ECLI:NL:RBGEL:2026:6148

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
26/001
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 WMTArt. 51 lid 2 WMTArt. 57 lid 1 WMTArt. 57 lid 2 WMTArt. 61 lid 2 WMT
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging tuchtstraf wegens duw in militaire tuchtzaak zonder vormverzuimen

Op 26 februari 2026 vond een incident plaats waarbij sergeant een collega een stevige duw gaf. Na een onderzoek door de commandant werd een geldboete van €150,- opgelegd wegens schending van artikel 22 WMT Pro. De gestrafte tekende beroep aan tegen deze beslissing.

De militaire kamer onderzocht het proces en constateerde dat alle termijnen en procedures correct waren nageleefd. Diverse vormverzuimen werden aangevoerd, zoals het ontbreken van getuigenverklaringen in het dossier en het niet toelaten van een vertrouwensman, maar deze werden verworpen omdat de gestrafte niet in zijn verdediging was geschaad.

De kamer oordeelde dat het bewijs, bestaande uit verklaringen van betrokkenen en getuigen, voldoende was om de gedraging te bewijzen. Het verweer van noodweer werd niet aanvaard wegens onvoldoende onderbouwing. De opgelegde straf werd als passend en redelijk beoordeeld en de beslissing van de commandant werd bevestigd.

Uitkomst: De militaire kamer bevestigt de opgelegde geldboete van €150,- wegens een duw aan een collega zonder vormverzuimen of geslaagde rechtvaardigingsgrond.

Uitspraak

Rechtbank Gelderland

Meervoudige militaire kamer
Volgnummer : [nummer]
Datum zitting : 15 juli 2026
Uitspraak : 29 juli 2026
Uitspraak van de meervoudige militaire kamer in de rechtbank Gelderland, op het te Arnhem in het openbaar behandelde beroep van:
Sergeant [gestrafte], hierna aangeduid als gestrafte,
geplaatst bij het [squadron] , [opleidingsvlucht] te [plaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
waarbij de beslissing op beklag wordt bestreden.
Raadsman: mr. R. J. Sterk, advocaat te Haarlem (toegevoegd krachtens art. 92 Wet Pro militair tuchtrecht, verder: WMT).

