ECLI:NL:RBGEL:2026:625

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
05/383762-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplichtigheid aan een gewapende overval op een juwelier in Zutphen met vrijspraak voor medeplegen

Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van medeplichtigheid aan een gewapende overval op een juwelier in Zutphen, gepleegd op 31 augustus 2024. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet als uitvoerder betrokken was bij de overval, maar wel opzettelijk behulpzaam was geweest. De verdachte had voorafgaand aan de overval met medeverdachten gesproken over de plannen en hen opgehaald van het station. Tijdens de overval werd de juwelier bedreigd met een mes en werden sieraden ter waarde van € 2.231,97 gestolen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte medeplichtig was aan de overval, maar sprak hem vrij van medeplegen. De rechtbank legde een werkstraf van 60 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie van vier maanden op, met bijzondere voorwaarden voor begeleiding en behandeling. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de benadeelde partij, de juwelier, voor de gestolen goederen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/383762-24
Datum uitspraak : 27 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. R.A. Schenk, advocaat in Harderwijk .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Zutphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een juwelierszaak gelegen aan de [adres 2] , een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door gemaskerd met gezichtsbedekking onder het gedeeltelijk gesloten rolluik van de winkel door te kruipen en dreigend een mes, althans een steekvoorwerp te richten op, althans te tonen aan die [slachtoffer] voornoemd en/of door die [slachtoffer] voornoemd dreigend te bevelen alle sieradenkasten te openen;
subsidiair:
[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 31 augustus 2024 te Zutphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een juwelierszaak gelegen aan de [adres 2] , een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] voornoemd en/of zijn/hun mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door gemaskerd met gezichtsbedekking onder het gedeeltelijk gesloten rolluik van de winkel door te kruipen en dreigend een mes, althans een steekvoorwerp te richten op, althans te tonen aan die [slachtoffer] voornoemd en/of door die [slachtoffer] voornoemd dreigend te bevelen alle sieradenkasten te openen, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van dit misdrijf door
- die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] voornoemd op te halen op het station te Zutphen en/of
- een fatbike te regelen en ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] voornoemd waarvan voornoemde personen gebruik heeft/hebben gemaakt bij het plegen van die overval en/of
- kleding te ruilen met die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] voornoemd en/of
- een woning te regelen welke is gebruikt als verzamelpunt en/of uitvalsbasis voor die gewapende overval en/of
- die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] de weg te wijzen naar de betreffende juwelier en/of
- die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] op te wachten na de overval en hen/hem te instrueren waar hij/zij met de buit van de overval naar toe moest(en) gaan en/of
- de buit van de overval af te leveren bij de opdrachtgever van de overval en/of
- het mes, dat bij die gewapende overval is gebruikt, weg te maken.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit zowel voor het primair als voor het subsidiair tenlastegelegde. Er is geen sprake van enige betrokkenheid bij een overval. Verdachte heeft de overval niet zelf gepleegd. Van medeplegen is evenmin sprake. Verdachte is ook niet behulpzaam geweest bij het plegen van de overval. Verdachte wist niet dat de overval zou gaan plaatsvinden. Wel heeft verdachte het mes opgehaald. Voor zover verdachte zich bewust zou zijn geweest van het feit dat het mes gebruikt was bij een overval, kan deze handeling hoogstens leiden tot begunstiging, en dat is niet ten laste gelegd. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat, mocht de rechtbank wel enige betrokkenheid van verdachte vaststellen, hoogstens sprake kan zijn van medeplichtigheid.
