. Het dossier bevat geen ander bewijs dat verdachte met een baksteen zou hebben gegooid. Het gesprek op Snapchat lijkt veeleer op grootspraak. Op basis van de beelden kan ook niet worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] heeft geschopt of getrapt. Op de beelden is niet te zien dat het lichaam van [slachtoffer] beweegt als gevolg van het schoppen/trappen. Voor zover al zou zijn geschopt dan kan niet worden vastgesteld dat dit tegen het hoofd van [slachtoffer] is geweest. De overige drie gedachtestreepjes kunnen niet aan verdachte worden toegeschreven. Verdachte maakte op dat moment geen deel uit van de groep en heeft aan de geweldshandelingen geen significante en wezenlijke bijdrage geleverd.
Beoordeling door de rechtbank
Op camerabeelden van Albert Heijn, Deventerstraat 10 in Apeldoorn, is het Marktplein te zien. Uit de beelden van 21 juni 2024 komt het volgende naar voren.
Om 23:23:26 uur loopt een man naar [slachtoffer] en slaat zijn rechterarm om [slachtoffer] . Medeverdachte [medeverdachte 1] loopt op [slachtoffer] af, die daarop een grote stap naar achteren doet. Om 23:23:37 uur geeft [medeverdachte 1] of NN7, die ook bij [medeverdachte 1] en [slachtoffer] staat, [slachtoffer] een duwtje. NN7 houdt daarna zijn rechterarm voor de borst van [slachtoffer] . Om 23:23:58 uur lopen meerdere personen naar [slachtoffer] , ook [medeverdachte 1] . Met zijn linkerhand duwt hij [slachtoffer] . Medeverdachte [medeverdachte 2] staat linksachter [medeverdachte 1] en heeft een voorwerp in zijn rechterhand vast. Om 23:24:08 uur springt [medeverdachte 2] om NN7 heen en slaat [slachtoffer] in zijn gezicht met vermoedelijk een blikje of flesje. [slachtoffer] wordt links in zijn gezicht geraakt.
Om 23:24:13 uur is te zien dat [medeverdachte 1] met zijn rechterhand met de onderkant van het mes dat hij vasthoudt, tegen de zijkant van het bovenlichaam van [slachtoffer] slaat. [slachtoffer] loopt naar achteren. NN7 staat dan tussen [slachtoffer] en [medeverdachte 1] in. [medeverdachte 2] slaat van achteren zijn linkerarm en vervolgens ook zijn rechterarm om de keel van [slachtoffer] . [slachtoffer] buigt naar voren met [medeverdachte 2] op zijn rug en gaat een paar seconden later weer rechtop staan. [medeverdachte 2] glijdt van zijn rug en staat dan achter [slachtoffer] . Hij balt zijn rechterhand en slaat [slachtoffer] twee keer met gebalde vuist in het gezicht. Om 23:24:21 uur slaat [medeverdachte 1] met zijn rechterhand richting het bovenlichaam van [slachtoffer] . [slachtoffer] valt en ligt in foetushouding op de grond. [medeverdachte 2] slaat met zijn rechterhand in de richting van het hoofd van [slachtoffer] . Ook NN2 maakt met zijn linkerhand twee keer een slaande beweging naar [slachtoffer] op het moment dat die op de grond ligt. Om 23:24:24 uur is te zien dat [medeverdachte 1] met zijn rechterbeen drie keer stampt in de buurt van het hoofd van [slachtoffer] en dat hij twee keer tegen/op het bovenlichaam van [slachtoffer] trapt.
Om 23:23:29 uur liep NN6 in de richting van het Marktplein en bleef op de hoek van het gemeentehuis staan. Omstreeks 23:24:07 uur escaleerde het steekincident tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer] . Tegelijkertijd pakte NN6 rechts van hem een voorwerp van de grond. [2] Om 23:24:26 uur maakt NN6 met zijn rechterhand een gooiende beweging naar [slachtoffer] .