1.Verloop en procedureverloop

1.1.
Aanloop
Op 26 februari 2026 om 22:15 uur heeft zich een incident voorgedaan tussen gestrafte en Sergeant [betrokkene] . Op verzoek van de klassencommandant heeft [Eerste Luitenant] over het voorval een gesprek gevoerd met betrokkenen. Hij heeft eerst geïnventariseerd of er getuigen waren van het incident. Hieruit kwam naar voren dat Sergeant [getuige] direct zicht had op het incident en dat er – behalve aanwezige leerlingen – verder niemand was die het gehele voorval heeft kunnen zien. [Eerste Luitenant] heeft vervolgens gesproken met gestrafte, Sergeant [betrokkene] en Sergeant [getuige] . [Eerste Luitenant] maakte uit de drie verklaringen op dat gestrafte een duw had gegeven aan Sergeant [betrokkene] . Op 27 februari 2026 om 19:30 uur heeft [Eerste Luitenant] gestrafte aangezegd naar huis te gaan. Hierna heeft hij bij ongedateerde e-mail melding gemaakt van het incident bij de [Majoor] . [Majoor] heeft op 10 maart 2026 vervolgens zelf telefonisch gesproken met Sergeant [betrokkene] .
1.2.
Eerste aanleg
Aan gestrafte is op 12 maart 2026 om 11:32 uur een schriftelijke beschuldiging uitgereikt wegens schending van de gedragsregel als vermeld in artikel 22 WMT Pro, waarmee het tuchtproces in eerste aanleg is aangevangen (artikel 51 lid 2 WMT Pro). Er heeft geen vooronderzoek plaatsgevonden. De beschuldiging ingevolge het straffenformulier ( [nummer] ) luidt:
“Op donderdagavond 26FEB heeft zich op of omstreeks 22:10 een voorval afgespeeld tussen SGT [gestrafte] en SGT [betrokkene] . Bij dit voorval zou fysiek contact zijn geweest tussen betrokkenen: SGT [gestrafte] heeft met beide handen een stevige duw gegeven op de borst van SGT [betrokkene] . Daarbij zei SGT [gestrafte] geagiteerd: “Ga weg, laat me met rust”, of woorden van gelijke strekking. Bij dit voorval waren leerlingen [Beroepsverdiepende Opleiding] en andere instructeurs aanwezig. Het fysieke contact werd geïnitieerd door SGT [gestrafte] . Er was geen duidelijke aanleiding voor het fysieke contact.”
Op 28 maart 2026 om 10:30 uur is het onderzoek op rapport (‘de parade’) gehouden. Hierbij was gestrafte aanwezig. Op 28 maart 2026 om 11:00 uur is de beslissing van de commandant, te weten: een geldboete van € 150,- aan gestrafte uitgereikt. Tegen deze uitspraak heeft gestrafte een beklagschrift ingediend dat op 1 april 2026 door de beklagmeerdere is ontvangen.
1.3.
Beklagprocedure
Op 23 april 2026 heeft het vooronderzoek in beklag plaatsgevonden, waarbij gestrafte is gehoord. [Majoor] is als de ‘Tot Straffen Bevoegde Meerdere’ (TSBM) telefonisch gehoord en Sergeant [betrokkene] en Sergeant [getuige] zijn telefonisch gehoord als getuigen. Het onderzoek op beklag heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026, waarbij gestrafte door de beklagmeerdere is gehoord. De beklagmeerdere heeft op 1 mei 2026 beslist, welke uitspraak op beklag diezelfde dag ook aan gestrafte is uitgereikt. Daarbij heeft de beklagmeerdere de bestreden beslissing van de commandant, voorzien van een schriftelijke motivering, bevestigd.
Gestrafte heeft tegen de uitspraak op beklag beroep ingesteld op 5 mei om 13:49 uur. Het beroepschrift is, overeenkomstig artikel 82 WMT Pro, door de commandant op 6 mei 2026 om 14:38 uur doorgezonden aan het Bureau Verbindingsofficier Krijgsmacht. Op 7 mei 2026 hebben zij het beroepschrift doorgezonden aan de militaire kamer in de rechtbank Gelderland.
1.4.
Beroep
Het beroep is op 15 juli 2026 ter openbare zitting van de meervoudige militaire kamer behandeld. Gestrafte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. Voorts zijn verschenen Kolonel [beklagmeerdere] en Majoor [juridisch adviseur] die beiden het woord hebben gevoerd.
Gestrafte en zijn raadsman hebben ter terechtzitting aangevoerd dat gelet op de gestelde vormverzuimen en het feit dat de gedraging niet kan worden bewezen, het beroep gegrond moet worden verklaard en de tuchtstraf dient te worden vernietigd.
Het openbaar ministerie (hierna: OM) heeft voor de behandeling van het beroep ter zitting een schriftelijk advies over de zaak uitgebracht. De officier van justitie, mr. S. Markink-Grolman, heeft ter zitting het advies mondeling toegelicht. Dit advies luidt – kortgezegd – dat het tuchtproces op correcte wijze en binnen de gestelde termijnen is uitgevoerd, alsmede dat de in beklag bevestigde beslissing ook in beroep in stand dient te blijven.
De gestrafte heeft gelegenheid gehad tot het voeren van het laatste woord.
De meervoudige militaire kamer heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting in beroep beraadslaagd.

