ECLI:NL:RBGEL:2026:729

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
05-203241-24 vs
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling openlijke geweldpleging met bierfles en schoppen in Apeldoorn

Op 21 juni 2024 heeft verdachte samen met zijn vader en anderen openlijk geweld gepleegd tegen een man in het centrum van Apeldoorn. Verdachte sloeg het slachtoffer met een bierfles in het gezicht en trapte hem meerdere malen, ook sloeg hij hem met zijn armen om de keel. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte een significante bijdrage leverde aan de geweldpleging.

De verdediging voerde noodweer en noodweerexces aan, stellende dat verdachte zijn vader verdedigde die gewond was geraakt. De rechtbank verwierp deze verweren omdat uit camerabeelden en getuigenverklaringen bleek dat verdachte de eerste klap gaf en het geweld uit de hand liep zonder dat sprake was van een onmiddellijke noodweersituatie.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 13 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 100 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd een contactverbod met het slachtoffer opgelegd. De civiele vordering van het slachtoffer werd deels toegewezen, waarbij verdachte aansprakelijk werd gesteld voor 10% van de schade, totaal € 1.547,15 inclusief smartengeld.

De rechtbank hield rekening met de positieve ontwikkeling van verdachte, zijn blanco strafblad, en zijn lichte verstandelijke beperking en ADHD. De opgelegde straf en voorwaarden zijn mede gericht op begeleiding en het voorkomen van herhaling.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 13 dagen jeugddetentie en 100 uur taakstraf met bijzondere voorwaarden en aansprakelijk gesteld voor 1.547,15 euro schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.203241.24
Datum uitspraak : 27 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. M. Bakhuis, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek terechtzittingen achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Apeldoorn openlijk, te weten het Marktplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door (met kracht) meermalen, althans eenmaal
- een (bier)flesje, althans een hard voorwerp op/tegen het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer] te gooien en/of te slaan en/of
- die [slachtoffer] (van achteren) te bespringen en/of de arm om de keel van die [slachtoffer] te slaan en/of te grijpen en/of
- ( vervolgens) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, (met geschoeide voet(en)) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen en/of
- een (bak)steen, althans een hard voorwerp op/tegen het been en/of de voet, althans het (onder)lichaam van die [slachtoffer] te gooien en/of te slaan.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte geweldshandelingen heeft gebruikt jegens [slachtoffer] , omdat hij bloed zag op het been van zijn vader, [medeverdachte] . Het werd hem toen zwart voor de ogen.
Beoordeling door de rechtbank
Op camerabeelden van Albert Heijn, Deventerstraat 10 in Apeldoorn, is het Marktplein te zien. Uit de beelden van 21 juni 2024, waarbij de weergegeven tijd overeenkomt met de daadwerkelijke tijd, komt het volgende naar voren.
Om 23:23:26 uur loopt een man naar [slachtoffer] en slaat zijn rechterarm om [slachtoffer] . Medeverdachte [medeverdachte] , de vader van verdachte, loopt op [slachtoffer] af, die daarop een grote stap naar achteren doet. Om 23:23:37 uur geeft [medeverdachte] of NN7, die ook bij [medeverdachte] en [slachtoffer] staat, [slachtoffer] een duwtje. NN7 houdt daarna zijn rechterarm voor de borst van [slachtoffer] . Om 23:23:58 uur lopen meerdere personen naar [slachtoffer] , ook [medeverdachte] . Met zijn linkerhand duwt hij [slachtoffer] . Verdachte staat linksachter [medeverdachte] en heeft een voorwerp in zijn rechterhand vast. Om 23:24:08 uur springt verdachte om NN7 heen en slaat [slachtoffer] in zijn gezicht met vermoedelijk een blikje of flesje. [slachtoffer] wordt links in zijn gezicht geraakt.
