ECLI:NL:RBGEL:2026:739

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
05-203187-24 vs
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en openlijke geweldpleging met mes in Apeldoorn

Op 21 juni 2024 vond op het Marktplein in Apeldoorn een gewelddadige confrontatie plaats waarbij verdachte samen met zijn zoon en anderen het slachtoffer aanviel. Verdachte gebruikte een vlindermes waarmee hij meerdere steekwonden toebracht, waaronder in de buik waar de lever werd geraakt. Het letsel had fataal kunnen zijn bij ernstiger schade.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte met voorwaardelijk opzet handelde en veroordeelde hem voor poging tot doodslag en openlijke geweldpleging. De straf bestaat uit 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 17,5 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een taakstraf van 240 uur. Verdachte draagt al ruim een jaar een enkelband.

De civiele vordering van het slachtoffer werd deels toegewezen: materiële schade en smartengeld werden vastgesteld op €10.830,07, waarvan verdachte 70% moet betalen. De rechtbank wees schadeposten af die onvoldoende causaal verband vertoonden met het geweldsincident. Verdachte moet de schadevergoeding aan de Staat betalen ten behoeve van het slachtoffer.

De rechtbank hield rekening met de positieve gedragsontwikkeling van verdachte, zijn behandeling bij Transfore en het feit dat een volledige gevangenisstraf het hulpverleningstraject zou doorkruisen. De voorlopige hechtenis werd geschorst en bijzondere voorwaarden opgelegd om recidive te voorkomen.

De uitspraak werd gewezen door mr. C.L.A. van der Veeken, mr. I.D. Jacobs en mr. E.H.T. Rademaker op 27 januari 2026 te Zutphen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, en een taakstraf voor poging tot doodslag en openlijke geweldpleging met een mes.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.203187.24
Datum uitspraak : 27 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. E. van Reydt, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet (met kracht) meermalen, althans eenmaal
-op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of gestompt (waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, (met geschoeide voet(en)) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of
- met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of de buik en/of de rug en/of de heup en/of de/het (boven)be(e)n(en) van die [slachtoffer] heeft/hebben gestoken en/of
gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere steekverwonding(en) en/of leverletsel en/of een buikwandbreuk en/of meerdere littekens, heeft toegebracht door (met kracht) meermalen, althans eenmaal
- op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, (met geschoeide voet(en)) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of trappen en/of
- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of de buik en/of de rug en/of de heup en/of de/het (boven)be(e)n(en) van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) meermalen, althans eenmaal
- op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of gestompt (waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, (met geschoeide voet(en)) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of
- met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of de buik en/of de rug en/of de heup en/of de/het (boven)be(e)n(en) van die [slachtoffer] heeft/hebben gestoken en/of
gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Apeldoorn openlijk, te weten het Marktplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door (met kracht) meermalen, althans eenmaal
- op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, (met geschoeide voet(en)) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen en/of
- met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of de buik en/of de rug en/of de heup en/of de/het (boven)be(e)n(en) van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een of meerdere steekverwonding(en) voor [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 primair en 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair en 1 subsidiair. Hij heeft betoogd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk met het mes dat hij in zijn handen had, heeft gestoken. Aan de verklaringen van verdachte in het ziekenhuis kan geen bewijswaarde worden toegekend, gegeven de context waarin deze zijn gedaan. Verder is het mogelijk dat de bewegingen die als mogelijke steekbewegingen zijn aangemerkt, niet hebben geleid tot (alle) steekverwondingen en dat steekverwondingen buiten beeld zijn opgelopen. De raadsman heeft verder betoogd dat niet blijkt dat het toegepaste geweld de
aanmerkelijke kans op de dood met zich mee heeft gebracht. Ook is geen sprake van zwaar lichamelijk letsel nu niet medisch is ingegrepen anders dan het hechten van een aantal verwondingen en nu een genezingsduur van vier tot zes weken werd vermeld. De littekens zijn wat betreft uiterlijk en ernst niet zodanig prominent zichtbaar en ontsierend dat deze kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Om die reden dient verdachte ook te worden vrijgesproken van de onder feit 2 opgenomen strafverzwarende omstandigheid ‘indien dat door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft’. Volgens de raadsman is er ten aanzien van de feiten 1 meer subsidiair en 2, die verder kunnen worden bewezen, sprake van eendaadse samenloop.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de feiten 1 en 2 tegelijk beoordelen, gelet op de nauwe onderlinge samenhang.
De politie kreeg op 21 juni 2024 omstreeks 23.30 uur de melding van een steekpartij op het Marktplein in Apeldoorn. [2]
Ter plaatse hoorden verbalisanten dat er een taxi was weggereden met een man die was neergestoken. Verbalisanten zijn vervolgens naar het Gelre ziekenhuis gegaan en troffen op de huisartsenpost [slachtoffer] . Verbalisant zag de volgende verwondingen:
- een steekwond aan de binnenkant van het linker bovenbeen ter hoogte van de lies;
- een steekwond in de rechterborst boven de tepel;
- een steekwond midden op de rug, links van de wervelkolom;
- een steekwond rechts onder de schouder/oksel;
- een steekwond links boven de heup ter hoogte van het bekken.
