ECLI:NL:RBGEL:2026:6128

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
05/216350-25, 05/049516-26 en 05/048983-26 (gev. ttz)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens drugshandel, witwassen, mishandeling, belediging en wederspannigheid

De rechtbank Gelderland heeft op 8 juli 2026 een 22-jarige verdachte veroordeeld voor meerdere strafbare feiten. Hij werd schuldig bevonden aan het handelen in harddrugs gedurende ruim zeven maanden, het witwassen van een Rolex-horloge, het mishandelen van een cafébezoeker, het beledigen van twee agenten tijdens hun dienst en het zich verzetten tegen zijn aanhouding.

Het bewijs bestond uit onder meer WhatsApp-berichten die drugshandel aantoonden, verklaringen van getuigen en politie, en het feit dat verdachte een duur horloge droeg zonder legale inkomsten. De rechtbank oordeelde dat het horloge vermoedelijk uit een misdrijf afkomstig was en dat verdachte dit wist. De mishandeling betrof een duw, waarvoor verdachte werd vrijgesproken van het slaan. De beledigingen aan agenten werden bewezen, maar het discriminatoir oogmerk werd niet vastgesteld.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van tien maanden op, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, rekening houdend met de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen en persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast werden het horloge en een geldbedrag van €505 verbeurd verklaard. Een civiele vordering tot schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, en het horloge en geldbedrag zijn verbeurd verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/216350-25, 05/049516-26 en 05/048983-26 (gev. ttz)
Datum uitspraak : 8 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Somalië),
wonende aan [adres] [woonplaats] .
Raadsman: mr. M. de Reus, advocaat in Capelle aan den IJssel.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
onder parketnummer 05/216350-25
1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 6 augustus 2024 tot en met 19
maart 2025 te Nijmegen opzettelijk (telkens) heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-MMC,
zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA en/of 3-MMC, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. hij op of omstreeks 19 maart 2025 te Nijmegen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10,53 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 479,27 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 0,38 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3. hij op of omstreeks 19 maart 2025 te Nijmegen een horloge (merk: Rolex) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, heeft omgezet en/of heeft gebruikt, terwijl hij, verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
onder parketnummer 05/049516-26
hij op of omstreeks 16 februari 2026 te Nijmegen [aangever 1] heeft mishandeld, door die [aangever 1] (met kracht) in/op/tegen zijn keel en/of gezicht, althans zijn lichaam te slaan en/of te duwen;
onder parketnummer 05/048983-26
1. hij op of omstreeks 16 februari 2026 te Nijmegen, althans in Nederland, opzettelijk iemand, te weten [aangever 2] (werkzaam als agent bij de Eenheid Oost-Nederland) en/of [aangever 3] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland)
- in het openbaar mondeling
- in tegenwoordigheid van die [aangever 2] en/of [aangever 3] mondeling
heeft beledigd, door meermalen, althans eenmaal, "hoeren" en/of "batties" en/of "kehba's", in elk geval woorden en/of gedragingen van gelijke beledigende aard en/of strekking, terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond uit, werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst en/of levensovertuiging, hun geslacht, hun seksuele gerichtheid en/of hun handicap tot uitdrukking brachten;
2. hij op of omstreeks 16 februari 2026 te Nijmegen, althans in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren, [aangever 2] (werkzaam als agent bij de Eenheid Oost-Nederland) en/of [aangever 3] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door
- meermalen, althans eenmaal, tegen te werken met zijn lichaam;
- trachten zichzelf af te zetten met zijn voeten door zich op de voeten van voornoemde ambtena(a)r(en) en/of metalen buis van de dienstvoertuig af te zetten,
- tegen die [aangever 3] te zeggen: "doe mijn handboeien af en kom met mij vechten" en/of "Ik wil
met jou een gevecht aangaan" en/of "Wacht maar ik krijg jou nog wel. Ik ga jou onthouden, vieze hoer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

parketnummer 05/216350-25 [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat feit 1 - het handelen in verdovende middelen - bewezen kan worden, maar niet voor de gehele tenlastegelegde periode. Niet bewezen kan worden dat verdachte al sinds 6 augustus 2024 handelde in drugs. Er werd op die datum weliswaar een bericht gestuurd door een potentiële koper, maar daar werd niet op gereageerd. Pas in november 2024 is voor het eerst op een bericht gereageerd. Ook was de frequentie waarmee verdachte in drugs handelde laag en was verdachte slechts loopjongen.