Om 23:24:13 uur is te zien dat [medeverdachte] met zijn rechterhand met de onderkant van het mes dat hij vasthoudt, tegen de zijkant van het bovenlichaam van [slachtoffer] slaat. [slachtoffer] loopt naar achteren. NN7 staat dan tussen [slachtoffer] en [medeverdachte] in. Verdachte slaat van achteren zijn linkerarm en vervolgens ook zijn rechterarm om de keel van [slachtoffer] . [slachtoffer] buigt naar voren met verdachte op zijn rug en gaat een paar seconden later weer rechtop staan. Verdachte glijdt van zijn rug en staat dan achter [slachtoffer] . Hij balt zijn rechterhand en slaat [slachtoffer] twee keer met gebalde vuist in het gezicht. Om 23:24:21 uur slaat [medeverdachte] met zijn rechterhand richting het bovenlichaam van [slachtoffer] . [slachtoffer] valt en ligt in foetushouding op de grond. Verdachte slaat met zijn rechterhand in de richting van het hoofd van [slachtoffer] . Ook NN2 maakt met zijn linkerhand twee keer een slaande beweging naar [slachtoffer] op het moment dat die op de grond ligt. Om 23:24:24 uur is te zien dat [medeverdachte] met zijn rechterbeen drie keer stampt in de buurt van het hoofd van [slachtoffer] en dat hij twee keer tegen/op het bovenlichaam van [slachtoffer] trapt.
Om 23:24:26 uur maakt NN6 met zijn rechterhand een gooiende beweging naar [slachtoffer] .
NN6 houdt een lichtkleurig voorwerp in zijn linkerhand vast en neemt dat over in zijn rechterhand. Met zijn linkerhand duwt NN6 meerdere personen aan de kant en maakt nog een keer een gooiende beweging naar [slachtoffer] toe. [slachtoffer] ligt op dat moment nog steeds op de grond. Vervolgens trappen [medeverdachte] en NN6 [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] tegen zijn bovenlichaam, bij zijn hoofd wordt geraakt. Om 23:24:37 uur rent NN2 om NN13 heen en trapt [slachtoffer] bij zijn hoofd. [medeverdachte] loopt naar [slachtoffer] , tilt zijn rechterbeen hoog op en trapt op [slachtoffer] bij diens hoofd. Om 23:24:41 uur rent verdachte op [slachtoffer] af en trapt hem met zijn rechterbeen bij het hoofd.
[slachtoffer] staat op. Om 23:24:52 uur loopt [medeverdachte] op [slachtoffer] af en slaat met zijn rechterhand in de richting van het gezicht van [slachtoffer] . [slachtoffer] gaat door deze klap naar achteren. [slachtoffer] is daarna niet meer in beeld. [medeverdachte] loopt ook uit beeld.
Om 23:25:34 uur komen [medeverdachte] en NN6 het beeld inlopen. [medeverdachte] heeft een donkergekleurde vlek op zijn linkerschouder.
23:31:13 uur is te zien dat een persoon op de grond ligt. [2]
De verbalisanten die omstreeks 23.32 uur naar aanleiding van een melding over een steekpartij op het Marktplein ter plaatse kwamen, troffen een man aan, naar later bleek [medeverdachte] . [medeverdachte] lag op de grond, terwijl een man de slagader in zijn lies dichtdrukte. [3]
Onder verdachte is een telefoon in beslag genomen. Met de telefoon werd gebruik gemaakt van Snapchat, waarbij de telefoon was gekoppeld aan het snapchataccount [account] . In de telefoon is een gesprek met [naam] aangetroffen, waarin verdachte onder meer heeft gezegd:
(…)
Heb hem kkr hard geslagen
(…)
Papa zeg ga Gw weg
Ging die door
En ik sloeg hem met bierfles
En toen ging ik los
(…)
Er is ook een gesprek met [account] aangetroffen, waarin [account] zegt: “Ik gooide baksteen op zn been of voet bro”. [4]
Uit onderzoek van de telefoon van verdachte komt verder naar voren dat verdachte op 22 juni 2024 heeft gechat met ‘ [naam] (…)’ (snapchataccount: [account] ). Daarin komt de volgende passage voor:
[naam] (…): op geef moment was je rustig toen luisterde je toen kusde je me nog op me zij hoofd
Verdachte: Ja
Verdachte: Toen zag ik die man weer toen sloeg ik hem op de kkr bek
Verdachte: Haha
[naam] (…): ja
[naam] (…): je ginf
[naam] (…): weer
[naam] (…): trappen
Verdachte: Ja [5]
[medeverdachte] heeft in een afgetapt gesprek op 10 juli 2024 gezegd: “ik weet zeker dat ik hem op zijn schouder heb getrapt”. [6]
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft geslagen, dat hij zijn armen om de nek van [slachtoffer] heeft geslagen en dat hij [slachtoffer] heeft geschopt. [7]