NN6 houdt een lichtkleurig voorwerp in zijn linkerhand vast en neemt dat over in zijn rechterhand. Met zijn linkerhand duwt NN6 meerdere personen aan de kant en maakt nog een keer een gooiende beweging naar [slachtoffer] toe. [slachtoffer] ligt op dat moment nog steeds op de grond. Vervolgens trappen [medeverdachte 1] en NN6 [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] tegen zijn bovenlichaam, bij zijn hoofd wordt geraakt. Om 23:24:37 uur rent NN2 om NN13 heen en trapt [slachtoffer] bij zijn hoofd. [medeverdachte 1] loopt naar [slachtoffer] , tilt zijn rechterbeen hoog op en trapt op [slachtoffer] bij diens hoofd. Om 23:24:41 uur rent [medeverdachte 2] op [slachtoffer] af en trapt hem met zijn rechterbeen bij het hoofd.
[slachtoffer] staat op. Om 23:24:52 uur loopt [medeverdachte 1] op [slachtoffer] af en slaat met zijn rechterhand in de richting van het gezicht van [slachtoffer] . [slachtoffer] gaat door deze klap naar achteren. [slachtoffer] is daarna niet meer in beeld. [3]
Onder [medeverdachte 2] is een telefoon in beslag genomen. Met de telefoon werd gebruik gemaakt van Snapchat, waarbij de telefoon was gekoppeld aan het snapchataccount [account] . In de telefoon is een gesprek met [naam] aangetroffen, waarin [medeverdachte 2] onder meer heeft gezegd:
(…)
Heb hem kkr hard geslagen
(…)
Papa zeg ga Gw weg
Ging die door
En ik sloeg hem met bierfles
En toen ging ik los
(…)
Er is ook een gesprek met [account] aangetroffen, waarin [account] zegt: “Ik gooide baksteen op zn been of voet bro”. [4]
Bij Snapchat zijn gebruikersgegevens opgevraagd van het account ‘ [account] ’. Daaruit kwam naar voren dat het account gebruik maakt van het e-mailadres [e-mail address] @gmail.com en telefoonnummer [telefoonnummer] en dat de geboortedatum van de gebruiker “ [geboortedatum] 1999” was. Er is onderzoek gedaan in het politiesysteem. Daarbij is er wat betreft de geboortedatum rekening mee gehouden dat de maand en dag mogelijk anders zou moeten worden gelezen, omdat Snapchat (taalgebied Verenigde Staten) een andere volgorde hanteert voor de weergave van de dag en maand. Uit dat onderzoek kwam vervolgens [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999 naar voren. Bij het telefoonnummer [telefoonnummer] hoort een abonnement op naam van [verdachte] . Het e-mailadres [e-mail address] @gmail.com bleek eveneens voor te komen in gegevens van Thuisbezorgd B.V. en was gekoppeld aan de naam [verdachte] met
telefoonnummer [telefoonnummer] . [5]
[medeverdachte 1] heeft in een afgetapt gesprek op 10 juli 2024 gezegd: “ik weet zeker dat ik hem op zijn schouder heb getrapt”. [6]
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen. [7]
De rechtbank leidt uit de voornoemde bewijsmiddelen af dat door verschillende personen in het openbaar geweld is gepleegd tegen [slachtoffer] . Uit de bevindingen betreffende de camerabeelden wordt duidelijk dat [medeverdachte 1] in bijzijn van NN7 in gesprek ging met [slachtoffer] en hem duwde. Vervolgens vloog [medeverdachte 2] om [medeverdachte 1] heen en sloeg [slachtoffer] in zijn gezicht. Op de beelden is te zien dat [medeverdachte 2] een voorwerp in zijn hand had, waarvan de verbalisanten vermoedden dat het een blikje of flesje was. Uit het Snapchat-gesprek met [naam] komt naar voren dat [medeverdachte 2] zegt met een bierflesje te hebben geslagen. De rechtbank overweegt dat het na de klap van [medeverdachte 2] volledig uit de hand is gelopen. [slachtoffer] is meerdere keren geslagen en geschopt/getrapt door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , waarbij [medeverdachte 2] ook van achteren zijn armen om de keel van [slachtoffer] heeft geslagen. Ook anderen mengden zich in het geweld toen [slachtoffer] op de grond lag. Op de beelden is te zien dat NN2 slaande en schoppende bewegingen maakte in de richting van [slachtoffer] en dat NN6 gooiende bewegingen in de richting van [slachtoffer] maakte. Uit het Snapchat-gesprek van [medeverdachte 2] met [account] blijkt dat [account] zegt dat hij een baksteen op het been of de voet van [slachtoffer] heeft gegooid. Uit de door Snatchap verstrekte informatie, bezien in samenhang met de resultaten van het onderzoek in het politiesysteem, acht de rechtbank bewezen dat NN6 moet worden geïdentificeerd als verdachte.