2.De beslissing op beklag, waartegen beroep is ingesteld

In haar toelichting bij het beklagformulier merkt de beklagmeerdere (‘BM’) ten aanzien van de bewezen gedraging op:
“Gestrafte heeft een collega een duw gegeven”.
In haar schriftelijke beslissing van 1 mei 2026 heeft de beklagmeerdere de bestreden beslissing bevestigd. Daarbij heeft zij geconcludeerd dat het omschreven feit een schending van artikel 22 WMT Pro oplevert en dat de strafoplegger als [Commandant] bevoegd was om een straf op te leggen. Verder is geconcludeerd dat het vergrijp wettig en overtuigend kan worden bewezen, er geen sprake is van samenloop met een strafbaar feit, alle tijdens het tuchtrecht in eerste aanleg geldende regels in acht zijn genomen en geen sprake is van een schulduitsluitingsgrond. Voorts heeft de beklagmeerdere de aan gestrafte opgelegde strafsoort en strafmaat gehandhaafd, te weten een geldboete van € 150,-.
3. De bevoegdheid van de militaire kamer en de ontvankelijkheid van het beroep
De militaire kamer in de arrondissementsrechtbank Gelderland is bevoegd van het beroep kennis te nemen. Het beroepschrift is op juiste wijze en tijdig ingediend. Gestrafte is ontvankelijk in zijn beroep.