Feit 2 kan wat de verdediging betreft bewezen worden verklaard.
Wat betreft feit 3 heeft de verdediging bepleit dat in onvoldoende mate vaststaat dat het horloge afkomstig is van een misdrijf. Het horloge is van de heer [naam] . De stukken die er zijn om dat te onderbouwen, zijn reeds overgelegd bij de laatste klaagschriftprocedure. Het horloge is eerder al bij verdachte aangetroffen. Een Rolex is een statussymbool en verdachte kan dit zelf niet betalen, dus leent deze af en toe van zijn vriend.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 maart 2025, p. 20-21;
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2025, p. 160-167;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2026.
Daarbij overweegt de rechtbank voor wat betreft de periode waarin verdachte heeft gedeald in drugs in het bijzonder nog als volgt.
Het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] is gekoppeld aan de telefoon die bij de aanhouding van verdachte in beslag is genomen. Het Whatsapp-account gekoppeld aan de telefoon heeft als Account name ‘ [account] ’ en als User ID: [telefoonnummer 1] . [2] Dat telefoonnummer is sinds 2 augustus 2024 gekoppeld aan verdachte. [3] Getuige [getuige] heeft verklaard dat haar dealer het telefoonnummer [telefoonnummer 2] gebruikte. [4] De volgende WhatsApp berichten zijn op de telefoon aangetroffen, waarbij door ‘ [account] ’ werd gecommuniceerd. Op 6 augustus 2024 stuurt [naam] “
Yo Mo, ik wil graag 3 gram miauw bestellen in Arnhem. Hoe laat zou het hier kunnen zijn?”. Op 11 september 2024 stuurt [naam] “
Yo Mo. Ben je beschikbaar? Ik wil graag 3 gram miauw bestellen in Arnhem.”. Op 12 maart 2025 stuurt [naam] “
3 gram. Stuur adres, kom ik gelijk.”en reageert [account] met “
Ja Isgoed bel bel je zo terug”en “
[adres] . Als je bij die flat bent moet je bij die ingang wachten. Of rij door na die parkeerplaats achterin helemaal” en “
Rij even weg daar en dan na rechts en nog een keer na rechts. Grote parkeerplaats. Zit camera daar namelijk. Sta nu achter. Rij terug zie je me lopen”. [5] [naam] heeft verklaard dat hij drie keer drie gram miauw miauw (de rechtbank begrijpt: 3MMC) heeft gekocht bij deze dealer en dat iemand het kwam brengen. [6]
Op 6 augustus 2024 is weliswaar niet via Whatsapp gereageerd op het berichtje van [naam] , maar uit de omstandigheid dat het telefoonnummer enkele dagen daarvoor aan verdachte is gekoppeld, [naam] daarna nog tweemaal een bericht heeft gestuurd om drugs te bestellen en [naam] heeft verklaard dat hij drie keer drie gram heeft besteld (hetgeen precies overeenkomt met de hoeveelheden drugs waar in de berichtjes door [naam] om wordt gevraagd), blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat op 6 augustus 2024 na het sturen van het bericht ook een deal heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de drugshandel op 6 augustus 2024 is aangevangen, zoals aan verdachte ten laste is gelegd.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2025, p. 53-57;
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 9 mei 2025, p. 129-134 met rapporten NFiDENT d.d. 9 mei 2025, p. 135-138;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2026.
Feit 3
Voor een bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde, eenvoudig witwassen van een Rolex horloge, dient komen vast te staan dat verdachte een goed voorhanden heeft gehad dat afkomstig is uit enig eigen misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat er geen direct bewijs is voor een criminele herkomst van het Rolex-horloge. Een criminele herkomst kan niettemin worden bewezen indien er een gerechtvaardigd vermoeden is van witwassen. Als dat het geval is, mag van verdachte worden verwacht dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onaannemelijke verklaring geeft voor de herkomst van het goed.