Beoordeling door de rechtbank
Op 31 augustus 2024 heeft omstreeks 16:55 uur een overval plaatsgevonden bij [bedrijf] aan de [adres 2] in Zutphen. Rond sluitingstijd is een jongen met een zwarte muts/capuchon over zijn hoofd onder het gedeeltelijk gesloten rolluik van de juwelierszaak gekropen. Hij had een mes in zijn handen en heeft dat op de medewerkster van de juwelierszaak, [slachtoffer] , gericht. De jongen heeft op luide, dwingende toon tegen de medewerkster gezegd dat ze de kasten moest openmaken. Er stond ineens ook een tweede jongen binnen in de juwelierszaak. Zijn gezicht was bedekt door een mondkapje. De medewerkster heeft de kast waar de goudvoorraad lag opengemaakt. [2] Er zijn 46 gouden sieraden met een totale inkoopwaarde van € 2.231,97 gestolen. [3]
Over de handelswijze (modus operandi) van de overval in Zutphen, die vergelijkbaar is met een eerdere overval in Meppel, heeft verdachte verklaard dat het tegenwoordig simpeler is dan de politie denkt. Verdachte heeft dit verder als volgt toegelicht. Op Snapchat wordt gevraagd of je wil werken. Domme jongens uit andere steden reageren hier op en komen naar de stad toe. De tip voor de overval kwam van [alias 3] . Verdachte heet zelf [alias 1] op Snapchat. [alias 3] zit wat dieper in die wereld. [4] De echte naam van [alias 3] is [medeverdachte 1] . [5]
Volgens [getuige 2] , een bekende van verdachte, heeft verdachte hem (een dag/dagen) voorafgaand aan de overval in Zutphen gezegd dat hij, verdachte, de [bedrijf] wilde overvallen. Verdachte heeft [getuige 2] toen gevraagd om de overval samen te plegen. [6]
Verdachte heeft op de dag van de overval samen met medeverdachte [medeverdachte 1] twee jongens opgehaald van het station in Zutphen. [7] Het ging om een donkere jongen met vlekken in zijn gezicht en een lange blonde jongen. De donkere jongen zat bij verdachte achterop de fiets, de blonde jongen zat bij [medeverdachte 1] achterop de scooter. [8] De jongens waren de medeverdachten [medeverdachte 2] [9] (de donkere jongen) en [medeverdachte 3] [10] (de lange blonde jongen). Verdachte is met [medeverdachte 1] [11] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naar een flatgebouw aan [adres 3] gegaan. Om 15:43 uur zijn zij het flatgebouw binnengelopen en een woning binnengegaan. De donkere jongen heeft aan verdachte gevraagd of hij het Under Armour vest van verdachte mocht lenen. Verdachte heeft hem het vest gegeven. [12] Op camerabeelden van [adres 3] is te zien dat vier personen om 15:43 uur het flatgebouw binnenlopen. Om 16:32 uur lopen drie van de vier personen ( [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) het flatgebouw weer uit. Ze dragen deels andere kleding dan op het moment van binnenkomst in het flatgebouw. [13] De rechtbank concludeert op grond van de door de politie gemaakte vergelijking van onder andere persoonskenmerken van de verschillende verdachten, de signalementen op diverse camerabeelden, gedragen kleding en afgelegde verklaringen dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] de uitvoerders zijn van de overval. [14]
De overvallers hebben bij de vlucht gebruik gemaakt van de fatbike van [getuige 1] . [15] Uit de verklaringen van [getuige 1] en medeverdachte [medeverdachte 1] en uit telefoongegevens volgt dat [getuige 1] die dag werd gebeld door de telefoon en account van verdachte (‘de [alias 1] ’ met als displaynaam ‘ [alias 2] ’) en dat hij toen contact had met medeverdachte [medeverdachte 1] (‘de [alias 3] ’). [medeverdachte 1] heeft [getuige 1] toen gevraagd of hij de fatbike van [getuige 1] kon lenen. [getuige 1] zou € 50,00 krijgen voor het uitlenen van de fatbike. Hij zou de fatbike binnen twee uur terugkrijgen. [16]
Verdachte heeft uiteindelijk ook toegegeven dat hij zijn telefoon aan ‘iemand’ heeft gegeven om de fatbike te regelen. [17]
Op de beelden van de beveiligingscamera gericht op het laad- en losterrein van de Expert in een steegje aan de Norenburgstraat in Zutphen is te zien dat omstreeks 16:58:26 uur twee personen met gezichtsbedekking op een fatbike het steegje inrijden. De persoon achter op de fatbike laat een mes vallen. [18] Omstreeks 19:18:49 uur fietsen twee jongens - te weten: verdachte en [naam 1] - de steeg in. Verdachte fietst direct naar het mes toe, raapt het op en stopt het in zijn broeksband. [19]
