Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
Rechtbank Gelderland
De huurder huurde vanaf 1 oktober 2024 een bedrijfsruimte van de verhuurder voor €3.500 per maand. De huurder meldde meerdere lekkages afkomstig van het appartement boven het gehuurde, waarop de verhuurder direct noodmaatregelen en reparaties liet uitvoeren. De huurder betaalde echter een deel van de huur niet en schortte zijn betalingsverplichting op vanwege vermeende gebreken.
De verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand. Bij verstek werd de huurovereenkomst ontbonden en de huurder veroordeeld tot betaling van de achterstand en bijkomende kosten. De huurder stelde verzet in en vorderde onder meer huurprijsvermindering en schadevergoeding wegens gebreken.
De rechtbank oordeelt dat de lekkages feitelijke stoornissen zijn veroorzaakt door derden en dat de verhuurder deze adequaat heeft verholpen. Er is geen sprake van gebreken in de zin van artikel 7:204 BW Pro. De vorderingen van de huurder worden daarom afgewezen. De ernstige huurachterstand rechtvaardigt de ontbinding en ontruiming van het gehuurde. Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzet van de huurder wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis tot ontbinding van de huurovereenkomst wordt bekrachtigd.