4.Beoordeling door de militaire kamer

4.1.
Termijnverzuimen
De militaire kamer overweegt allereerst dat de termijnen in de WMT nauw luisteren. Om deze reden dient de militaire kamer te onderzoeken of de beslissing waartegen beroep is ingesteld onderhevig is aan enig termijn- of vormverzuim. Ingevolge artikel 97 WMT Pro is immers vernietiging van die beslissing voorgeschreven, indien sprake is van schending van de termijnen van het tuchtproces in eerste aanleg en van de beklagprocedure, dan wel indien sprake is van enig ander vormverzuim waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte daardoor in zijn verdediging is geschaad. De militaire kamer stelt vast dat alle termijnen op juiste wijze zijn nageleefd.
4.2.
Vormverzuimen
Door de raadsman zijn ter terechtzitting meerdere vormverzuimen aan de orde gesteld. De militaire kamer zal hieronder ingaan op de gestelde vormverzuimen.
Onzorgvuldige dossiervorming en inzien getuigenverklaringen
Door de raadsman is gesteld dat door Sergeant [betrokkene] blijkens het dossierstuk ‘Gespreksverslag SGT [betrokkene] (telefonisch)’ van 10 maart 2026 een getuigenverklaring is afgelegd, welke verklaring geen onderdeel uitmaakt van het dossier, waardoor de mogelijkheid om deze verklaring te toetsen ontbreekt. Hierdoor is sprake van een schending van artikel 62 en Pro 68 lid 2 WMT, waardoor de gestrafte volgens de raadsman onherstelbaar in zijn verdediging is geschaad. Daarnaast is aangevoerd dat tevens de getuigenverklaring van Sergeant [getuige] ontbreekt in het dossier, terwijl hiernaar wel wordt verwezen door [Eerste Luitenant] in zijn ongedateerde e-mail aan [Majoor] .
De militaire kamer stelt voorop dat het militaire tuchtrecht door de wetgever als ‘snelrecht’ is bedoeld. Het is een instrument om snel te kunnen handelen en de interne orde binnen de Krijgsmacht te handhaven.
De militaire kamer merkt op dat het ontbreken van beide verklaringen in het dossier niet de schoonheidsprijs verdient. Echter, nu [Eerste Luitenant] en [Majoor] in hun verslagen (resp. de ongedateerde e-mail en het gespreksverslag van 10 maart 2026) de inhoud van beide verklaringen beschrijven en daarnaast de inhoud van beide verklaringen aan gestrafte is voorgelezen, is de militaire kamer van oordeel dat gestrafte met het ontbreken van de verklaringen in het dossier niet in zijn belangen is geschaad. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt niet dat gestrafte onvoldoende op de hoogte is geweest van de inhoud van de verklaringen of daarop onvoldoende heeft kunnen reageren. Daarnaast is de militaire kamer niet gebleken dat gestrafte, ondanks daar de mogelijkheid gehad toe hebbend, op enig moment heeft verzocht om deze stukken in te zien of toe te voegen aan het dossier.
Tot slot merkt de militaire kamer op dat artikel 68 lid 2 WMT Pro de beschuldigde en in voorkomend geval de vertrouwensman tijdens het onderzoek in eerste aanleg in de gelegenheid stelt om door tussenkomst van de commandant getuigen en deskundigen vragen te stellen. Uit het dossier is niet gebleken dat gestrafte hier gebruik van heeft gemaakt.
De militaire kamer is gelet op vorenstaande van oordeel dat geen sprake is geweest van schending van artikelen 62 en 68 lid 2 WMT.
Onzorgvuldig onderzoek
I.
Door gestrafte en zijn raadsman is aangevoerd dat de leerlingen die bij het incident aanwezig zijn geweest ten onrechte niet als getuigen zijn gehoord. De zorgvuldigheid vereist dat van meer onafhankelijke getuigen een verklaring was afgenomen.
De militaire kamer oordeelt hierover als volgt. De beklagmeerdere heeft ter terechtzitting uitgelegd dat er een afweging heeft plaatsgevonden omtrent het al dan niet horen van de aanwezige leerlingen als getuigen. In dit geval werd het – gelet op de gezagsverhouding tussen de instructeurs en de leerlingen – niet wenselijk geacht om hen bij het tuchtproces te betrekken, door hen als getuigen te doen horen. De militaire kamer acht deze beslissing niet onbegrijpelijk. Bovendien had gestrafte ingevolge artikel 65 lid 2 WMT Pro een verzoek kunnen indienen bij de commandant om andere – in zijn ogen onafhankelijke – getuigen te horen.
II en III.
De raadsman heeft zich onder punt II en III op het standpunt gesteld dat gestrafte heeft verzocht om de Sergeanten [Sergeant 1] , [Sergeant 2] en [Sergeant 3] te horen, omdat hun verklaringen van belang zijn voor de algehele context en de langdurige en voortdurende geschiedenis welke zich afspeelt tussen gestrafte en Sergeant [betrokkene] . Doordat aan dit verzoek geen gehoor is gegeven, is sprake van schending van artikel 65 lid 2 WMT Pro. Daarnaast heeft gestrafte verzocht om stukken te overleggen die van belang zijn voor deze context, welk bewijsaanbod terzijde is geschoven door de commandant.
De militaire kamer merkt op dat de verzoeken van gestrafte om deze getuigen te horen en stukken te overleggen in beide gevallen – zoals hij zelf heeft aangegeven – zien op de context waarbinnen het incident heeft plaatsvonden en niet op het incident zelf. Gestrafte heeft ter terechtzitting hierover aangegeven dat hij door Sergeant [betrokkene] al jaren getreiterd wordt en dat deze voorgeschiedenis van belang is voor de beoordeling van het incident dat heeft plaatsgevonden. De militaire kamer is van oordeel dat de beschuldiging de grondslag vormt van het onderzoek. Het onderzoek moet zich dan ook beperken tot de gedraging die in de beschuldiging is vermeld.