Verdachte heeft van medeverdachte [medeverdachte 1] achteraf € 50,00 gekregen voor de overval. [20]
De telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] is uitgelezen. Op 13 september 2024 heeft [telefoonnummer 1] ( [verdachte] ) het volgende SMS bericht gestuurd naar [telefoonnummer 2] ( [medeverdachte 1] ):
Hb je Nog jobbas in agga die geklaard kunne worden dn. [21]
Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen, bezien in onderlinge samenhang, stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte heeft voorafgaand aan de dag van de overval met [getuige 2] gesproken over een overval op de [bedrijf] en hem gevraagd om aan die overval deel te nemen. Verdachte heeft bij de politie de gangbare handelswijze voor het plegen van een overval geschetst. Zijn gedragingen die dag passen in die handelswijze. Verdachte heeft op de dag van de overval [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] van het station opgehaald en meegenomen naar de woning aan [adres 3] waar van kleding is gewisseld, waarbij verdachte zelf aan [medeverdachte 2] zijn vest gegeven. Hierna is door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] feitelijk de overval gepleegd. Door tussenkomst van verdachte heeft [alias 3] ( [medeverdachte 1] ) die dag ook een fatbike geregeld, die door de uitvoerders van de overval is gebruikt om na de overval weg te komen. Twee weken na de overval heeft verdachte een bericht gestuurd naar [medeverdachte 1] om te informeren naar (een) nieuwe klus(sen) (‘jobbas’). Het dossier roept het beeld op van een groep jongeren (in deels wisselende samenstelling) die (op oproepbasis) worden ingezet voor het plegen van overvallen. Er lijkt sprake van een georganiseerd, hiërarchisch verband en een vaste handelswijze. Hun account- en bijnamen ( [alias 3] [medeverdachte 1] en verdachte als [alias 1] ) geven duiding aan hun onderlinge verstandhouding en rolverdeling. De rechtbank concludeert uit al het voorgaande dat verdachte geweten moet hebben dat de overval op de [bedrijf] ging plaatsvinden toen hij behulpzaam was. Dat verdachte geld heeft gekregen na afloop van de overval past ook niet bij zijn - naar eigen zeggen toevallige - aanwezigheid rondom de overval(lers).
De rechtbank stelt vast dat de bijdrage van verdachte aan de overval bestaat uit:
  • het ophalen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op het station van Zutphen en hen meenemen naar de woning waar omgekleed kon worden;
  • het beschikbaar stellen van zijn telefoon en account en de gegevens van zijn contact [getuige 1] voor het regelen van de fatbike;
  • het kleding ruilen met [medeverdachte 2] ;
  • het mes, dat bij de overval is gebruikt, nadien ophalen op de plek waar deze door de overvallers achtergelaten was.
De rechtbank overweegt dat deze betrokkenheid van verdachte aan de overval niet gekwalificeerd kan worden als ‘medeplegen’. Verdachte is niet als uitvoerder betrokken geweest bij de overval. De bijdrage van verdachte voorafgaand aan en na afloop van de overval vindt de rechtbank van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
De gedragingen van verdachte voorafgaand aan en na afloop van de overval leveren naar het oordeel van de rechtbank wel medeplichtigheid op aan de overval.
Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid geldt dat de medeplichtige zowel opzet op zijn medeplichtigheidsgedraging als (voorwaardelijk) opzet op het door de dader gepleegde misdrijf moet hebben gehad. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld heeft verdachte ten tijde van zijn behulpzaamheid wetenschap gehad van de aanstaande overval. De rechtbank concludeert dat verdachte opzettelijk de hiervoor genoemde handelingen heeft verricht en daarmee (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de door de daders gepleegde gewapende overval op de juwelierszaak.