De rechtbank leidt uit de voornoemde bewijsmiddelen af dat door verschillende personen in het openbaar geweld is gepleegd tegen [slachtoffer] . Uit de bevindingen betreffende de camerabeelden wordt duidelijk dat de vader van verdachte in bijzijn van NN7 in gesprek ging met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] werd geduwd. Vervolgens vloog verdachte om zijn vader heen en sloeg [slachtoffer] in zijn gezicht. Op de beelden is te zien dat verdachte een voorwerp in zijn hand had, waarvan de verbalisanten vermoedden dat het een blikje of flesje was. Uit het Snapchat-gesprek met [naam] komt naar voren dat verdachte zegt met een bierflesje te hebben geslagen. De rechtbank overweegt dat het na de klap van verdachte volledig uit de hand is gelopen. [slachtoffer] is meerdere keren geslagen en geschopt/getrapt door verdachte en zijn vader. Ook sloeg verdachte van achteren zijn armen om de keel van [slachtoffer] . Toen die voorover boog hing verdachte bij [slachtoffer] op de rug. Ook anderen mengden zich in het geweld toen [slachtoffer] op de grond lag. Op de beelden is te zien dat NN2 slaande en schoppende bewegingen in de richting van [slachtoffer] maakte en dat NN6 gooiende bewegingen in de richting van [slachtoffer] maakte. Uit het Snapchat-gesprek van verdachte met [account] blijkt dat [account] zegt dat hij een baksteen op het been of de voet van [slachtoffer] heeft gegooid.
Voor een bewezenverklaring van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen is niet vereist dat de verdachte zelf alle feitelijke handelingen heeft verricht. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een ‘significante of wezenlijke bijdrage’ aan de openlijke geweldpleging levert. Deze bijdrage kan onder andere bestaan uit het verrichten van één of meer gewelddadige handelingen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte een significante rol heeft gehad, door [slachtoffer] te slaan met een bierflesje, zijn armen om diens keel te slaan en hem daarnaast nog meermalen te slaan en te trappen.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande de ten laste gelegde openlijke geweldpleging bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks21 juni 2024 te Apeldoorn openlijk, te weten op het Marktplein, in elk geval op
of aande openbare weg en
/ofop een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door (met kracht) meermalen, althans eenmaal
- een
(bier
)flesje,
althans een hard voorwerp op/tegen het gezicht
en/of het hoofdvan die [slachtoffer]
te gooien en/ofte slaan en
/of
-
die [slachtoffer] (van achteren
) te bespringen en/ofde arm om de keel van die [slachtoffer] te slaan
en/of te grijpenen
/of
- ( vervolgens) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen
(waardoor die [slachtoffer] ten val kwam
)en
/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,
(met geschoeide voet
(en))op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen en
/of
- een
(bak
)steen,
althans een hard voorwerpop/tegen het been en/of de voet
, althans het (onder)lichaamvan die [slachtoffer] te gooien
en/of te slaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft daartoe betoogd dat bij verdachte sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van zijn vader door [slachtoffer] . Hij zag bloed op één van de benen van zijn vader, terwijl kort daarvoor een woordenwisseling was geweest en wat geduw had plaatsgevonden. Hij achtte onmiddellijke verdediging van zijn vader noodzakelijk en geboden. Voldaan is aan de proportionaliteits- en subsidiariteitseis. Voor zover sprake is van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, wordt subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces. De gedragingen van verdachte waren het gevolg van een hevige gemoedsbeweging, die werd veroorzaakt door de steekverwonding bij zijn vader.
De raadsman heeft verder betoogd dat verdachte niet heeft gezien dat zijn vader door [slachtoffer] is gestoken. Wel nam hij waar dat zijn vader bloed had op één van zijn benen. Niet kan worden uitgesloten dat een medestander van aangever verdachtes vader in zijn been heeft gestoken. Verdachte mocht er echter redelijkerwijs vanuit gaan dat de steekwond was toegebracht door [slachtoffer] . Er is daarom een gerede kans dat verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald. Verdachte beroept zich daarom meer subsidiair op putatief noodweer, dan wel putatief noodweerexces.