Onder verdachte is een Rolex-horloge dat hij ten tijde van zijn aanhouding droeg, in beslag genomen. [7] In de woning van verdachte is een lege verpakking van een Rolex horloge aangetroffen. [8] Volgens politieregistraties heeft verdachte eerder, in elk geval op 2 april 2022 en op 1 januari 2024, een Rolex-horloge gedragen. [9] Hetzelfde Rolex-horloge is bij een eerdere aanhouding van verdachte, op 2 april 2022, in beslag genomen. [10] Volgens waardebepalingen die de politie op verschillende momenten tussen 2022 en 2025 heeft laten uitvoeren, heeft het Rolex horloge een taxatiewaarde ergens tussen de € 10.000,00 en € 45.000,00. [11]
Verdachte ontving tot zijn aanhouding in 2022 een bijstandsuitkering en had in de jaren 2020 tot en met 2024, op huur- en zorgtoeslag na, geen (andere) bekende legale inkomsten. [12]
Door de combinatie van de aanwezigheid van dit voorwerp van (aanzienlijke) waarde bij verdachte op meerdere momenten, het gebrek aan legale inkomsten of gebleken vermogen bij verdachte en de link naar criminele activiteiten van verdachte (het handelen in harddrugs), is naar het oordeel van de rechtbank een vermoeden van witwassen gerechtvaardigd.
Verdachte heeft verklaard dat het Rolex-horloge van een vriend van hem is, de heer [naam] , en dat verdachte dit horloge wel eens van hem leent. Deze verklaring van verdachte vindt onvoldoende steun in het procesdossier. De rechtbank stelt vast dat de heer [naam] zich op 4 april 2022 bij het politiebureau heeft gemeld voor het Rolex-horloge echter heeft hij niet verklaard dat verdachte zijn horloge vaker leende. Verder kon de heer [naam] toen geen aankoopbewijs overleggen. Ook was de juwelier in Antwerpen van wie [naam] naar eigen zeggen het horloge gekocht zou hebben voor de verbalisant op internet niet te traceren. Daarnaast heeft [naam] op dat moment tegen de politie verklaard dat hij € 28.500,00 voor het horloge zou hebben betaald. [13] Op 26 maart 2022 heeft hij echter schriftelijk verklaard dat hij het horloge voor € 12.000,00 had gekocht en daarbij een andere naam genoemd van de verkoper, te weten ‘ [naam] ’. Daarbij zit een handgeschreven verklaring van verkoper ‘ [naam] ’ die het horloge in Duitsland zou hebben verkocht aan (de rechtbank begrijpt:) [naam] . [14]
De rechtbank is van oordeel dat verdachte de legale herkomst van het horloge onvoldoende concreet heeft gemaakt. Er is geen sprake van een concrete, verifieerbare verklaring waarmee het vermoeden van witwassen kan worden weerlegd. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het Rolex-horloge - direct of indirect - uit enig eigen misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist, zodat sprake is van eenvoudig witwassen als bedoeld onder art. 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.
parketnummer 05/049516-26 [15]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat weliswaar sprake is geweest van mishandeling, maar dat verdachte aangever alleen heeft geduwd. Er moet dus partiële vrijspraak volgen voor het slaan.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] d.d. 17 februari 2026, p. 5-7;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2026.
De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte aangever heeft geduwd. Uit het procesdossier is onvoldoende gebleken dat verdachte aangever (ook) heeft geslagen. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte daarom worden vrijgesproken.
parketnummer 05/048983-26 [16]
Feit 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. Verdachte betwist niet dat hij de in de tenlastelegging genoemde woorden heeft genoemd, maar heeft verklaard dat hij voorafgaand aan de aanhouding de agenten niet heeft uitgescholden (en daarmee beledigd).