Nu de bedoelde getuigen en stukken niet zien op het incident zelf en enkel dienen ter onderbouwing van de voorgeschiedenis, acht de militaire kamer het begrijpelijk en niet onredelijk dat de commandant de verzoeken van gestrafte heeft afgewezen. Gestrafte is hiermee niet in zijn belangen geschaad, nu hij tijdens het onderzoek en tevens ter terechtzitting voldoende gelegenheid heeft gehad te verklaren over deze voorgeschiedenis. Daarnaast merkt de militaire kamer op dat gestrafte andere wegen had kunnen bewandelen om de door hem gestelde problematische situatie met Sergeant [betrokkene] aan te kaarten (de militaire kamer wijst op een melding bij een hogere in rang of een vertrouwenspersoon). Ter terechtzitting is gebleken dat gestrafte hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Er is geen sprake van een vormverzuim.
Scherpe scheiding
De raadsman heeft aangevoerd dat de commandant heeft nagelaten aangifte te doen of om met het Openbaar Ministerie te bespreken of de zaak tuchtrechtelijk afgedaan mocht worden, gezien een duw in strafrechtelijke zin mishandeling zou kunnen opleveren.
Binnen het militair straf- en tuchtrecht wordt gesproken van een ‘scherpe scheiding’ tussen beide rechtsstelsels. Deze scheiding houdt in dat, indien de schending van een tuchtrechtelijke gedragsregel tevens een (elders omschreven) strafbaar feit oplevert, het opleggen van een tuchtstraf niet is toegestaan
.
De militaire kamer stelt vast dat artikel 78 lid 2 WMT Pro een discretionaire bevoegdheid voor de commandant met zich meebrengt, waarbij de commandant een beoordelingsruimte heeft om zelfstandig te beoordelen of sprake is van een (vermeend) strafbaar feit. De commandant was in dit geval van oordeel dat geen sprake is van een strafbaar feit en enkel van een schending van een tuchtrechtelijke gedragsregel. Uit de WMT volgt geen verplichting voor de commandant om deze afweging inzichtelijk te maken.
Niet toelaten vertrouwensman
De raadsman heeft gesteld dat gestrafte heeft verzocht om zich in het tuchtproces te laten bijstaan door een vertrouwensman van zijn militaire vakbond. Dit is zonder opgaaf van redenen door de commandant geweigerd, waardoor gestrafte in zijn verdediging is geschaad.
Uit artikel 57 lid 1 WMT Pro volgt dat de gestrafte een vertrouwensman kan kiezen uit het militair- en burger personeel, in dienstbetrekking bij het departement van Defensie en gelegerd of tewerkgesteld op, in dit geval dezelfde inrichting of kazerne, dan wel op dezelfde basis of bij hetzelfde onderdeel als de gestrafte. Blijkens lid 2 van dit artikel kan in bijzondere gevallen ook een andere persoon als vertrouwensman worden toegelaten. De militaire kamer stelt voorop dat uit de stukken niet volgt dat door gestrafte verzocht is om een vertrouwensman buiten zijn eigen onderdeel. Daarnaast is door Kolonel [beklagmeerdere] ter terechtzitting aangegeven dat in het proces niet naar voren is gekomen dat verdachte zich niet wilde laten bijstaan door een medewerker van Defensie omdat hij zich onveilig voelde. Zoals uit lid 2 van artikel 57 WMT Pro volgt, kunnen slechts in bijzondere gevallen andere personen als vertrouwensman worden toegelaten. Het ligt op de weg van gestrafte om inzichtelijk te maken dat van zo’n bijzonder geval sprake is en dit nader te onderbouwen. Niet is gebleken dat dit het geval is geweest.
Onderzoekshandelingen
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vóór het uitreiken van de beschuldiging (d.d. 12 maart 2026) door de commandant al onderzoekshandelingen zijn verricht, door het horen van Sergeant [betrokkene] op 10 maart 2026. De bevoegdheid tot het horen van getuigen kan volgens de raadsman, onder verwijzing naar artikel 61 lid 2 WMT Pro, echter enkel plaatsvinden tijdens het tuchtproces.
Uit het straffenformulier maakt de militaire kamer op dat er geen voorparade/vooronderzoek heeft plaatsgevonden. De commandant dient echter ingevolge artikel 52 sub b WMT Pro in de beschuldiging wel een omschrijving van de gedraging te vermelden, evenals de ter zake doende feiten en omstandigheden. De commandant kan dit enkel doen door vooraf informatie in te winnen, om te kunnen beoordelen of sprake is van een vermoedelijke schending van een gedragsregel binnen het militaire tuchtrecht. De militaire kamer is met de raadsman van oordeel dat het tuchtproces op 12 maart 2026 is aangevangen en dat artikel 61 lid 2 WMT Pro is toegespitst op de fase van het tuchtproces, waarin de beschuldiging al is uitgereikt. Er is echter geen rechtsregel binnen de WMT die zich ertegen verzet dat de commandant contact heeft met de bij het incident betrokken personen, in dit geval Sergeant [betrokkene] , om informatie in te winnen op basis waarvan zij kon beslissen of sprake was van een vermoedelijke schending van een gedragsregel binnen het tuchtrecht.
Bevoegdheid tot het stellen van vragen
Tot slot is door de raadsman aangevoerd dat sprake is van schending van artikel 80l lid 2 WMT doordat de beklagmeerdere de gestrafte heeft geweigerd om een vraag te stellen aan [Majoor] .
Uit het verslag van het onderzoek in beklag van 1 mei 2026 volgt dat gestrafte tijdens het onderzoek [Majoor] wilde bevragen over de reden waarom er nooit iets is gedaan met een melding van gestrafte van een bedreiging door Sergeant [betrokkene] , waarop de beklagmeerdere heeft aangegeven dat de vragen betrekking moeten hebben op het feit waar het tuchtproces op dat moment over ging. De militaire kamer acht het niet onbegrijpelijk dat de beklagmeerdere gestrafte hiertoe heeft belet, gezien het feit dat de vraag niet zag op het incident waar het tuchtproces over ging. De in artikel 80l lid 2 WMT neergelegde bevoegdheid tot het stellen van vragen ziet op vragen over de beschuldiging. Derhalve is de militaire kamer van oordeel dat geen sprake is van schending van dit artikel.