Verbalisant hoorde van een collega dat een slachtoffer van de steekpartij met de ambulance naar het ziekenhuis was gebracht. Op de spoedeisende hulp trof hij verdachte. Nadat verbalisant hem de cautie had gegeven verklaarde verdachte dat hij ruzie had gekregen met ene [slachtoffer] en dat hij meerdere keren had ingestoken op [slachtoffer] . [3]
[slachtoffer] is op 22 juni 2024 forensisch medisch onderzocht. Daarbij zijn zes steekwonden van 1,5-2 cm waargenomen, te weten: rechts voor de in de borst, in de maagkuil, linksboven in de rug, in de linker heup, in de linkerzijde van het bovenbeen en aan de voorkant in het bovenbeen links. Daarnaast had [slachtoffer] een zwelling op zijn achterhoofd zonder wond. [slachtoffer] had verder niet uitwendig waarneembaar letsel in de vorm van een leverlaceratie (graad 2-3).
De steekwond in de buik heeft ook de lever aangeprikt, wat volgens de arts had kunnen leiden tot een ernstige inwendige bloeding. De duur van de genezing van de zichtbare letsels werd geschat op vier weken. De duur van de genezing van de overige letsels werd geschat op twee maanden. [4]
Het letsel is nader beschreven door artsen van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO. Uit de door hen opgemaakt letselrapportage komt naar voren dat het letsel bestaat uit bloeduitstortingen, zwelling(en) en een zestal huiddoorklievingen. Van de zes huiddoorklievingen kan gezegd worden dat twee een steekwond betreffen (op de bovenbuik en binnenzijde linker bovenbeen). De andere vier huiddoorklievingen kunnen niet nader worden geduid. De restschade zal bestaan uit littekens.
Er was geen operatie-indicatie en er heeft geen actieve behandeling plaatsgevonden. Het slachtoffer zou niet aan het daadwerkelijk opgetreden letsel zijn overleden, ook niet als er niet medisch was ingegrepen.
De huiddoorklieving op de borst had volgens de rapportage ernstiger letsel kunnen veroorzaken als die dieper was geweest, zoals letsel van de long, een klaplong of een spanningsklaplong. Tevens bevond het letsel zich net op de grens van de ‘cardiac box’. Bij penetrerend letsel in de cardiac box is er een grotere kans op letsel van de longen, het hart en de grote lichaamsslagader (aorta). Bij een toename van de ernst van het letsel, neemt ook de kans op overlijden toe en kan het herstel ook langer duren.
De huiddoorklieving in de buik had kunnen leiden tot een ernstiger letsel van de lever met een bloeding en een benodigde operatie om de bloeding te stelpen. Nabijgelegen organen, zoals de maag en darmen, hadden geraakt kunnen worden. Bij een perforatie van de maag of darm bestaat er een grote kans op een buikvliesontsteking, die fataal kan aflopen. Het letsel boven in de buik bevond zich tevens recht boven de grote buikslagader. Bij een toename van de grootte van het leverletsel en omliggende letsels neemt de kans op overlijden toe.
De medische gegevens vermelden een genezingsduur van vier tot zes weken.
Op basis van het daadwerkelijke letsel werden meerdere littekens verwacht. Er was sprake van een buikwandbreuk waarbij de buikinhoud door het steekkanaal uit de buikholte kwam. Qua orgaanletsel werden geen blijvende beperkingen verwacht.
In de letselrapportage worden twee hypotheses genoemd:
- hypothese 1: het letsel is veroorzaakt door een scherprandig voorwerp.
- hypothese 2: het letsel is veroorzaakt door verschillende scherprandige voorwerpen.
De hypotheses sluiten elkaar niet uit.
In casu was sprake van een zestal huiddoorklievingen. Een aantal van deze huiddoorklievingen had een gekneusde wondrand over een klein gedeelte van de wondrand. Een aantal van deze letsels had een spits einde aan één zijde of aan beide zijden. Het geconstateerde letsel kan ontstaan zijn bij het gebruik van één type scherprandig voorwerp of meerdere (dezelfde typen) scherprandige voorwerpen. [5]
Op camerabeelden van Albert Heijn, Deventerstraat 10 in Apeldoorn, is het Marktplein te zien. Uit de beelden van 21 juni 2024 komt het volgende naar voren.