De rechtbank overweegt dat het geweldsincident zich in een heel korte tijd heeft afgespeeld. Verdachte is daarbij aanwezig geweest en heeft zich op enig moment, toen [slachtoffer] op de grond lag, gemengd in het geweld tegen [slachtoffer] . Voor een bewezenverklaring van het ‘in vereniging’ plegen van openlijk geweld, is niet vereist dat van elke dader die bij groepsgeweld is betrokken zelf een gewelddadige handeling is uitgegaan. Voldoende is dat elke dader opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad. Op de beelden is te zien dat verdachte een voorwerp heeft opgepakt van de grond en vervolgens gooiende bewegingen naar [slachtoffer] heeft gemaakt. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat op de beelden niet is te zien dat verdachte op dat moment een baksteen gooit, overweegt de rechtbank dat verdachte in het Snapchatgesprek met [medeverdachte 2] heeft gezegd dat hij een baksteen op het been of de voet van [slachtoffer] heeft gegooid. De rechtbank acht het oppakken van een voorwerp en de gooiende beweging bezien in samenhang met het Snapchatgesprek voldoende om te komen tot een bewezenverklaring van het gooien met een baksteen door verdachte. Voor zover de raadsman heeft opgemerkt dat er geen baksteen of delen daarvan zijn aangetroffen, overweegt de rechtbank dat op de beelden is te zien dat verdachte om 23.25.39 uur een voorwerp van de grond opraapt en dit voorwerp over de deur bij het gemeentehuis gooit. Niet kan worden uitgesloten dat dat voorwerp een baksteen is. Uit de beelden blijkt verder dat verdachte [slachtoffer] heeft geschopt. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte opzet heeft gehad op de door hem gepleegde geweldshandelingen en dat deze geweldshandelingen een voldoende significante bijdrage hebben geleverd aan het geweld. Een en ander betekent dat de geweldshandelingen die door de medeverdachten zijn gepleegd ook aan verdachte kunnen worden toegerekend.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande de ten laste gelegde openlijke geweldpleging bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks21 juni 2024 te Apeldoorn openlijk, te weten op het Marktplein, in elk geval op
of aande openbare weg en
/ofop een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door (met kracht) meermalen, althans eenmaal
- een
(bier
)flesje,
althans een hard voorwerp op/tegen het gezicht
en/of het hoofdvan die [slachtoffer]
te gooien en/ofte slaan en
/of
-
die [slachtoffer] (van achteren
) te bespringen en/ofde arm om de keel van die [slachtoffer] te slaan
en/of te grijpenen
/of
- ( vervolgens) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen
(waardoor die [slachtoffer] ten val kwam
)en
/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,
(met geschoeide voet
(en))op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen en
/of
- een
(bak
)steen,
althans een hard voorwerpop/tegen het been en/of de voet
, althans het (onder)lichaamvan die [slachtoffer] te gooien
en/of te slaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 105 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Aan verdachte dienen daarbij de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat als bijzondere voorwaarden worden opgelegd het volgen van een COVA+ training en een contactverbod met [slachtoffer] . De officier van justitie heeft verder een taakstraf gevorderd van 80 uur te vervangen door 40 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de strafmaat in verhouding moet staan tot de aan medeverdachte [medeverdachte 3] op te leggen straf. De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte een zeer kwetsbare jonge jongen is.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Verdachte heeft samen met anderen fors geweld gebruikt tegen [slachtoffer] . Toen [slachtoffer] was geslagen en op de grond was terechtgekomen, heeft verdachte een steen op het been of de voet van [slachtoffer] gegooid en heeft hij [slachtoffer] geschopt/getrapt. Door het door verdachte en de medeverdachten toegepaste geweld op [slachtoffer] is een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het feit heeft in het openbaar en in het uitgaansgebied plaatsgevonden, waardoor meerdere mensen hiervan getuige zijn geweest. Het geweld heeft ook grote impact gehad op [slachtoffer] . Hij ondervindt nog steeds fysieke klachten, waarvoor hij in behandeling is. Ook voelt hij zich gestrest en onveilig en lijdt hij aan PTSS. Dit is aan verdachte en de medeverdachten toe te rekenen.