De rechtbank acht dus wettelijk en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid tot de diefstal met geweld.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
[medeverdachte 3] en
/of[medeverdachte 2] op
of omstreeks31 augustus 2024 te Zutphen, tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,uit een juwelierszaak gelegen aan de [adres 2] , een hoeveelheid sieraden,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 3] en
/ofdie [medeverdachte 2] voornoemd en
/of zijn/hun mededader
(s
)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan,vergezeld
en/of gevolgdvan
geweld en/ofbedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal
voor te bereiden ofgemakkelijk te maken
, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door gemaskerd met gezichtsbedekking onder het gedeeltelijk gesloten rolluik van de winkel door te kruipen en dreigend een mes
, althans een steekvoorwerpte richten op
, althans te tonen aandie [slachtoffer] voornoemd en
/ofdoor die [slachtoffer] voornoemd dreigend te bevelen
alleeen sieradenkast
ente openen, tot en
/ofbij het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en
/ofopzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van dit misdrijf door
- die [medeverdachte 3] en
/ofdie [medeverdachte 2] voornoemd op te halen op het station te Zutphen en
/of- een fatbike te regelen en ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte 3] en
/ofdie [medeverdachte 2] voornoemd waarvan voornoemde personen gebruik
heeft/hebben gemaakt bij het plegen van die overval en
/of- kleding te ruilen met die [medeverdachte 2]
en/of die [medeverdachte 3]voornoemd en
/of- een woning te regelen welke is gebruikt als verzamelpunt en/of uitvalsbasis voor die gewapende overval en/of- die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] de weg te wijzen naar de betreffende juwelier en/of- die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] op te wachten na de overval en hen/hem te instrueren waar hij/zij met de buit van de overval naar toe moest(en) gaan en/of- de buit van de overval af te leveren bij de opdrachtgever van de overval en/of- het mes, dat bij die gewapende overval is gebruikt, weg te maken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Subsidiair:
medeplichtigheid tot diefstal vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een voorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden. In het kader van bijzondere voorwaarden moet verdachte meewerken aan verslavingszorg, eventueel met urinecontroles, meewerken aan traumabehandeling, meewerken aan affectregulatietherapie en meewerken aan begeleid/beschermd wonen, met een proeftijd van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat geen onvoorwaardelijke straf wordt opgelegd. Een onvoorwaardelijke straf zou het benodigde behandeltraject frustreren. Gelet op de jonge leeftijd van verdachte, het uitgangspunt van het jeugdstrafrecht, het ontbreken van een strafblad, het beperkte aandeel van verdachte bij de overval en het tijdsverloop is de raadsman van mening dat een volledig voorwaardelijke jeugddetentie volstaat. Ook vindt hij dat de door de officier van justitie geëiste duur van de voorwaardelijke jeugddetentie en de duur van proeftijd gematigd moeten worden. De verdediging heeft geen bezwaren tegen de bijzondere voorwaarden die de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) heeft voorgesteld.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat is begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel Justitiële Documentatie van 8 december 2025 (het strafblad),
  • het PJ-rapport van 5 december 2025;
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 30 december 2025.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
De ernst van het feit
Verdachte is behulpzaam geweest bij het plegen van een gewapende overval op een juwelier in Zutphen. Het gaat om een ernstig feit. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een overval vaak nog gedurende langere tijd kampen met de (psychische) gevolgen van hetgeen zij hebben meegemaakt. Naast de gevolgen voor het slachtoffer veroorzaken dit soort feiten ook sterke gevoelens van onveiligheid in de directe omgeving en in de samenleving in het algemeen.
Verdachte is zelf niet in de juwelierszaak geweest. De rol van verdachte bestond erin dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest bij deze overval.