5.De bewezenverklaring

5.1.
Bewijs
De gestrafte heeft ten aanzien van de beschuldiging aangevoerd dat Sergeant [betrokkene] met versnelde pas en luide stem op gestrafte af kwam lopen, waardoor gestrafte weg wilde komen uit een situatie die nijpend was en hij was Sergeant [betrokkene] ‘zat’. Gestrafte heeft hierop een beweging naar rechts gemaakt. Gestrafte is zich er niet bewust van dat hij Sergeant [betrokkene] fysiek heeft aangeraakt, maar als dit het geval is geweest, dan had dit ermee te maken dat hij weg wilde komen en hij Sergeant [betrokkene] wilde ontwijken. Gestrafte heeft erkend dat hij heeft gezegd: “ga weg, laat mij met rust”.
Ten aanzien van het bewijs overweegt de militaire kamer als volgt. [Majoor] heeft haar beslissing uitgereikt op basis van de melding van het incident door de [Eerste Luitenant] , de verklaringen van Sergeant [betrokkene] en Sergeant [getuige] en gehoord hebbende de gestrafte. Hierover merkt de militaire kamer op dat de commandant op basis van de verklaring van Sergeant [betrokkene] , waarmee zij zelf telefonisch heeft gesproken op 10 maart 2026 en de melding van [Eerste Luitenant] , waaruit blijkt dat hij met Sergeant [getuige] heeft gesproken, in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen dat sprake was van een tuchtrechtelijk vergrijp. Blijkens het straffenformulier heeft de commandant een afweging gemaakt tussen zowel de verklaring van gestrafte enerzijds en de verklaringen van [Eerste Luitenant] , Sergeant [betrokkene] en Sergeant [getuige] anderzijds, waarbij doorslaggevende betekenis is toegekend aan de verklaring van de [Eerste Luitenant] , die geen reden had te twijfelen aan de verklaringen van Sergeant [betrokkene] en Sergeant [getuige] en het verbaal agressieve gedrag van de beschuldigde tijdens het onderzoek. Blijkens artikel 70 WMT Pro zijn dit door de wet erkende bewijsmiddelen en op basis van het voorgaande maakt de militaire kamer op dat de commandant – met verwijzing naar artikel 73 WMT Pro – op basis van deze bewijsmiddelen ook de overtuiging heeft gekregen dat de gedraging heeft plaatsgevonden, evenals dat dit een schending van een tuchtrechtelijke gedragsregel oplevert.
Tot slot merkt de militaire kamer op dat binnen het militaire tuchtrecht een minimale motiveringsplicht wordt verlangd. De militaire kamer is van oordeel dat de motivering die ten grondslag ligt aan de beslissing van de commandant voldoende is en in het verlengde daarvan heeft de beklagmeerdere op basis van haar onderzoek de beslissing van de commandant kunnen bevestigen. Dit klemt temeer in het licht van de achterliggende gedachte van het militaire tuchtrecht, te weten: het snel kunnen ingrijpen om de interne orde te handhaven.
5.2.
Rechtvaardigingsgrond
Door gestrafte en zijn raadsman is – kortgezegd – aangevoerd dat gestrafte uit noodweer heeft gehandeld, omdat hij weg wilde komen uit een onveilige situatie.
Kolonel [beklagmeerdere] heeft ter terechtzitting verklaard dat zij voornoemd verweer van gestrafte in haar afweging heeft meegenomen, maar dat zij van mening was dat gestrafte zich aan de situatie had kunnen onttrekken.
De militaire kamer is van oordeel dat op basis van hetgeen door gestrafte en zijn raadsman is aangevoerd onvoldoende is onderbouwd dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf of een onmiddellijk dreigend gevaar hiervan. Door gestrafte en zijn raadsman is de vermeende bedreiging onvoldoende inzichtelijk gemaakt, evenals de vraag waarom gestrafte zich niet anderszins aan deze situatie kon onttrekken. Hierdoor is het voor de militaire kamer niet aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie. De militaire kamer heeft notitie genomen van alle verklaringen die door de raadsman namens verdachte zijn overgelegd, maar de militaire kamer is van oordeel dat de voorgeschiedenis onvoldoende onderbouwing geeft aan de stelling van gestrafte en zijn raadsman dat sprake zou zijn van een dreigend gevaar.
Het verweer wordt verworpen.
5.3.
Conclusie
De militaire kamer is op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de bewijsmiddelen de bewezenverklaring kunnen dragen en zal gelet daarop de bewezenverklaring bevestigen.
Dit levert schending op van de gedragsregel als bedoeld in artikel 22 WMT Pro.