De rechtbank heeft in aanmerking genomen de justitiële documentatie van verdachte. Daaruit komt naar voren dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.
De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen het rapport dat op 18 maart 2025 door Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering over verdachte is opgemaakt, en het Voortgangsverslag toezicht van 7 januari 2026. Daaruit komt naar voren dat verdachte zeer kwetsbaar is omdat hij verstandelijk beperkt is, in zijn jeugd trauma’s heeft opgelopen en bij spanningen het risico loopt op psychotische belevingen. Hij is in behandeling bij Transfore en krijgt ambulante begeleiding vanuit het Factteam van Transfore. Via het Factteam is hij aangemeld voor begeleid wonen bij jongerenzorg in Apeldoorn. Sinds medio juni 2025 woont hij daar. Uit het Voortgangsverslag volgt dat deze vaste woonplek rust lijkt te geven bij verdachte; hij is de laatste periode meer afsprakentrouw en goed aanspreekbaar. De risico’s op recidive, letselschade en onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als gemiddeld. Volgens de reclassering is een detentie niet wenselijk omdat dit het traject van begeleid wonen zou doorbreken. Het vinden van een geschikte woonplek voor verdachte heeft een lange tijd in beslag genomen. Met het huidige tekort aan beschermd-wonen-plekken is de kans klein dat hij opnieuw een passende woonplek gaat vinden als hij zijn huidige plek zou kwijtraken. De reclassering heeft een deels voorwaardelijke straf geadviseerd met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, meewerken aan een ambulante behandeling en meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De reclassering geeft de rechtbank daarnaast in overweging om een gedragsinterventie in de vorm van een COVA+ op te leggen.
De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen de persoon en de omstandigheden van verdachte, met name de positieve ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt. De rechtbank acht alles in aanmerking nemende de eis van de officier van justitie passend en geboden. Dat betekent dat zij verdachte een gevangenisstraf zal opleggen van 106 dagen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de rol van verdachte bij de openlijke geweldpleging. Gelet op de persoon van verdachte ziet de rechtbank aanleiding aansluiting te zoeken bij de straffen die aan de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] worden opgelegd. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf, te weten 90 dagen, in voorwaardelijke vorm opleggen als stok achter de deur en om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering en deze voorwaarden uitbreiden met een COVA+ training en een contactverbod met [slachtoffer] , zoals gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf opleggen van 80 uur.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.733,28 aan materiële schade en € 20.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij verzoekt verdachte en de medeverdachten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de gevorderde schadevergoeding. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Ook is verzocht om vergoeding van proceskosten tot een bedrag van € 100,00.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevorderde bedragen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel heeft zij verzocht om toewijzing van de wettelijke rente over de vast te stellen schadevergoeding. Daarnaast heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het causaal verband tussen de schade en de handelingen ontbreekt, waarbij hij erop heeft gewezen dat verdachte niet wordt verweten dat hij [slachtoffer] heeft gestoken. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat ook moet worden uitgezocht in hoeverre [slachtoffer] eigen schuld heeft aan het gebeuren. De raadsman meent dat dit thuishoort bij de civiele rechter.
