ECLI:NL:RBGEL:2026:746

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
11889262
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:29 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering geldlening en incassokosten wegens niet-nakoming terugbetaling

Op 24 april 2023 sloten eiser en gedaagde een overeenkomst van geldlening waarbij eiser € 5.000,00 aan gedaagde uitleende met terugbetaling uiterlijk op 24 mei 2024. Gedaagde heeft slechts gedeeltelijk afgelost (€ 1.150,00) en is na 27 maart 2025 gestopt met betalingen.

Eiser vordert betaling van de resterende hoofdsom van € 3.850,00, wettelijke rente vanaf 25 mei 2024, buitengerechtelijke incassokosten van € 510,00 en proceskosten. Gedaagde erkent de hoofdsom maar voert verweer met een veranderde financiële situatie en schuldhulpverlening, en wenst een betalingsregeling.

De kantonrechter oordeelt dat de vordering opeisbaar is vanaf 24 mei 2024 en wijst de hoofdsom, wettelijke rente en incassokosten toe. De financiële situatie van gedaagde doet niet af aan haar betalingsverplichting. Een betalingsregeling kan alleen met toestemming van eiser tot stand komen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de gevorderde bedragen en proceskosten, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de resterende lening, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11889262 \ CV EXPL 25-2677
Vonnis van 16 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
- de aanvullende conclusie van dupliek, met producties.
1.2.
Abusievelijk is naar partijen een brief gestuurd met het bericht dat de rechtbank geen aanvullende conclusie van dupliek heeft ontvangen. Dit stuk is wel degelijk bij de rechtbank binnengekomen. Het stuk is meegenomen bij de beoordeling van het geschil, zoals weergegeven in het procesverloop.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft op 24 april 2023 met [gedaagde] een overeenkomst van geldlening gesloten. Op grond van deze overeenkomst heeft [eiser] € 5.000,00 aan [gedaagde] uitgeleend.
2.2.
Partijen hebben in de schriftelijke overeenkomst van geldlening afgesproken dat [gedaagde] het bedrag uiterlijk op 24 mei 2024 terugbetaalt.
2.3.
[gedaagde] heeft een aantal wekelijkse aflossingsbetalingen van € 50,00 gedaan, maar is daar na 27 maart 2025 mee gestopt.
2.4.
[gedaagde] heeft tot op heden € 1.150,00 afgelost op de lening.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat [gedaagde] , bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 3.850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 mei 2024 tot er is betaald, tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 510,00 en dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na de datum van het vonnis tot er is betaald.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Partijen hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan een lening is verstrekt aan [gedaagde] . [gedaagde] moest de lening uiterlijk op 24 mei 2024 terugbetalen, maar heeft dit nagelaten. Na een aantal aflossingsbetalingen bedraagt de openstaande hoofdsom € 3.850,00. [gedaagde] is vanaf 25 mei 2024 in verzuim. [eiser] vordert daarom vanaf die datum de wettelijke rente over de openstaande hoofdsom. Verder heeft [eiser] [gedaagde] op 6 augustus 2025 een veertiendagenbrief gestuurd. Aangezien [gedaagde] , ondanks sommatie, niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, is zij ook het bedrag van € 510,00 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd geworden.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
3.4.
Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen staat vast dat zij een overeenkomst van geldlening hebben gesloten. Op grond van deze overeenkomst moet nog € 3.850,00 worden terugbetaald. [gedaagde] erkent dat zij dat bedrag moet terugbetalen.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering na 24 mei 2024 opeisbaar is geworden. Deze afspraak is namelijk vastgelegd in de schriftelijke overeenkomst van geldlening. Van nadere, afwijkende afspraken is niet gebleken. Hoewel [gedaagde] heeft gesteld dat [eiser] aanvankelijk geen spoedige terugbetaling eiste, heeft [eiser] deze stelling betwist. [gedaagde] heeft haar stelling niet nader onderbouwd. Het is daarom niet vast komen te staan dat partijen een aanvullende afspraak hebben gemaakt over de opeisbaarheid van de betalingsverplichting. [gedaagde] stelt verder dat [eiser] haar tot en met mei 2024 niet heeft aangemaand of heeft gewezen op het verstrijken van de betalingstermijn. De kantonrechter oordeelt dat deze stelling niet ter zake doet voor de opeisbaarheid van de vordering. Ook zonder aanmaning of herinnering geldt de afgesproken termijn voor betaling.
4.3.
Gelet op het voorgaande wijst de kantonrechter de vordering tot betaling van de hoofdsom van € 3.850,00 toe.
4.4.
[gedaagde] stelt dat zij de lening niet kan terugbetalen vanwege haar veranderde financiële situatie. Ze stelt bovendien dat ze is aangemeld voor een schuldhulpverleningstraject. De kantonrechter oordeelt dat deze omstandigheden, hoe moeilijk ook, niet afdoen aan haar betalingsverplichting jegens [eiser] .
4.5.
[gedaagde] heeft verder aangegeven dat zij graag een betalingsregeling wil treffen. De kantonrechter kan [eiser] niet verplichten een betalingsregeling te treffen. Een betalingsregeling kan alleen tot stand komen met toestemming van de schuldeiser (op grond van artikel 6:29 BW Pro). Het staat [gedaagde] vrij om, aan de hand van dit vonnis, alsnog te proberen een betalingsregeling te treffen met [eiser] .
4.6.
[gedaagde] voert verweer tegen de extra kosten. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] hiermee doelt op de gevorderde vergoeding van de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. De kantonrechter wijst deze kosten desondanks geheel toe. De kantonrechter legt uit waarom.
4.7.
[eiser] vordert vergoeding van de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro. Wettelijke rente ziet op de vergoeding van schade die wordt geleden door de te late betaling van een geldsom. Wettelijke rente moet worden vergoed vanaf het moment waarop de schuldenaar in verzuim is. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] vanaf 25 mei 2024 in verzuim verkeerde. De kantonrechter wijst daarom de door [eiser] gevorderde wettelijke rente toe vanaf deze datum.
4.8.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel
6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag van € 510,00 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal daarom worden toegewezen.
4.9.
[gedaagde] voert tot slot aan dat de procedure onnodig is gestart, aangezien zij [eiser] altijd heeft geïnformeerd over haar financiële situatie en er geen sprake is van onwil om haar schuld af te lossen. Verder had het geschil onderling geregeld kunnen worden. Op grond van artikel 237 Rv Pro geldt dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de proceskosten wordt veroordeeld. Niettemin kan de rechter nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten voor rekening laten van de partij die deze heeft aangewend of veroorzaakt. De kantonrechter oordeelt dat de door [gedaagde] gestelde omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat [eiser] de procedure onnodig is gestart. [eiser] heeft [gedaagde] na het verstrijken van de betalingstermijn aangemaand tot terugbetaling van de geldlening. De lening is toen niet (geheel) afgelost. Het staat verder vast dat [gedaagde] een aantal deelbetalingen heeft verricht ter hoogte van € 50,00 per week, maar dat zij hiermee is gestopt. Het stond [eiser] daarom vrij om incassomaatregelen te nemen en een procedure te starten, omdat [gedaagde] niet voldeed aan haar betalingsverplichting.
4.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
257,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
538,14
4.11.
De kosten van [eiser] aan salaris van een gemachtigde worden begroot op nihil, omdat zij in persoon procedeert.
4.12.
De kantonrechter wijst ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten (inclusief nakosten) toe met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 mei 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 510,00 te betalen,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 538,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten met ingang van vijftien dagen na aanschrijving tot de dag van volledige betaling,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
16 januari 2026.