Het is ernstig en zorgelijk tegelijk dat de verdachte zich kennelijk toen niet heeft bekommerd om de impact op het slachtoffer en dat het hem een goed idee leek te helpen bij deze criminele daad en dat hij zich daar ook voor heeft laten betalen.
Rapportages
PJ- rapport d.d. 5 december 2025
Verdachte is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis (licht). Het risico op herhaling wordt ingeschat als laag-matig. De aanwezige hulpverlening en de dagbesteding waar verdachte momenteel aan meewerkt worden als positief ervaren en gelden als beschermende factoren. Structuur en toezicht zijn voor verdachte heel belangrijk. Vanwege de geboden intensieve begeleiding en gehanteerde strakke regie is sprake van een goede match met de huidige jeugdreclasseerder. Verdachte zal allereerst behandeld moeten worden voor zijn cannabisverslaving. Daarnaast wordt traumabehandeling (in combinatie met affectregulatietherapie) wenselijk geacht. Dit zal verder bijdragen aan het verkleinen van de kans op het plegen van nieuwe strafbare feiten.
Het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 30 december 2025
Verdachte heeft een belaste voorgeschiedenis en heeft op verschillende open en gesloten groepen moeten wonen tussen zijn negende en veertiende. Sinds 2022 woonde hij weer thuis. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis is hij bij JeugdX op een groep gaan wonen. De Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) schat het algemeen recidiverisico in als laag en het dynamisch recidiverisico in als hoog. Verdachte heeft de wens uitgesproken om met moeder systeembehandeling te volgen zodat hij uiteindelijk weer thuis kan wonen. Verdachte staat open voor traumatherapie.
De Raad heeft geadviseerd om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden dat hij meewerkt aan verslavingszorg, eventueel met urinecontroles, meewerkt aan traumabehandeling, meewerkt aan affectregulatietherapie en meewerkt aan begeleid/beschermd wonen. Het toezicht op de naleving van de voorwaarden en de begeleiding van verdachte moet in handen blijven van Jeugdbescherming Gelderland in Arnhem. Gezien het (forse) behandeltraject wordt een onvoorwaardelijk strafdeel niet passend geacht. Mocht de rechtbank over (willen) gaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke straf is een onvoorwaardelijke werkstraf een mogelijkheid. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zou het benodigde behandeltraject doorkruisen.
De op te leggen straf
De rechtbank acht de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) van belang. Hierin is als vertrekpunt voor een overval op een winkel opgenomen een onvoorwaardelijke jeugddetentie van vier maanden. Strafverzwarend kunnen bijvoorbeeld nog zijn het gebruik van een wapen en het georganiseerde karakter van de groep. Mede omdat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van medeplegen, maar tot bewezenverklaring van medeplichtigheid komt, zal zij geen onvoorwaardelijke maar voorwaardelijke jeugddetentie opleggen. Gelet op de ernst van het feit en de bijdrage en behulpzaamheid van verdachte daaraan is daarnaast ook een onvoorwaardelijke werkstraf van 60 uren passend.
De rechtbank ziet de noodzaak van de door de Raad geadviseerde behandeling en begeleiding. Zij zal daarom aan de voorwaardelijke jeugddetentie de geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen. Deze voorwaardelijke straf en voorwaarden hebben mede als doel verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Bij het bepalen van het aantal uren werkstraf is rekening gehouden met de belasting qua tijd en inspanning voor verdachte van de op te leggen bijzondere voorwaarden.

8. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [bedrijf] , vertegenwoordigd door [naam 2] , heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.231,97 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.844,60. Dat er sprake is van schade (gestolen gouden sieraden) volgt uit het dossier. Ter onderbouwing van het schadeverzoek is een lijst (negatieve administratie) toegevoegd met daarop een aantal gouden sieraden en bijbehorende bedragen. Uit de lijst volgt echter niet of de genoemde bedragen inclusief of exclusief btw zijn. Bij het bepalen van het toe te wijzen bedrag heeft de officier van justitie de btw van het gevorderde bedrag afgetrokken. De schadevergoeding moet hoofdelijk worden toegewezen. Verder heeft de officier van justitie toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, primair vanwege de bepleite vrijspraak, subsidiair, in het geval van een bewezenverklaring van medeplichtigheid, vanwege een onduidelijke onderbouwing van de vordering. De vordering is niet eenvoudig van aard en het causaal verband tussen de schade en het strafbare feit ontbreekt. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoeding niet hoofdelijk kan worden toegewezen. Op grond van artikel 6:109 van het Burgerlijk Wetboek heeft de raadsman verzocht om de schadevergoeding te matigen tot nihil.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
In het dossier bevindt zich een overzicht van de gestolen goederen, te weten 46 gouden sieraden met een totale inkoopwaarde van € 2.231,97 (p. 477 t/m 489). Het overzicht komt overeen met de onderbouwing van de schadevordering. Uit de onderbouwing volgt echter niet of het genoemde totaalbedrag inclusief btw of exclusief btw is. Doorgaans worden de bedragen inclusief btw vermeld. De rechtbank is van oordeel dat het bedrag exclusief btw voor vergoeding in aanmerking komt. Het percentage btw bedraagt 21%. De vordering kan tot een hoogte van € 1.844,60 worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 31 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Nu verdachte behulpzaam is geweest bij het plegen van een winkeloverval en ook zijn rol heeft bijgedragen aan het voltooien ervan, zijn zowel verdachte als de medeverdachten aansprakelijk voor de ontstane schade. De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Omdat het jeugdstrafrecht is toegepast zal aan verdachte geen gijzeling worden opgelegd.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 48, 49, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentievoor de duur van
vier maanden;
  • bepaalt dat
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als
  • verdachte meewerkt aan verslavingszorg, eventueel met urinecontroles;
  • verdachte meewerkt aan traumabehandeling;
  • verdachte meewerkt aan affectregulatietherapie;
  • verdachte meewerkt aan begeleid/beschermd wonen;
dit alles indien en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;
 stelt als overige voorwaarden dat:
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
 geeft opdracht aan Jeugdbescherming Gelderland in Arnhem tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten
een werkstraf van 60 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;
 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht twee uur in mindering wordt gebracht;

Beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

  • veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [bedrijf] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [bedrijf] , een bedrag te betalen van € 1.844,60 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Beslissing ten aanzien van de voorlopige hechtenis
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter en kinderrechter), mr. P.J.C. Cremers en mr. A. Bril, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.
mrs. Cremers en Bril zijn buiten staat te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, Onderzoek Spey/ON3R024065, gesloten op 23 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 456.
3.Proces-verbaal van bevindingen en bijlage, p. 477 t/m 488.
4.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte d.d. 2 december 2024, p. 190.
5.Proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige 1] , p. 497.
6.Proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige 2] , p. 663.
7.Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 13 januari 2026.
8.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte d.d. 2 december 2024, p. 178.
9.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte d.d. 2 december 2024, p. 178, 186, 187.
10.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte d.d. 2 december 2024, p. 178, 187; Proces-verbaal van het verhoor van verdachte [medeverdachte 3] d.d. 2 december 2024, p. 341.
11.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 december 2024, p. 277.
12.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte d.d. 2 december 2024, p. 179, 185 en 186.
13.Proces-verbaal van bevindingen, p. 777 t/m 784.
14.Proces-verbaal van bevindingen, p. 883 e.v..
15.Proces-verbaal van bevindingen, p. 883 e.v..
16.Proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige 1] p. 496 en 497, het proces-verbaal van bevindingen op pagina 517, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 267, het proces-verbaal van bevindingen, p. 889 e.v.
17.Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 13 januari 2026.
18.Proces-verbaal van bevindingen, p. 755 t/m 757.
19.Proces-verbaal van bevindingen, p. 758; Proces-verbaal van het verhoor van verdachte, p. 183.
20.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte d.d. 4 december 2024, p. 197.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 907 en 908.