Voor zover de rechtbank wel komt tot een toewijzing, dient het bedrag van de schadevergoeding fors te worden gematigd. De raadsman heeft betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover dit betreft het vervangen van de sloten, de telefoon en het gepinde geld. Ten aanzien van de camera is er geen causaal verband. Wat betreft de kosten voor de fysiotherapie ligt er een te lange tijd tussen het feit en de klachten. De posten ‘eigen bijdrage’ en ‘geneesmiddelen’ zijn onvoldoende onderbouwd. Ook voor deze kosten moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. De stelpost is niet onderbouwd en dient te worden afgewezen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft de volgende posten opgevoerd:
  • € 152,00 4 dagen verblijf in het ziekenhuis
  • € 15,56 Eigen risico 2024
  • € 385,00 Eigen risico 2025
  • € 113,40 Reiskosten naar de fysiotherapeut en psycholoog
  • € 40,00 Taxikosten naar de eerste hulp en terugrit Ten Pas
  • € 483,00 Fysiotherapeut
  • € 30,20 Parkeerkosten
  • € 107,70 Geneesmiddelen
  • € 239,40 Gestolen telefoon
  • € 73,00 Afschrijving gestolen pinpas
  • € 256,98 Kleding en schoenen
  • € 1.057,03 Abonnement sportschool
  • € 239,99 Beveiligingscamera’s
  • € 624,52 Vervanging sloten woning
  • € 1.690,50 Fysiotherapie (aanvullend op eerdere vordering)
  • € 225,00 Brace voor de schouder
Daarnaast is sprake van een stelpost van € 10.000,00 voor toekomstige schade met het verzoek de benadeelde partij ten aanzien van deze stelpost niet-ontvankelijk te verklaren.
Ter terechtzitting van 13 januari 2026 is namens de benadeelde partij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor zover de vordering ziet op de brace. Onduidelijk is of deze post door de ziektekostenverzekeraar zal worden vergoed.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer] . Zoals hierna zal blijken heeft [slachtoffer] hierdoor in ieder geval geestelijk letsel opgelopen, waarvoor ook verdachte verantwoordelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering geen onevenredige belasting van het geding oplevert. De vordering is overzichtelijk en bevat geen bedragen op basis van extern opgemaakte (complexe) berekeningen. Daarnaast heeft verdachte voldoende gelegenheid gehad om zich in de vordering te verdiepen en zich daartegen te verdedigen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vordering is ingediend ten behoeve van de zitting op 20 mei 2025. Bij de vordering zijn destijds diverse producties gevoegd ter onderbouwing van de kosten. Op 19 mei 2025 is een aanvullend verzoek tot schadevergoeding ontvangen. Dit betrof één post. Verder is op 9 januari 2026 een aanvullend verzoek tot schadevergoeding ontvangen betreffende de kosten voor fysiotherapie en een brace. Ten aanzien van deze laatste post is, zoals hiervoor overwogen, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman moet worden geacht voldoende tijd te hebben gehad om zich te verdiepen in de vordering.
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat er sprake is van eigen schuld aan de kant van [slachtoffer] . De raadsman heeft dit op geen enkele wijze gemotiveerd. Evenmin zijn hiervoor in het dossier aanwijzingen te vinden. Het enkele feit dat er kennelijk sprake was van een woordenwisseling is daarvoor onvoldoende.
De rechtbank zal de vordering per post beoordelen.
Uit het dossier komt naar voren dat de benadeelde partij een aantal dagen in het ziekenhuis heeft verbleven. De gevraagde vergoeding is gebaseerd op de Letselschade Richtlijn en komt redelijk voor. De rechtbank zal het bedrag van € 152,00 toewijzen.