Gelet op het voorgaande dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dan wel putatief noodweer niet slaagt, nu het dossier daarvoor geen aanknopingspunten biedt. Van noodweerexces, dan wel putatief noodweerexces is dan ook geen sprake.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat de vader van verdachte samen met NN7 bij [slachtoffer] stond en met hem in gesprek was. Daarbij is door de vader van verdachte of NN7 geduwd, waarna verdachte om NN7 heen sprong en [slachtoffer] in het gezicht sloeg. Vervolgens liep het volledig uit de hand, waarbij onder meer de vader van verdachte [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt/getrapt. Verdachte heeft er dus voor gezorgd dat het tot een escalatie kwam en heeft de eerste klap gegeven. Dat hij zich genoodzaakt voelde om zijn vader te verdedigen omdat hij bloed op het been van zijn vader zag, volgt niet uit het dossier. Integendeel. Uit de camerabeelden komt naar voren dat onder meer de vader van verdachte geweld jegens [slachtoffer] heeft gebruikt tot [slachtoffer] omstreeks 23:24:52 uur uit beeld verdween. Wat er daarna buiten het beeld van de camera is gebeurd is onduidelijk. Om 23:25:34 uur kwam de vader van verdachte het beeld inlopen met een donkergekleurde vlek op zijn linkerschouder en om 23:31:13 uur is te zien dat een persoon, naar later blijkt de vader van verdachte, op de grond lag. Op dat moment had de vader van verdachte een wond in zijn lies die door een man werd dichtgedrukt. Dat [slachtoffer] de vader van verdachte heeft gestoken en verdachte bloed zag op het been van zijn vader, waarna hij de eerste klap heeft gegeven aan [slachtoffer] , volgt dan ook niet uit het dossier. Ook getuige [getuige] heeft daarover anders verklaard. Volgens [getuige] was de vader van verdachte nog niet gewond toen verdachte en zijn vader op het hoofd of in de zij van [slachtoffer] trapten. [8]
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn vader tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.
Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, slaagt het beroep op noodweerexces ook niet.
Uit het dossier komt naar voren dat de vader van verdachte op een later moment, dus nadat de geweldpleging jegens [slachtoffer] was begonnen, gewond is geraakt. Verdachte kan dus niet hebben gezien dat zijn vader gewond was toen die een woordenwisseling met [slachtoffer] had. Er kan dan ook geen sprake zijn van een verontschuldigbare dwaling. Het beroep op putatief noodweer kan daarom niet slagen en wordt verworpen.
Nu geen sprake is geweest van een putatieve noodweersituatie, slaagt het beroep op putatief noodweerexces ook niet.
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 14 dagen met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie is er daarbij vanuit gegaan dat verdachte 14 dagen in voorarrest heeft verbleven. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uur te vervangen door 40 dagen jeugddetentie, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan verdachte dienen daarbij de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat ook een contactverbod met [slachtoffer] als bijzondere voorwaarde zal worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de proeftijd wordt beperkt tot één jaar.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Verdachte heeft samen met zijn vader en twee anderen fors geweld gebruikt tegen [slachtoffer] . Bijzonder kwalijk is dat verdachte daarbij een initiërende rol heeft gehad. Hij was degene die als eerste een klap aan [slachtoffer] gaf, waarbij hij [slachtoffer] met een bierflesje in het gezicht sloeg. Verdachte heeft zich daarbij op een ontoelaatbare manier gemengd in de woordenwisseling die er kennelijk was tussen zijn vader, [slachtoffer] en een derde (NN7). Door het door verdachte en de medeverdachten toegepaste geweld op [slachtoffer] is een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het feit heeft in het openbaar en in het uitgaansgebied plaatsgevonden, waardoor meerdere mensen hiervan getuige zijn geweest. Het geweld heeft ook grote impact gehad op [slachtoffer] . Hij ondervindt nog steeds fysieke klachten, waarvoor hij in behandeling is. Ook voelt hij zich gestrest en onveilig en lijdt hij aan PTSS. Dit is aan verdachte en de medeverdachten toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft.
De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 31 december 2025 en de ter terechtzitting daarop gegeven toelichting door A.I.L. Reijmers. Daaruit komt naar voren dat verdachte goed meewerkt met de jeugdreclasseringsmaatregel en een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Verdachte heeft met succes een agressie regulatie training afgerond, werkt full time en vermijdt risicovolle situaties. Bij verdachte is sprake van een licht verstandelijke beperking en ADHD. Op dit moment wordt gekeken welke begeleiding het best bij verdachte past. Ook wordt gezocht naar huisvesting in de vorm van begeleid wonen. Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat verdachte een structurele dagbesteding heeft en dat hij verblijft in een instelling voor begeleid wonen.