Om 23:23:26 uur loopt een man naar [slachtoffer] en slaat zijn rechterarm om [slachtoffer] . Verdachte loopt op [slachtoffer] af, die daarop een grote stap naar achteren doet. Om 23:23:37 uur geeft verdachte of NN7, die ook bij verdachte en [slachtoffer] staat, [slachtoffer] een duwtje. NN7 houdt daarna zijn rechterarm voor de borst van [slachtoffer] . Om 23.23.54 uur is te zien dat verdachte een mes dan wel een voorwerp dat op een mes lijkt in zijn rechterhand vasthoudt. Hij houdt zijn hand met het mes achter zijn rechterbeen en klapt het mes dan uit. Om 23:23:58 uur lopen meerdere personen naar [slachtoffer] . Verdachte houdt het mes dan achter de rug van NN7. Om 23.24.01 uur rent verdachte op [slachtoffer] af. Met zijn linkerhand duwt hij [slachtoffer] . Het mes houdt hij naast zijn, verdachtes, lichaam. Medeverdachte [medeverdachte] staat linksachter verdachte en heeft een voorwerp in zijn rechterhand vast. Om 23:24:08 uur springt [medeverdachte] om NN7 heen en slaat [slachtoffer] in zijn gezicht met vermoedelijk een blikje of flesje. [slachtoffer] wordt links in zijn gezicht geraakt.
Om 23:24:13 uur is te zien dat verdachte met zijn rechterhand met de onderkant van het mes tegen de zijkant van het bovenlichaam van [slachtoffer] slaat. [medeverdachte] balt zijn rechterhand en slaat [slachtoffer] twee keer met gebalde vuist in het gezicht. Om 23:24:21 uur slaat verdachte met zijn rechterhand richting het bovenlichaam van [slachtoffer] . Verdachte heeft het mes nog steeds in zijn rechterhand vast. [slachtoffer] valt en ligt in foetushouding op de grond. [medeverdachte] slaat met zijn rechterhand in de richting van het hoofd van [slachtoffer] . Ook NN2 maakt met zijn linkerhand twee keer een slaande beweging naar [slachtoffer] op het moment dat die op de grond ligt. Om 23:24:24 uur is te zien dat verdachte met zijn rechterbeen drie keer stampt in de buurt van het hoofd van [slachtoffer] en dat hij twee keer tegen/op het bovenlichaam van [slachtoffer] trapt. Om 23:24:33 uur trappen verdachte en NN6 [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] tegen zijn bovenlichaam, bij zijn hoofd wordt geraakt. Verdachte houdt het mes op dat moment vast in zijn linkerhand. Om 23.24.34 uur loopt verdachte weg van [slachtoffer] en stopt het mes in zijn kontzak. Om 23:24:37 uur rent NN2 om NN13 heen en trapt [slachtoffer] bij zijn hoofd.
Om 23.24.40 uur is te zien dat verdachte naar [slachtoffer] loopt. Hij tilt zijn rechterbeen hoog op en trapt op [slachtoffer] bij diens hoofd. [medeverdachte] rent op [slachtoffer] af en trapt hem met zijn rechterbeen bij het hoofd. [slachtoffer] staat op. Om 23:24:52 uur loopt verdachte op [slachtoffer] af en slaat met zijn rechterhand in de richting van het gezicht van [slachtoffer] . [slachtoffer] gaat door deze klap naar achteren. [slachtoffer] is daarna niet meer in beeld. Verdachte is daarna ook uit beeld.
Om 23.24.58 uur is verdachte weer op beeld te zien. Verdachte doet zijn jas uit en gaat met zijn rechterhand naar zijn rechterkontzak. Hij klapt vervolgens een mes uit in zijn handen. Om 23.25.09 uur rent verdachte met het mes in zijn rechterhand uit beeld. [6]
Verbalisant heeft de camerabeelden ten aanzien van de steekbewegingen nader uitgewerkt.
Om 23:23:57 uur ziet verbalisant verdachte staan met in zijn rechterhand een voorwerp met alle uiterlijke kenmerken van een vlindermes. Het mes had een zilvergrijze kleur, was aan de ene kant puntig en had aan de andere kant een heft dat uit twee delen leek te bestaan.
Om 23:24:13 uur ziet verbalisant verdachte en [slachtoffer] . Verdachte heeft in zijn rechterhand het mes vast met het lemmet naar de grond gericht. Verbalisant ziet verder op de camerabeelden dat verdachte met zijn rechterarm uithaalt naar [slachtoffer] en dat hij het mes nog in zijn rechterhand heeft. [slachtoffer] probeert met zijn linkerarm de aanval af te weren. [slachtoffer] staat zodanig gedraaid dat zijn rug bereikbaar was voor de rechterhand van verdachte. Verbalisant ziet dat verdachte met zijn rechterhand [slachtoffer] op zijn rug raakt op bij benadering dezelfde plek waar later die avond een steekwond werd aangetroffen.