Het eigen risico 2024 ten bedrage van € 15,56 is voldoende onderbouwd en zal de rechtbank eveneens toewijzen.
Ten aanzien van het eigen risico over 2025 overweegt de rechtbank dat uit de stukken niet duidelijk wordt waarop het bedrag van € 134,01 ziet. Daarnaast zijn geen producties overgelegd betreffende het resterende deel van het eigen risico. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of sprake is van een causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de gemaakte kosten. De benadeelde partij zal ten aanzien van deze post daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot de kosten voor fysiotherapie overweegt de rechtbank dat uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij al bij de fysiotherapeut in behandeling was voordat het bewezen verklaarde feit plaatsvond. De rechtbank leidt daaruit af dat er dus sprake was van bestaande klachten, waarvoor de benadeelde partij werd behandeld. De rechtbank kan uit de stukken niet afleiden of en in hoeverre de benadeelde partij naar aanleiding van het bewezen verklaarde feit onder behandeling van een fysiotherapeut is geweest. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor de kosten van de fysiotherapie. Dat geldt eveneens voor de reiskosten voor de fysiotherapie.
De reiskosten naar het ziekenhuis alsmede de psycholoog zal de rechtbank toewijzen.
Het gaat daarbij om een bedrag van € 34,16 aan reiskosten naar de psycholoog en een bedrag van € 21,42 aan reiskosten naar het ziekenhuis, totaal € 55,58. De reiskosten voor 21 juni 2024 zijn niet in de berekening meegenomen, omdat [slachtoffer] de taxikosten op die datum naar het ziekenhuis vergoed krijgt.
Ten aanzien van de parkeerkosten overweegt de rechtbank dat een deel ziet op dagen dat de benadeelde partij in het ziekenhuis was opgenomen. De rechtbank kan niet vaststellen dat sprake is van verplaatste schade. Daarvoor is de vordering onvoldoende onderbouwd. Als de kosten immers door Ten Pas zijn gemaakt in het kader van bezoek, dan zijn de kosten mogelijk aan te merken als vermogensschade van Ten Pas. Ook zijn er parkeerkosten op het Marktplein, waarvan niet kan worden vastgesteld of sprake is van een causaal verband met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren met betrekking tot de parkeerkosten.
De benadeelde partij heeft een aantal geneesmiddelen gekocht bij verschillende drogisterijen. Het gaat daarbij om vitaminen, mineralen en een zalf voor de verzorging van wonden. De rechtbank zal de kosten van de Arniflor zalf, € 8,39, toewijzen. Van de overige kosten kan de rechtbank niet vaststellen of sprake is van een causaal verband met het bewezen verklaarde feit. Overigens is van een tweetal bonnen ook niet te zien waarvoor de kosten zijn gemaakt. De benadeelde partij ten aanzien van het meergevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot de gestolen telefoon en de met de gestolen pinpas gepinde gelden overweegt de rechtbank dat het om een ander soort delict gaat. In dat geval is sprake van een vermogensdelict, terwijl verdachte en de medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan een geweldsdelict. Ook is niet gebleken dat de dader van de diefstal in enig verband staat tot de daders van het geweldsdelict. De rechtbank is daarom van oordeel dat er in onvoldoende mate sprake is van een causaal verband en dat verdachte niet (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor de diefstal van de telefoon en het gebruiken maken van de pinpas van de benadeelde partij. De benadeelde partij zal voor deze kosten niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het voorgaande geldt eveneens voor het vervangen van de sloten en het plaatsen van beveiligingscamera’s. Het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden op het Marktplein en niet in of nabij de woning van de benadeelde partij dan wel zijn vriendin. De rechtbank kan daarom geen causaal verband vaststellen tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde schade en zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren voor deze kosten.
Voor kleding, schoenen en een riem heeft de benadeelde partij een bedrag gevorderd van 50% x € 513,96 is € 256,98. Niet bekend is wanneer deze goederen waren gekocht en wat de waarde van de goederen was. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de schade voor de kleding, schoenen en riem vaststellen op een bedrag van € 200,00.