Beoordeling door de rechtbank
Verbalisanten [aangever 2] en [aangever 3] hebben verklaard dat zij op 16 februari 2026 verdachte in het centrum van Nijmegen troffen. Verdachte keek hen uitdagend aan, riep hard in hun richting en maakte uitdagende bewegingen met zijn hoofd. De verbalisanten vervolgden hun surveillance en na de ronde reden zij weer terug. Zij zagen verdachte opnieuw. Verdachte liep met een andere man en had een telefoon in zijn hand, waarmee hij richting de verbalisanten wees alsof hij hen aan het filmen was. De verbalisanten hoorden dat verdachte in hoog stemvolume hun richting op praatte, hun aankeek en dezelfde uitdagende bewegingen met zijn hoofd maakte als enkele momenten daarvoor. Toen hij de camera op hen wees, hoorden zij dat verdachte riep: “Hier, deze kehba’s”. De verbalisanten hebben daarover verklaard dat zij ambtshalve bekend zijn met dit scheldwoord, dat het vaak wordt gebruikt als een zeer beledigende term, vaak vertaald als hoer of prostituee en dat het is een vorm van intimatie en belediging is, vaak gericht op het beschimpen van iemand eer. Het is hen ambtshalve bekend dat dit woord veel gebruikt wordt in de straattaal en zeer algemeen bekend is bij de burger. Zij zagen meerdere omstanders dichtbij staan. Zij voelden zich beledigd en in hun eer aangetast door de bewoording die verdachte naar hen gebruikte. Vervolgens stapten de verbalisanten uit en hielden zij verdachte aan. Verdachte riep steeds meer beledigende woorden, dat zij “hoeren” en “batties” waren. Ook onderweg naar het hoofdbureau noemde verdachte hen meerdere malen “hoer” en “kehba’s”. Verbalisant [aangever 3] heeft verklaard dat eenmaal op het cellencomplex bij het hoofdbureau, verdachte hem “battie” noemde en zinnen zei als “Jouw kankermoeder” of “Wacht maar ik krijg jou nog wel. Ik ga jou onthouden, vieze hoer”. [17]
Verdachte heeft verklaard dat hij de verbalisanten niet uitschold voor “kehba’s” voorafgaand aan de aanhouding, maar dat hij “ik voel me een kechie” zei tegen degene die hij aan de telefoon had. Hij erkent dat hij tijdens en na de aanhouding de verbalisanten heeft uitgescholden met de tenlastegelegde bewoordingen. [18]
De rechtbank gaat uit van het (op ambtseed) opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [aangever 3] en [aangever 2] en is van oordeel dat verdachte voornoemde verbalisanten (ook) voor de aanhouding heeft uitgescholden voor “kehba’s”. Verbalisanten verklaren immers gedetailleerd over de situaties waarin zij contact hadden met verdachte en de omstandigheden waaronder de beledigingen door verdachte werd geuit. De lezing van verdachte over de situatie acht de rechtbank gelet hierop niet geloofwaardig.
Gelet op het vorenstaande, heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan de belediging van twee ambtenaren in functie, gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende vast komen te staan dat verdachte door het woord “battie’s” te gebruiken, (één van) de verbalisanten heeft willen beledigen vanwege hun seksuele gerichtheid. Van het onderdeel in de tenlastelegging dat ziet op het beledigen met een discriminatoir oogmerk zal verdachte dus worden vrijgesproken.
Feit 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 februari 2026, p. 5-6.
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
parketnummer 05/216350-25
1. hij op
een ofmeer tijdstippen in
of omstreeksde periode tussen 6 augustus 2024 tot en met 19
maart 2025 te Nijmegen opzettelijk (telkens) heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en
/ofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en
/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-MMC,
zijnde cocaïne en
/ofamfetamine en
/ofMDMA en
/of3-MMC, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. hij
op ofomstreeks 19 maart 2025 te Nijmegen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10,53 gram
, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende cocaïne en
/ofongeveer 479,27 gram,
in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende amfetamine en
/ofongeveer 0,38 gram
, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en
/ofamfetamine en
/ofMDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3. hij
op ofomstreeks 19 maart 2025 te Nijmegen een horloge (merk: Rolex) heeft verworven en
/ofvoorhanden gehad
en/of heeft overgedragen, heeft omgezet en/ofheeft gebruikt, terwijl hij, verdachte wist
, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden,dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
parketnummer 05/049516-26
hij op
of omstreeks16 februari 2026 te Nijmegen [aangever 1] heeft mishandeld, door die [aangever 1] (met kracht)
in/op/tegen zijn keel
en/of gezicht, althans zijn lichaam te slaan en/ofte duwen;
parketnummer 05/048983-26
1. hij op
of omstreeks16 februari 2026 te Nijmegen
, althans in Nederland,opzettelijk iemand, te weten [aangever 2] (werkzaam als agent bij de Eenheid Oost-Nederland) en