Om 23.24.20 uur komt verdachte weer aanlopen en maakt met zijn rechterhand een stompende of stekende beweging naar de buik van [slachtoffer] . Verbalisant ziet dat verdachte zijn rechterarm weer terugtrekt en dat hij het mes nog steeds vast had. [slachtoffer] gaat hierna tegen de grond. Volgens verbalisant zou deze stekende beweging kunnen passen bij het steekletsel nabij het middenrif van [slachtoffer] . [7]
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen. [8]
Verdachte heeft in een afgetapt gesprek op 10 juli 2024 gezegd: “ik weet zeker dat ik hem op zijn schouder heb getrapt”. [9] Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen en dat hij een mes in zijn handen had. [10]
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat door verschillende personen in het openbaar geweld is gepleegd tegen [slachtoffer] . Uit de bevindingen betreffende de camerabeelden wordt duidelijk dat verdachte in bijzijn van NN7 in gesprek ging met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] werd geduwd. Vervolgens vloog [medeverdachte] om verdachte heen en sloeg [slachtoffer] in zijn gezicht. De rechtbank overweegt dat het na de klap van [medeverdachte] volledig uit de hand is gelopen. [slachtoffer] is meerdere keren geslagen en geschopt/getrapt door [medeverdachte] en verdachte, waarbij verdachte een uitgeklapt mes in zijn hand had. Ook NN2 en NN6 mengden zich in het geweld toen [slachtoffer] op de grond lag.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe de geweldshandelingen moeten worden gekwalificeerd.
Uit de beelden komt naar voren dat verdachte een mes in zijn hand had en dat hij dit mes heeft uitgeklapt op het moment dat hij en NN7 met [slachtoffer] in gesprek waren. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij dat mes ter versteviging van zijn hand vasthield niet aannemelijk. Niet valt in te zien waarom hij het mes in dat geval heeft uitgeklapt. Als het mes ter versteviging van zijn hand was bedoeld, zou hij zichzelf daarmee immers hebben kunnen verwonden. Als het mes ter versteviging van zijn hand was, zou het meer voor de hand hebben gelegen dat verdachte het mes ingeklapt in zijn hand had gehouden. Nu niet kan worden aangenomen dat verdachte het mes voor versteviging van zijn hand had, kan het niet anders zijn dan dat verdachte het mes wilde gebruiken in het gevecht met [slachtoffer] . Dit vindt ook steun in het feit dat [slachtoffer] en verdachte op enig moment uit beeld verdwijnen, waarna verdachte kort daarna weer in beeld komt. Hij doet dan zijn jas uit en haalt een mes uit zijn kontzak. Hij klapt het mes uit en rent weer uit beeld.
Op de beelden is ook te zien dat verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer] . De letsels in de rug en nabij het middenrif zouden daardoor kunnen worden verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte met het mes letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht. Dit volgt ook uit de verklaring van verdachte in het ziekenhuis. Daar heeft hij verklaard dat hij [slachtoffer] meerdere keren heeft gestoken. De rechtbank ziet geen enkele reden om aan deze verklaring te twijfelen en de verklaring van het bewijs uit te sluiten. Verdachte had op het moment dat hij de verklaring aflegde de cautie gehad. Dat verdachte boos was en alcohol had gedronken, is geen reden om de verklaring van het bewijs uit te sluiten, te minder nu zijn verklaring past bij de bevindingen van de camerabeelden en het letsel bij [slachtoffer] . De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat op de beelden stekende bewegingen zijn gezien, zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt. Daarnaast kunnen bij het slaan met het mes in de hand ook huiddoorklievingen zijn ontstaan als gevolg van snijbewegingen. De rechtbank neemt verder in aanmerkingen dat bij het toebrengen van de letsels bij [slachtoffer] gebruik is gemaakt van één type scherprandig voorwerp of meerdere (dezelfde typen) scherprandige voorwerpen. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen of meerdere personen beschikten over een (soortgelijk) mes.
De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] (ook) letsels buiten beeld heeft opgelopen. De rechtbank erkent dat dit inderdaad niet kan worden uitgesloten, maar dit laat onverlet dat in ieder geval een deel van de letsels door verdachte is toegebracht. Het gaat daarbij zoals hiervoor overwogen in ieder geval om de letsels in de rug en nabij het middenrif.
Voor een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag is vereist dat verdachte opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. De rechtbank overweegt dat het dossier geen aanknopingspunten biedt dat verdachte vol opzet op de dood van [slachtoffer] had.
De vraag is of sprake was van voorwaardelijk opzet. Voor voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals in dit geval de dood van [slachtoffer] , is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd bij [slachtoffer] , waarbij hij meerdere keren met een mes heeft gestoken. De letsels in de rug en nabij het middenrif (buik) kunnen in ieder geval worden toegeschreven aan verdachte. Uit de letselrapportage komt naar voren dat de huiddoorklieving in de buik had kunnen leiden tot een ernstiger letsel van de lever met een bloeding en een benodigde operatie om de bloeding te stelpen. Nabijgelegen organen, zoals de maag en darmen, hadden geraakt kunnen worden. Bij een perforatie van de maag of darm bestaat er een grote kans op een buikvliesontsteking, die fataal kan aflopen. Het letsel boven in de buik bevond zich tevens recht boven de grote buikslagader. Bij een toename van de grootte van het leverletsel en omliggend letsel neemt de kans op overlijden toe.