De rechtbank is van oordeel dat een langere onvoorwaardelijke jeugddetentie dan de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet passend is, gezien de positieve ontwikkeling die verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft doorgemaakt. De rechtbank heeft berekend dat het voorarrest 13 dagen heeft geduurd en zal daarom een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen van 13 dagen met aftrek van het voorarrest.
De rechtbank zal daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen van 100 uur. Dit is meer dan de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat verdachte een initiërende rol heeft gehad bij het geweld. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die aan de medeverdachten worden opgelegd, waarbij de rechtbank in het bijzonder heeft gekeken naar de rol van iedere verdachte. De rechtbank zal een deel van de werkstraf, te weten 40 uur, in voorwaardelijke vorm opleggen als stok achter de deur en om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de Raad van de Kinderbescherming en deze voorwaarden uitbreiden met een contactverbod met [slachtoffer] zoals gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank ziet geen aanleiding de proeftijd te beperken tot één jaar en zal bepalen dat de proeftijd twee jaar duurt.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.733,28 aan materiële schade en € 20.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij verzoekt verdachte en de medeverdachten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de gevorderde schadevergoeding. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Ook is verzocht om vergoeding van proceskosten tot een bedrag van € 100,00.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevorderde bedragen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel heeft zij verzocht om toewijzing van de wettelijke rente over de vast te stellen schadevergoeding. Daarnaast heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Hij heeft daartoe betoogd dat de vordering in hoofdzaak lijkt te zien op het letsel door de steekverwondingen. Niet duidelijk is wat het causaal verband is tussen het letsel en het door verdachte uitgeoefende geweld. De raadsman meent daarnaast dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het geding oplevert. Verdachte en de medeverdachten zijn onvoldoende in de gelegenheid om verweer tegen de vordering te voeren.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering sterk moet worden gematigd tot enkele honderden euro’s.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft de volgende posten opgevoerd:
  • € 152,00 4 dagen verblijf in het ziekenhuis
  • € 15,56 Eigen risico 2024
  • € 385,00 Eigen risico 2025
  • € 113,40 Reiskosten naar de fysiotherapeut en psycholoog
  • € 40,00 Taxikosten naar de eerste hulp en terugrit Ten Pas
  • € 483,00 Fysiotherapeut
  • € 30,20 Parkeerkosten
  • € 107,70 Geneesmiddelen
  • € 239,40 Gestolen telefoon
  • € 73,00 Afschrijving gestolen pinpas
  • € 256,98 Kleding en schoenen
  • € 1.057,03 Abonnement sportschool
  • € 239,99 Beveiligingscamera’s
  • € 624,52 Vervanging sloten woning
  • € 1.690,50 Fysiotherapie (aanvullend op eerdere vordering)
  • € 225,00 Brace voor de schouder
Daarnaast is sprake van een stelpost van € 10.000,00 voor toekomstige schade, met het verzoek de benadeelde partij ten aanzien van deze stelpost niet-ontvankelijk te verklaren.
Ter terechtzitting van 13 januari 2026 is namens de benadeelde partij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor zover de vordering ziet op de brace. Onduidelijk is of deze post door de ziektekostenverzekeraar zal worden vergoed.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering geen onevenredige belasting van het geding oplevert. De vordering is overzichtelijk en bevat geen bedragen op basis van extern opgemaakte (complexe) berekeningen. Daarnaast heeft verdachte voldoende gelegenheid gehad om zich in de vordering te verdiepen en zich daartegen te verdedigen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vordering is ingediend ten behoeve van de zitting op 20 mei 2025. Bij de vordering zijn destijds diverse producties gevoegd ter onderbouwing van de kosten. Op 19 mei 2025 is een aanvullend verzoek tot schadevergoeding ontvangen. Dit betrof één post. Verder is op 9 januari 2026 een aanvullend verzoek tot schadevergoeding ontvangen betreffende de kosten voor fysiotherapie en een brace. Ten aanzien van deze laatste post is, zoals hiervoor overwogen, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman moet worden geacht voldoende tijd te hebben gehad om zich te verdiepen in de vordering.