Ten aanzien van de kosten voor de sportschool is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een causaal verband met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze kosten.
De rechtbank zal verder de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de brace en de stelpost van € 10.000,00 zoals ter terechtzitting verzocht.
Het voorgaande betekent dat de volgende bedragen worden toegewezen:
  • € 152,00 4 dagen verblijf in het ziekenhuis
  • € 15,56 Eigen risico 2024
  • € 55,58 Reiskosten naar het ziekenhuis en de psycholoog
  • € 40,00 Taxikosten naar de eerste hulp en terugrit Ten Pas
  • € 8,39 Geneesmiddelen
  • € 200,00Kleding en schoenen
Totaal € 471,53
De benadeelde partij zal voor het meergevorderde niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW Pro valt.
Door de geweldpleging heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van blijvende littekens, een buikwandbreuk en schade aan zijn lever. Ook heeft de benadeelde geestelijk letsel opgelopen in de vorm van een PTSS. Dit is aan verdachte en de medeverdachten toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank houdt verder rekening met de bedragen en marges die in de ‘Rotterdamse schaal’ worden genoemd. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 15.000,00 vaststellen. Voor het meergevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank overweegt dat namens de benadeelde partij is verzocht verdachte en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag hoofdelijk aansprakelijk te stellen.
De rechtbank overweegt dat de schade blijkens de vordering met name is ontstaan als gevolg van het meerdere keren met een mes steken van [slachtoffer] . De rechtbank ziet daarom aanleiding geen hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van het toegewezen schadebedrag op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de hoofdelijke aansprakelijkheid in dit geval tot onwenselijke gevolgen. Het steekletsel wordt immers alleen in de strafzaak van medeverdachte [medeverdachte 1] bewezen verklaard. Verdachte en de twee andere medeverdachten kunnen niet verantwoordelijk worden gehouden voor al het door [medeverdachte 1] gebruikte geweld en de gevolgen daarvan. De rechtbank acht [medeverdachte 1] aansprakelijk voor het grootste deel van de vordering en zal zijn aandeel vaststellen op 70% van de toegewezen bedragen voor materiële schade en smartengeld. De aandelen van verdachte en de twee andere medeverdachten zal de rechtbank vaststellen op ieder 10%.
Gelet op het voorgaande is verdachte aansprakelijk voor een bedrag van € 47,15 aan materiële schade en € 1.500,- aan smartengeld, totaal € 1.547,15. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Verdachte is vanaf 21 juni 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De benadeelde partij vordert verder vergoeding van de kosten die zijn gemaakt om een vordering in het strafproces te kunnen indienen en vervolgens daadwerkelijk schadevergoeding te krijgen. Het gaat hierbij om een bedrag van € 100,00 voor het opstellen van een medische rapportage van de fysiotherapeut. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de proceskosten gelet op haar eerdere overwegingen met betrekking tot de kosten voor fysiotherapie.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 106 dagen;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 90 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Leger des Heils op het adres [adres];
  • verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Transfore of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
  • verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in Zorgtrium of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
  • verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie COVA+ van de reclassering. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
  • verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1986;
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de volgende voorwaarden: de meldplicht, de ambulante behandelverplichting, de verplichting tot begeleid wonen en de verplichting de COVA+ training te volgen en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt op een taakstraf van 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;
  • veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 47,39 aan materiële schade en € 1.500,00 aan smartengeld,
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade, smartengeld en proceskosten;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 47,39 aan materiële schade en € 1.500,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 15 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.L.A. van der Veeken (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en
mr. E.H.T. Rademaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.
Mr. Jacobs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 02410161409.ris, onderzoek ODER / ON3R024024, gesloten op 10 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 445.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 382, 394-396, 398-399, 401, 403, 405-408, 410-411, 413-415.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 169-170, 176.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 225.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 316.
7.Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , p. 620.