De rechtbank leidt hieruit af dat de steekwond in de buik had kunnen leiden tot ernstiger letsel van de lever, dan wel letsel aan andere organen. Het letsel had in dat geval fataal kunnen zijn.
De rechtbank is van oordeel dat het gebruik maken van een mes in een vechtpartij, waarbij met het mes in onder meer de buik is gestoken, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] daarom bewezen.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank feit 1 primair en feit 2 bewezen acht.
Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat uit de letselrapportage blijkt dat medisch ingrijpen niet nodig was en dat de geschatte duur van genezing op vier tot zes weken voor de zichtbare letsels werd geschat en op twee maanden voor de overige letsels. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel en zal verdachte daarom in zoverre vrijspreken.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks21 juni 2024 te Apeldoorn
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet (met kracht) meermalen,
althans eenmaal
-op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft
/hebbengeslagen en/of gestompt
(waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen
)en
/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,
(met geschoeide voet
(en))op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft
/hebbengeschopt en/of getrapt en
/of
- met een mes
, althans met een scherp en/of puntig voorwerpin de borst en/of de buik en/of de rug en/of de heup en/of
de/het
(boven
)be
(e
)n
(en)van die [slachtoffer] heeft
/hebbengestoken en/of
gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op
of omstreeks21 juni 2024 te Apeldoorn openlijk, te weten het op Marktplein, in elk geval op
of aande openbare weg en
/ofop een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door (met kracht) meermalen,
althans eenmaal
- op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen
(waardoor die [slachtoffer] ten val kwam
)en
/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,
(met geschoeide voet
(en))op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen en
/of
- met een mes
, althans met een scherp en/of puntig voorwerpin de borst en/of de buik en/of de rug en/of de heup en/of
de/het
(boven
)be
(e
)n
(en)van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden, terwijl dit door hem gepleegde geweld
zwaar lichamelijk letsel, althansenig lichamelijk letsel, te weten
een ofmeerdere steekverwonding
(en
)voor [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Eendaadse samenloop van:
feit 1 primair:
Poging tot doodslag
feit 2:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Aan verdachte dienen daarbij de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft verder gevorderd de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Een detentie zou het hulpverleningstraject bij Transfore doorkruisen en leiden tot verlies van zijn bedrijf en zijn inkomen. Verdachte heeft geen relevante documentatie. Verder moet rekening worden gehouden met het feit dat verdachte zelf een forse steekverwonding heeft opgelopen met langdurige klachten als gevolg. Verdachte heeft 195 dagen in voorlopige hechtenis verbleven. Sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met 16 maanden. Een vermindering van 5% van de straf is in die situatie het uitgangspunt. Daarnaast moet er bij de strafmaat rekening mee worden gehouden dat verdachte inmiddels ruim een jaar een vrijheidsbeperkende maatregel heeft in de vorm van elektronisch toezicht. De raadsman meent dat een gevangenisstraf van 300 dagen waarvan 115 dagen voorwaardelijk passend is, eventueel in combinatie met een taakstraf. Hij heeft verzocht de voorwaarden te wijzigen in die zin dat het elektronisch toezicht komt te vervallen, inclusief de geboden/verboden die daarop zien. De raadsman heeft verder verzocht het verzoek om opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af te wijzen.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en openlijke geweldpleging. Verdachte heeft samen met zijn zoon geweld gepleegd jegens [slachtoffer] . Toen die op de grond was gevallen, mengden ook anderen zich in het gevecht. Verdachte heeft bij de geweldhandelingen ook een mes gebruikt en daarmee letsels toegebracht bij [slachtoffer] . Het letsel had dodelijk kunnen zijn als de lever meer schade had opgelopen of andere organen waren geraakt. Door het door verdachte en de medeverdachten toegepaste geweld op [slachtoffer] is een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het feit heeft in het openbaar en in het uitgaansgebied plaatsgevonden, waardoor meerdere mensen hiervan getuige zijn geweest. Het geweld heeft ook grote impact gehad op [slachtoffer] . Hij ondervindt nog steeds fysieke klachten, waarvoor hij in behandeling is. Ook voelt hij zich gestrest en onveilig en lijdt hij aan PTSS. Dit is aan verdachte en de medeverdachten toe te rekenen.
De rechtbank heeft in aanmerking genomen de justitiële documentatie van verdachte. Daaruit komt naar voren dat verdachte gedurende de afgelopen vijf jaar geen geweldsdelicten heeft gepleegd. De rechtbank heeft gezien dat verdachte op 12 november 2024 is veroordeeld voor een verkeersdelict. Artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht is daarom van toepassing.