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er wel een causaal verband is tussen de geweldpleging door verdachte en de schade van [slachtoffer] . Door de geweldpleging heeft [slachtoffer] in ieder geval geestelijk letsel opgelopen, zoals hierna blijkt.
De rechtbank zal de vordering per post beoordelen.
Uit het dossier komt naar voren dat de benadeelde partij een aantal dagen in het ziekenhuis heeft verbleven. De gevraagde vergoeding is gebaseerd op de Letselschade Richtlijn en komt redelijk voor. De rechtbank zal het bedrag van € 152,00 toewijzen.
Het eigen risico 2024 ten bedrage van € 15,56 is voldoende onderbouwd en zal de rechtbank eveneens toewijzen.
Ten aanzien van het eigen risico over 2025 overweegt de rechtbank dat uit de stukken niet duidelijk wordt waarop het bedrag van € 134,01 ziet. Daarnaast zijn geen producties overgelegd betreffende het resterende deel van het eigen risico. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of sprake is van een causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de gemaakte kosten. De benadeelde partij zal ten aanzien van deze post daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot de kosten voor fysiotherapie overweegt de rechtbank dat uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij al bij de fysiotherapeut in behandeling was voordat het bewezen verklaarde feit plaatsvond. De rechtbank leidt daaruit af dat er dus sprake was van bestaande klachten, waarvoor de benadeelde partij werd behandeld. De rechtbank kan uit de stukken niet afleiden of en in hoeverre de benadeelde partij naar aanleiding van het bewezen verklaarde feit onder behandeling van een fysiotherapeut is geweest. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor de kosten van de fysiotherapie. Dat geldt eveneens voor de reiskosten voor de fysiotherapie.
De reiskosten naar het ziekenhuis alsmede de psycholoog zal de rechtbank toewijzen.
Het gaat daarbij om een bedrag van € 34,16 aan reiskosten naar de psycholoog en een bedrag van € 21,42 aan reiskosten naar het ziekenhuis, totaal € 55,58. De reiskosten voor 21 juni 2024 zijn niet in de berekening meegenomen, omdat [slachtoffer] de taxikosten op die datum naar het ziekenhuis vergoed krijgt.
Ten aanzien van de parkeerkosten overweegt de rechtbank dat een deel ziet op dagen dat de benadeelde partij in het ziekenhuis was opgenomen. De rechtbank kan niet vaststellen dat sprake is van verplaatste schade. Daarvoor is de vordering onvoldoende onderbouwd. Als de kosten immers door Ten Pas zijn gemaakt in het kader van bezoek, dan zijn de kosten mogelijk aan te merken als vermogensschade van Ten Pas. Ook zijn er parkeerkosten op het Marktplein, waarvan niet kan worden vastgesteld of sprake is van een causaal verband met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren met betrekking tot de parkeerkosten.
De benadeelde partij heeft een aantal geneesmiddelen gekocht bij verschillende drogisterijen. Het gaat daarbij om vitaminen, mineralen en een zalf voor de verzorging van wonden. De rechtbank zal de kosten van de Arniflor zalf, € 8,39, toewijzen. Van de overige kosten kan de rechtbank niet vaststellen of sprake is van een causaal verband met het bewezen verklaarde feit. Overigens is van een tweetal bonnen ook niet te zien waarvoor de kosten zijn gemaakt. De benadeelde partij ten aanzien van het meergevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot de gestolen telefoon en de met de gestolen pinpas gepinde gelden overweegt de rechtbank dat het om een ander soort delict gaat. In dat geval is sprake van een vermogensdelict, terwijl verdachte en de medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan een geweldsdelict. Ook is niet gebleken dat de dader van de diefstal in enig verband staat tot de daders van het geweldsdelict. De rechtbank is daarom van oordeel dat er in onvoldoende mate sprake is van een causaal verband en dat verdachte niet (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor de diefstal van de telefoon en het gebruiken maken van de pinpas van de benadeelde partij. De benadeelde partij zal voor deze kosten niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het voorgaande geldt eveneens voor het vervangen van de sloten en het plaatsen van beveiligingscamera’s. Het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden op het Marktplein en niet in of nabij de woning van de benadeelde partij dan wel zijn vriendin. De rechtbank kan daarom geen causaal verband vaststellen tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde schade en zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren voor deze kosten.
