Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:749

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
25/960
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7, eerste lid, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingenArt. 8, eerste lid, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingenArt. 26, eerste en tweede lid, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingenArt. 2.1 Verzamelbesluit Toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugvordering huurtoeslag wegens hoger inkomen in 2024

Eiser ontving tot juni 2024 een bijstandsuitkering en ging daarna werken, waardoor zijn inkomen in 2024 toenam. De Dienst Toeslagen herzag het voorschot huurtoeslag en vorderde een bedrag van €1.528 terug. Eiser stelde beroep in tegen deze terugvordering.

De rechtbank oordeelt dat de terugvordering terecht is omdat het toetsingsinkomen over het gehele jaar 2024 bepalend is voor de huurtoeslag. Het beroep faalt omdat de dienst de berekening correct heeft uitgevoerd en het systeem van jaarinkomen bewust is gekozen voor uitvoerbaarheid en draagkrachtbepaling.

Eiser voerde aan dat terugvordering onevenredig is vanwege financiële en gezondheidsproblemen in het eerste halfjaar, maar dit verweer wordt verworpen. De dienst kan bij bijzondere omstandigheden matiging toepassen, maar die zijn hier onvoldoende aangetoond. Wel is besproken dat terugbetaling in termijnen mogelijk is.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst griffierecht en proceskostenvergoeding af en bevestigt de terugvordering van de huurtoeslag over 2024.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van huurtoeslag over 2024 wordt ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/960

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2])

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van door eiser ontvangen huurtoeslag. Eiser is het niet eens met de terugvordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de terugvordering van de huurtoeslag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de dienst de ontvangen huurtoeslag over 2024 gedeeltelijk mocht terugvorderen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Tot begin juni 2024 ontving eiser een bijstandsuitkering van de gemeente Arnhem. Vanaf 3 juni 2024 werkt eiser bij [naam bedrijf] in [plaats 2]. Hij heeft daarom op
24 oktober 2024 de huurtoeslag stopgezet.
2.1.
Bij besluit van 22 november 2024 heeft de dienst het voorschot huurtoeslag herzien en van eiser een bedrag van € 1.528 teruggevorderd. Daarvoor heeft eiser op
16 november 2024 een terugvorderingsbeschikking ontvangen. Met het bestreden besluit van 7 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de dienst bij de terugvordering van dat bedrag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de dienst.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Of iemand recht heeft op huurtoeslag, is afhankelijk van diens draagkracht. Daarbij wordt gekeken naar het toetsingsinkomen. [1] Het toetsingsinkomen is het inkomen dat iemand in een heel toeslagjaar ontvangt. [2]
3.1.
Als iemand te veel huurtoeslag heeft ontvangen, moet hij dat bedrag in principe helemaal terugbetalen. Maar als dat onevenredige gevolgen heeft voor diegene die het moet terugbetalen, dan kan de dienst bepalen dat diegene een lager bedrag moet terugbetalen. [3] In het Verzamelbesluit Toeslagen is uitgelegd wanneer sprake kan zijn van zulke onevenredige gevolgen.
Mocht de dienst de hoogte van de huurtoeslag berekenen aan de hand van het jaarinkomen?
4. Eiser betoogt dat de dienst het bedrag dat hij moet terugbetalen niet goed heeft berekend. Omdat hij tot 3 juni 2024 een uitkering ontving, hoeft hij de huurtoeslag over de periode van 1 januari 2024 tot en met 2 juni 2024 niet terug te betalen.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet
.Bij de vaststelling van de hoogte van de huurtoeslag wordt gekeken naar wat de ontvanger in een heel jaar aan inkomen heeft ontvangen. Bij eiser moest de dienst dus kijken naar zijn inkomen over heel 2024. Dat hoort bij het systeem zoals de wetgever dat heeft bedacht. De wetgever heeft daar bewust voor gekozen omdat het goed uitvoerbaar is en normaal gesproken een goed beeld geeft van iemands draagkracht. [4]
4.2.
De dienst heeft in het verweerschrift uitgelegd welke beschikkingen hebben geleid tot de hoogte van het terug te betalen bedrag. De rechtbank is niet gebleken dat de dienst een onjuiste berekening heeft gemaakt op basis van de ten tijde van het bestreden besluit beschikbare gegevens. Op de zitting is uitgelegd dat de definitieve vaststelling van het recht op huurtoeslag wordt gebaseerd op recente gegevens en dat daarbij het toetsingsinkomen van eiser iets lager zal uitvallen. Eiser hoeft dus naar verwachting uiteindelijk een lager bedrag terug te betalen.
Had de dienst het terug te vorderen bedrag moeten matigen?
5. Eiser betoogt dat het onevenredig is dat hij een gedeelte van de huurtoeslag over het eerste half jaar van 2024 moet terugbetalen, omdat hij het in die periode erg zwaar had vanwege financiële en gezondheidsproblemen. Hij had de huurtoeslag daarom hard nodig.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet
.Zoals in rechtsoverweging 3.1 toegelicht, kan de dienst bij bijzondere omstandigheden bepalen dat er een lager bedrag terugbetaald moet worden. Eiser moet een deel van de huurtoeslag terugbetalen omdat hij in de loop van 2024 meer inkomen kreeg. Volledige terugbetaling is in dat geval in principe niet onevenredig, tenzij er specifieke bijkomende omstandigheden zijn waardoor de volledige terugbetaling oneerlijk is. [5] De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de terugvordering onevenredig is. Op de zitting is bovendien besproken dat eiser in de gelegenheid zal worden gesteld om het bedrag in termijnen terug te betalen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de dienst de ontvangen huurtoeslag over 2024 gedeeltelijk mocht terugvorderen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
2.Dit volgt uit artikel 8, eerste lid, van de Awir.
3.Dit volgt uit artikel 26, eerste en tweede lid, van de Awir.
4.ABRvS 20 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3545, ro. 8.
5.Dit volgt uit artikel 2.1 van het Verzamelbesluit Toeslagen.