De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen het reclasseringsrapport van 7 januari 2026 dat over verdachte is uitgebracht. Daaruit komt naar voren dat verdachte in de periode dat zijn voorlopige hechtenis was geschorst, een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hij is sinds april 2025 in behandeling bij Transfore. Daar is diagnostisch onderzoek gedaan en vastgesteld dat verdachte ADHD heeft. Verdachte laat een gemotiveerde houding zien en staat open voor gedragsverandering. Het vergroten van zijn zelfbewustzijn, zijn keuzes op het gebied van alcoholgebruik, zijn stabiele partnerrelatie en zijn dagbesteding (eigen bedrijfsvoering) zijn beschermende factoren die bijdragen aan zijn stabiliteit. Verdachte heeft zijn schulden grotendeels afgelost.
De risico’s op recidive en letselschade worden ingeschat als laag tot gemiddeld. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. De reclassering meent dat de forensische behandeling bij Transfore nog dient te worden voortgezet, omdat deze nog niet volledig is
afgerond. De behandeling heeft op een positieve manier bijgedragen aan het verminderen van de recidivekans. Verdachte is in staat om adequatere keuzes te maken, maar het is nog te vroeg om de behandeling volledig stop te zetten. De reclassering ziet nog mogelijkheden om de recidivekans verder te verlagen.
De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank houdt geen rekening met het feit dat verdachte zelf ook is gestoken en letsel heeft opgelopen. Verdachte is immers zelf de confrontatie aangegaan. Bovendien is niet gebleken dat [slachtoffer] verantwoordelijk kan worden gehouden voor het letsel bij verdachte.
De rechtbank is, alles in aanmerking nemend, van oordeel dat een gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank vindt de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf fors, ook omdat verdachte vanaf de schorsing van de voorlopige hechtenis op 2 januari 2025 een enkelband draagt, wat een beperking van zijn vrijheid inhoudt. Verder blijkt uit het reclasseringsrapport en uit het verhandelde ter terechtzitting dat verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt na de schorsing van de voorlopige hechtenis. Verdachte is gemotiveerd en werkt hard aan gedragsverandering. De rechtbank overweegt dat het behandelingstraject van Transfore wordt doorkruist als verdachte terug naar de gevangenis zou moeten gaan. Uit de behandeling ter terechtzitting blijkt ook dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag en dat hij zich schaamt voor het door hem gebruikte geweld.
De rechtbank ziet daarom aanleiding het anders te doen dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen van 24 maanden. De rechtbank zal een deel van deze gevangenisstraf, te weten 17,5 maanden, in voorwaardelijke vorm opleggen als stok achter de deur en om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering en de proeftijd bepalen op drie jaren. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf opleggen van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Anders dan door de raadsman naar voren is gebracht, is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte heeft niet de gehele periode tot de inhoudelijke behandeling in voorarrest doorgebracht. De redelijke termijn moet daarom worden gesteld op twee jaren. Sinds het plegen van de bewezen verklaarde feiten zijn nog geen twee jaren verstreken.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.733,28 aan materiële schade en € 20.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij verzoekt verdachte en de medeverdachten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de gevorderde schadevergoeding. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Ook is verzocht om vergoeding van proceskosten tot een bedrag van € 100,00.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevorderde bedragen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel heeft zij verzocht om toewijzing van de wettelijke rente over de vast te stellen schadevergoeding. Daarnaast heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen voor zover dit betreft de telefoon, afschrijvingen pinpas en kosten voor vervanging van het slot, omdat het verband met de ten laste gelegde geweldsfeiten onvoldoende is om als rechtstreekse schade te kwalificeren. Ook de kosten in verband met de installatie van de camera’s rond de woning van de vriendin van [slachtoffer] komen niet voor vergoeding in aanmerking. Er is geen sprake van rechtstreekse schade. De benadeelde partij dient niet ontvankelijk te worden verklaard in de kosten van de fysiotherapie, het sportschoolabonnement en de reiskosten naar de fysiotherapiepraktijk. [slachtoffer] kreeg al fysiotherapie. De kosten zijn niet een rechtstreeks gevolg van de verweten gedragingen. De benadeelde partij dient ook niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van de gevorderde eigen risico’s nu niet duidelijk is welk deel hiervan ziet op behandelingen die zijn terug te voeren op het onderhavige incident. Voor de reiskosten naar de psycholoog en de parkeerkosten bij het ziekenhuis ontbreekt een onderbouwing. De kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Ook ten aanzien van de geneesmiddelen blijkt niet van een voldoende verband met de strafbare gedragingen. De raadsman meent dat de verblijfskosten ziekenhuis, de taxikosten en een in redelijkheid te begroten vergoeding voor kleding kunnen worden toegekend.
Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsman verzocht om een substantiële matiging van het gevorderde bedrag.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft de volgende posten opgevoerd:
  • € 152,00 4 dagen verblijf in het ziekenhuis
  • € 15,56 Eigen risico 2024
  • € 385,00 Eigen risico 2025
  • € 113,40 Reiskosten naar de fysiotherapeut en psycholoog
  • € 40,00 Taxikosten naar de eerste hulp en terugrit Ten Pas
  • € 483,00 Fysiotherapeut
  • € 30,20 Parkeerkosten
  • € 107,70 Geneesmiddelen
  • € 239,40 Gestolen telefoon
  • € 73,00 Afschrijving gestolen pinpas
  • € 256,98 Kleding en schoenen
  • € 1.057,03 Abonnement sportschool
  • € 239,99 Beveiligingscamera’s
  • € 624,52 Vervanging sloten woning
  • € 1.690,50 Fysiotherapie (aanvullend op eerdere vordering)
  • € 225,00 Brace voor de schouder
Daarnaast is sprake van een stelpost van € 10.000,00 voor toekomstige schade met het verzoek de benadeelde partij ten aanzien van deze stelpost niet-ontvankelijk te verklaren.
Ter terechtzitting van 13 januari 2026 is namens de benadeelde partij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor zover de vordering ziet op de brace. Onduidelijk is of deze post door de ziektekostenverzekeraar zal worden vergoed.
De rechtbank zal de vordering per post beoordelen.
Uit het dossier komt naar voren dat de benadeelde partij een aantal dagen in het ziekenhuis heeft verbleven. De gevraagde vergoeding is gebaseerd op de Letselschade Richtlijn en komt redelijk voor. De rechtbank zal het bedrag van € 152,00 toewijzen.
Het eigen risico 2024 ten bedrage van € 15,56 is voldoende onderbouwd en zal de rechtbank eveneens toewijzen.
Ten aanzien van het eigen risico over 2025 overweegt de rechtbank dat uit de stukken niet duidelijk wordt waarop het bedrag van € 134,01 ziet. Daarnaast zijn geen producties overgelegd betreffende het resterende deel van het eigen risico. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of sprake is van een causaal verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de gemaakte kosten. De benadeelde partij zal ten aanzien van deze post daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot de kosten voor fysiotherapie overweegt de rechtbank dat uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij al bij de fysiotherapeut in behandeling was voordat de bewezen verklaarde feiten plaatsvonden. De rechtbank leidt daaruit af dat dus sprake was van bestaande klachten, waarvoor de benadeelde partij werd behandeld. De rechtbank kan uit de stukken niet afleiden of en in hoeverre de benadeelde partij naar aanleiding van de bewezen verklaarde feiten onder behandeling van een fysiotherapeut is geweest. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor de kosten van de fysiotherapie. Dat geldt eveneens voor de reiskosten voor de fysiotherapie.
De reiskosten naar het ziekenhuis alsmede de psycholoog zal de rechtbank toewijzen.
Het gaat daarbij om een bedrag van € 34,16 aan reiskosten naar de psycholoog en een bedrag van € 21,42 aan reiskosten naar het ziekenhuis, totaal € 55,58. De reiskosten voor 21 juni 2024 zijn niet in de berekening meegenomen, omdat [slachtoffer] de taxikosten op die datum naar het ziekenhuis vergoed krijgt.
Ten aanzien van de parkeerkosten overweegt de rechtbank dat een deel ziet op dagen dat de benadeelde partij in het ziekenhuis was opgenomen. De rechtbank kan niet vaststellen dat sprake is van verplaatste schade. Daarvoor is de vordering onvoldoende onderbouwd. Als de kosten immers door Ten Pas zijn gemaakt in het kader van bezoek, dan zijn de kosten mogelijk aan te merken als vermogensschade van Ten Pas. Ook zijn er parkeerkosten op het Marktplein, waarvan niet kan worden vastgesteld of sprake is van een causaal verband met de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren met betrekking tot de parkeerkosten.
De benadeelde partij heeft een aantal geneesmiddelen gekocht bij verschillende drogisterijen. Het gaat daarbij om vitaminen, mineralen en een zalf voor de verzorging van wonden. De rechtbank zal de kosten van de Arniflor zalf, € 8,39, toewijzen. Van de overige kosten kan de rechtbank niet vaststellen of sprake is van een causaal verband met de bewezen verklaarde feiten. Overigens is van een tweetal bonnen ook niet te zien waarvoor de kosten zijn gemaakt. De benadeelde partij zal ten aanzien van het meergevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot de gestolen telefoon en de met de gestolen pinpas gepinde gelden overweegt de rechtbank dat het om een ander soort delict gaat. In dat geval is sprake van een vermogensdelict, terwijl verdachte en de medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan een geweldsdelict. Ook is niet gebleken dat de dader van de diefstal in enig verband staat tot de daders van het geweldsdelict. De rechtbank is daarom van oordeel dat in onvoldoende mate sprake is van een causaal verband en dat verdachte niet (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor de diefstal van de telefoon en het gebruiken maken van de pinpas van de benadeelde partij. De benadeelde partij zal voor deze kosten niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het voorgaande geldt eveneens voor het vervangen van de sloten en het plaatsen van beveiligingscamera’s. Het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden op het Marktplein en niet in of nabij de woning van de benadeelde partij dan wel zijn vriendin. De rechtbank kan daarom geen causaal verband vaststellen tussen het bewezen verklaarde en de gestelde schade en zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren voor deze kosten.