6.De opgelegde straf

Door gestrafte is subsidiair aan de orde gesteld dat gestrafte zich niet kan verenigen met de opgelegde straf. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de context waarbinnen de gedraging heeft plaatsgevonden, de voorgeschiedenis, de verklaring van gestrafte, het ontbreken van onafhankelijke getuigenverklaringen en soortgelijke gedragingen van anderen die minder of niet zijn bestraft. Gelet hierop is de gestrafte van mening dat de opgelegde geldboete onevenredig zwaar is en dat deze onvoldoende is gemotiveerd.
Ten aanzien van de aan gestrafte opgelegde straf is de militaire kamer van oordeel dat de door de commandant opgelegde straf passend en redelijk is en hierbij voldoende rekening is gehouden met alle feiten en omstandigheden. De WMT stelt geen eisen ten aanzien van de motivering van de op te leggen straf. Daarnaast biedt het straffenformulier hier ook geen ruimte toe. Dat soortgelijke gedragingen van anderen minder of niet zijn bestraft is onvoldoende aannemelijk geworden. Daar komt bij dat de commandant hierin een discretionaire bevoegdheid heeft. De militaire kamer zal, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de beslissing ten aanzien van de opgelegde straf waartegen beroep is ingesteld bevestigen.

7.De beslissing in beroep

De meervoudige militaire kamer, rechtdoende in beroep:

verklaart zich bevoegdkennis te nemen van het beroep.

verklaarthet beroep
ontvankelijk.

bevestigt de beslissingwaartegen beroep is ingesteld.
Deze beslissing is gegeven door mr. Y.H.M. Marijs, voorzitter, mr. Y. van Wezel, rechter, en Kolonel mr. H.M. Stratenus, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juli 2026.
mr. Y. van Wezel is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.