/of[aangever 3] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland),
- in het openbaar mondeling
- in tegenwoordigheid van die [aangever 2] en
/of[aangever 3]
mondeling
heeft beledigd, door meermalen
, althans eenmaal,"hoeren" en
/of"batties" en
/of"kehba's", in elk geval woorden
en/of gedragingenvan gelijke beledigende aard en
/ofstrekking
te zeggen, terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van
zijn/haar/hun bediening,
terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond uit, werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst en/of levensovertuiging, hun geslacht, hun seksuele gerichtheid en/of hun handicap tot uitdrukking brachten;
2. hij op
of omstreeks16 februari 2026 te Nijmegen
, althans in Nederland,zich met geweld en
/ofbedreiging met geweld, heeft verzet tegen
een ofmeerdere ambtenaren, [aangever 2] (werkzaam als agent bij de Eenheid Oost-Nederland) en
/of[aangever 3] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van
zijn/haar/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door
- meermalen
, althans eenmaal,tegen te werken met zijn lichaam;
- trachten zichzelf af te zetten met zijn voeten door zich op de voeten van voornoemde ambtena
(a)r
(en
)en
/ofmetalen buis van de dienstvoertuig af te zetten
,
- tegen die [aangever 3] te zeggen: "doe mijn handboeien af en kom met mij vechten" en/of "Ik wil
met jou een gevecht aangaan" en/of "Wacht maar ik krijg jou nog wel. Ik ga jou onthouden, vieze hoer",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
parketnummer 05/216350-25
feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
feit 3:
eenvoudig witwassen
parketnummer 05/049516-26
feit 1:
mishandeling
parketnummer 05/048983-26
feit 1:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd
feit 2:
wederspannigheid

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de dagen die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het belangrijkste feit, de drugshandel, inmiddels anderhalf jaar geleden is gebeurd en er geen sprake was van structureel of langdurig verkopen. Niet is gebleken dat verdachte sindsdien hetzelfde gedrag heeft vertoond. Verder heeft verdachte uitgebreid uitgelegd hoe het zover heeft kunnen komen en heeft hij zijn best gedaan om verantwoordelijkheid te nemen. Verdachte heeft daarnaast persoonlijke belangen, zijn woning en zijn werk. Een, desnoods maximale, taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, is passend.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Hij heeft gedurende een periode van ruim zeven maanden in harddrugs gehandeld en had bijna 500 gram harddrugs in zijn woning liggen. De rechtbank concludeert dat verdachte zich niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen, maar enkel uit winstbejag heeft gehandeld. Verdachte heeft door het plegen van deze feiten een bijdrage geleverd aan de instandhouding van drugshandel. Naast deze drugsfeiten, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een Rolex horloge. Ook witwassen is een ernstig feit dat bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit en ondermijning in de samenleving. Daders van strafbare feiten worden op deze wijze in staat gesteld om met het door strafbaar handelen verdiende geld een maatschappelijke en financiële status te verwerven die zij niet behoren te hebben. Verder heeft verdachte iemand mishandeld, omdat deze man - die nota bene aan het werk was in het café waar verdachte was - verdachte aansprak op zijn vervelende gedrag. Tot slot heeft verdachte twee agenten, die eveneens aan het werk waren, veelvuldig beledigd en zich vervolgens verzet tijdens zijn aanhouding. Dat verdachte zich op die manier heeft gedragen, getuigt van gebrek aan respect voor de politie.
Strafoplegging
De ‘Oriëntatiepunten voor de straftoemeting’ van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) noemen voor strafoplegging bij het dealen van harddrugs op straat
gedurende 3 tot 6 maanden met enige regelmaatals oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Hoewel het in deze zaak van verdachte om een langere periode van ruim zeven maanden gaat, zal de rechtbank uitgaan van voornoemd oriëntatiepunt omdat de rechtbank rekening houdt met de omstandigheid dat verdachte weliswaar met enige regelmaat heeft gedeald, maar niet is gebleken dat dit de gehele periode onafgebroken gebeurde. Zo is bijvoorbeeld het aantal drugsgerelateerde contacten dat op zijn telefoon is aangetroffen relatief beperkt in omvang. Ook is niet gebleken dat hij een aansturende rol had binnen het drugsnetwerk.
Daarnaast heeft verdachte bijna 500 gram harddrugs aanwezig gehad, wat volgens de oriëntatiepunten kan leiden tot enkele maanden gevangenisstraf. Ook is nog sprake van het witwassen, de mishandeling, de belediging en de wederspannigheid. Verder is verdachte eerder veroordeeld voor een drugsgerelateerd strafbaar feit en voor witwassen. Dit alles weegt de rechtbank mee in de oplegging van de straf.
Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de dagen die verdachte in verzekering is gesteld. Met het voorwaardelijk deel van de straf wil de rechtbank verdachte er extra van weerhouden in de toekomst weer de fout in de gaan. Deze straf is in lijn met de eis van de officier van justitie.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met het onder parketnummer 05/049516-26 bewezenverklaarde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 30,00 aan materiële schade omdat er een knoopje van zijn poloshirt af is getrokken en € 2.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor wat betreft de materiële schade de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat de schade niet is onderbouwd en niet duidelijk is wat de schade van de benadeelde partij zelf is, omdat het om een werkshirt gaat. Verder heeft de officier van justitie verzocht de immateriële schade voor een bedrag van € 1.000,00 toe te wijzen en voor het overige deel de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. De € 30,00 materiële schade is niet door [aangever 1] zelf geleden. Voor wat betreft de immateriële vordering geldt dat [aangever 1] geen letsel heeft gehad en dat van aantasting in de eer of goede naam, of van aantasting van de persoon op andere wijze, geen sprake is. Het enkel voelen van angst en onbehagen is daarvoor onvoldoende.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank overweegt dat uit wat op de zitting is besproken, is gebleken dat de schade aan de polo is geleden door de voormalige werkgever van [aangever 1] . Niet gebleken is dat de benadeelde partij zelf, ten gevolge van de mishandeling, rechtstreeks schade heeft geleden. Daarom zal de rechtbank de vordering afwijzen.
Smartengeld
De rechtbank wil niets afdoen aan het gegeven dat de mishandeling voor [aangever 1] beangstigend moet zijn geweest en er als gevolg van het incident nog sprake heeft kunnen zijn van angstgevoelens. Buiten door het slachtoffer ondervonden pijn is van lichamelijk of objectief vastgesteld geestelijk letsel niet gebleken, terwijl de aard en de ernst van de normschending, te weten mishandeling in de vorm van een duw, niet zodanig is dat de nadelige gevolgen daarvan voor [aangever 1] zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon, ook zonder onderbouwing met concrete gegevens, kan worden aangenomen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van [aangever 1] afwijzen.
[aangever 1] zal gelet op de integrale afwijzing van zijn vorderingen worden veroordeeld in de proceskosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

9.De beoordeling van het beslag

Onder verdachte zijn een Rolex-horloge en een geldbedrag van € 505,00 in beslag genomen.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de goederen verbeurd worden verklaard.
De verdediging heeft gevraagd om teruggave van de goederen.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu met betrekking tot het Rolex-horloge het bewezen geachte eenvoudig witwassen is begaan, wordt dit voorwerp verbeurd verklaard. De rechtbank zal ook de verbeurdverklaring bevelen van het in beslag genomen geldbedrag. Dit geldbedrag is tijdens de insluitingsfouillering bij verdachte aangetroffen, terwijl verdachte is aangehouden kort na een door een verbalisant waargenomen, door verdachte gepleegde drugsoverdracht. Bij gebrek aan een verklaring van verdachte die de legale herkomst van het geld kan verklaren, is niet uit te sluiten dat dit geld de baten zijn die verdachte heeft verkregen uit de drugshandel.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 180, 266, 267, 300 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 verklaart verbeurd het horloge (omschrijving: PL0600-2025125503-G3416949, Rolex) en het geldbedrag van € 505,00 (omschrijving: PL0600-2025125503-3416017);
 wijst de vordering tot materiële schade en smartengeld van [aangever 1] af
 veroordeelt [aangever 1] in de proceskosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. T.M.A. Arts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Benbouazza, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juli 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] verbalisant van de politie Eenheid Oost-Nederland, District Gelderland-Zuid, ,opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025125503 (ON52025002 / ZILVER), gesloten op 18 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2025, p. 160.
3.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 maart 2025, p. 36.
4.Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 19 maart 2025, p. 26.
5.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2025, p. 161-162.
6.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2025, p. 174.
7.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 maart 2025, p. 142.
8.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2025, p. 54.
9.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 april 2025, p. 139-140.
10.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 maart 2025, p. 144.
11.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2025, p. 145-146; proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 maart 2025, p. 144.
12.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2026; proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2025, p. 182.
13.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 april 2022 (geen onderdeel van het doorgenummerde procesdossier, proces-verbaalnummer: PL0600-2022143778-42).
14.Bijlage bij het klaagschrift van verdachte d.d. 7 juli 2025.
15.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026077729, gesloten op 19 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
16.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026077362, gesloten op 18 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
17.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 februari 2026, p. 5-6.
18.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2026.