Voor kleding, schoenen en een riem heeft de benadeelde partij een bedrag gevorderd van 50% x € 513,96 is € 256,98. Niet bekend is wanneer deze goederen waren gekocht en wat de waarde van de goederen was. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de schade voor de kleding, schoenen en riem vaststellen op een bedrag van € 200,00.
Ten aanzien van de kosten voor de sportschool is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een causaal verband met het bewezen verklaarde. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze kosten.
De rechtbank zal verder de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de brace en de stelpost van € 10.000,00 zoals ter terechtzitting verzocht.
Het voorgaande betekent dat de volgende bedragen worden toegewezen:
  • € 152,00 4 dagen verblijf in het ziekenhuis
  • € 15,56 Eigen risico 2024
  • € 55,58 Reiskosten naar het ziekenhuis en de psycholoog
  • € 40,00 Taxikosten naar de eerste hulp en terugrit Ten Pas
  • € 8,39 Geneesmiddelen
  • € 200,00Kleding en schoenen
Totaal € 471,53
De benadeelde partij zal voor het meergevorderde niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW Pro valt.
Door de geweldpleging heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van blijvende littekens, een buikwandbreuk en schade aan zijn lever. Ook heeft de benadeelde geestelijk letsel opgelopen in de vorm van een PTSS. Dit is aan verdachte en de medeverdachten toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank houdt verder rekening met de bedragen en marges die in de ‘Rotterdamse schaal’ worden genoemd. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 15.000,00 vaststellen. Voor het meergevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank overweegt dat namens de benadeelde partij is verzocht verdachte en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag hoofdelijk aansprakelijk te stellen.
De rechtbank overweegt dat de schade blijkens de vordering met name is ontstaan als gevolg van het meerdere keren met een mes steken van [slachtoffer] . De rechtbank ziet daarom aanleiding geen hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van het toegewezen schadebedrag
op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de hoofdelijke aansprakelijkheid in dit geval tot onwenselijke gevolgen. Het steekletsel wordt immers alleen in de strafzaak van verdachte bewezen verklaard. De medeverdachten kunnen niet verantwoordelijk worden gehouden voor al het door verdachte gebruikte geweld en de gevolgen daarvan. De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor het grootste deel van de vordering en zal zijn aandeel vaststellen op 70% van de toegewezen bedragen voor materiële schade en smartengeld. De aandelen van medeverdachten zal de rechtbank vaststellen op ieder 10%.
Gelet op het voorgaande is verdachte aansprakelijk voor een bedrag van € 330,07 aan materiële schade en € 10.500,- aan smartengeld, totaal € 10.830,07. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Verdachte is vanaf 21 juni 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De benadeelde partij vordert verder vergoeding van de kosten die zijn gemaakt om een vordering in het strafproces te kunnen indienen en vervolgens daadwerkelijk schadevergoeding te krijgen. Het gaat hierbij om een bedrag van € 100,00 voor het opstellen van een medische rapportage van de fysiotherapeut. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de proceskosten, gelet op haar eerdere overwegingen met betrekking tot de kosten voor fysiotherapie.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 55, 57, 63, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 17,5 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Houtwal 16a, 7201 ES in Zutphen;
  • verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Transfore of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is aangevangen in april 2025 en wordt vervolgd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen als de zorgverlener dat nodig vindt;
  • verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1986, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de meldplicht en de ambulante behandeling en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
  • veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 330,07 aan materiële schade en € 10.500,00 aan smartengeld,
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade, smartengeld en proceskosten;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 330,07 aan materiële schade en € 10.500,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 79 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.L.A. van der Veeken (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en
mr. E.H.T. Rademaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.
Mr. Jacobs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 02410161409.ris, onderzoek ODER / ON3R024024, gesloten op 10 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 57.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 60-62.
4.Letselrapportage Forensische Geneeskunde GGD Oost Nederland, p. 503.
5.Forensisch medische letselrapportage LOEF, (aanvullend stuk) p. 11-13.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 382, 394-399, 401, 403, 406-408, 411-417.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 287-288.
8.Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] , p. 620.
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 316.
10.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 januari 2026.