Voor kleding, schoenen en een riem heeft de benadeelde partij een bedrag gevorderd van 50% x € 513,96 is € 256,98. Niet bekend is wanneer deze goederen waren gekocht en wat de waarde van de goederen was. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de schade voor de kleding, schoenen en riem vaststellen op een bedrag van € 200,00.
Ten aanzien van de kosten voor de sportschool is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een causaal verband met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze kosten.
De rechtbank zal verder de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de brace en de stelpost van € 10.000,00 zoals ter terechtzitting verzocht.
Het voorgaande betekent dat de volgende bedragen worden toegewezen:
  • € 152,00 4 dagen verblijf in het ziekenhuis
  • € 15,56 Eigen risico 2024
  • € 55,58 Reiskosten naar het ziekenhuis en de psycholoog
  • € 40,00 Taxikosten naar de eerste hulp en terugrit Ten Pas
  • € 8,39 Geneesmiddelen
  • € 200,00Kleding en schoenen
Totaal € 471,53
De benadeelde partij zal voor het meergevorderde niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW Pro valt.
Door de geweldpleging heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van blijvende littekens, een buikwandbreuk en schade aan zijn lever. Ook heeft de benadeelde geestelijk letsel opgelopen in de vorm van een PTSS. Dit is aan verdachte en de medeverdachten toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank houdt verder rekening met de bedragen en marges die in de ‘Rotterdamse schaal’ worden genoemd. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 15.000,00 vaststellen. Voor het meergevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank overweegt dat namens de benadeelde partij is verzocht verdachte en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag hoofdelijk aansprakelijk te stellen.
De rechtbank overweegt dat de schade blijkens de vordering met name is ontstaan als gevolg van het meerdere keren met een mes steken van [slachtoffer] . De rechtbank ziet daarom aanleiding geen hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van het toegewezen schadebedrag op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de hoofdelijke aansprakelijkheid in dit geval tot onwenselijke gevolgen. Het steekletsel wordt immers alleen in de strafzaak van de vader van verdachte bewezen verklaard. Verdachte en de twee andere medeverdachten kunnen niet verantwoordelijk worden gehouden voor al het door de vader van verdachte gebruikte geweld en de gevolgen daarvan. De rechtbank acht [medeverdachte] aansprakelijk voor het grootste deel van de vordering en zal zijn aandeel vaststellen op 70% van de toegewezen bedragen voor materiële schade en smartengeld. De aandelen van verdachte en de twee andere medeverdachten zal de rechtbank vaststellen op ieder 10%.
Gelet op het voorgaande is verdachte aansprakelijk voor een bedrag van € 47,15 aan materiële schade en € 1.500,- aan smartengeld, totaal € 1.547,15. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Verdachte is vanaf 21 juni 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Omdat er sprake is van toepassing van het jeugdstrafrecht zal geen gijzeling aan hem worden opgelegd.
De benadeelde partij vordert verder vergoeding van de kosten die zijn gemaakt om een vordering in het strafproces te kunnen indienen en vervolgens daadwerkelijk schadevergoeding te krijgen. Het gaat hierbij om een bedrag van € 100,00 voor het opstellen van een medische rapportage van de fysiotherapeut. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de proceskosten gelet op haar eerdere overwegingen met betrekking tot de kosten voor fysiotherapie.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 13 dagen;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 100 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf, te weten 40 uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte gedurende de proeftijd in overleg met de jeugdreclassering een structurele dagbesteding heeft;
- verdachte gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zoals Hoop Zorg en Welzijn, Zorg voor ons Samen of een soortgelijke instelling, indien en zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1986, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
 stelt als overige voorwaarden dat:
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
 geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, afdeling Jeugdreclassering, te Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
  • veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 47,15 aan materiële schade en € 1.500,00 aan smartengeld,
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade, smartengeld en proceskosten;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 47,15 aan materiële schade en € 1.500,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs, (voorzitter en kinderrechter), mr. E.H.T. Rademaker en mr. C.L.A. van der Veeken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.
Mr. Jacobs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 02410161409.ris, onderzoek ODER / ON3R024024, gesloten op 10 december 2024en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 382, 394-396, 398-399, 401, 403, 405-408, 410-411, 413-415, 417, 421.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 57.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 169-170, 176.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 184
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 316.
7.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 januari 2026.
8.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 119.