ECLI:NL:RBGEL:2026:6109

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
K/5001/12257380
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 RvArt. 6:96 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand

In deze kortgedingprocedure vordert de eiser ontruiming van het gehuurde en betaling van achterstallige huur, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente wegens huurachterstand sinds 1 november 2025. De gedaagde is niet verschenen, waardoor verstek is verleend.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat de vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond zijn en dat de huurachterstand aannemelijk maakt dat ontbinding en ontruiming in een bodemprocedure zullen volgen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen vanwege een onduidelijke aanmaning.

De gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening, betaling van de huurachterstand met rente, betaling van de huur vanaf juli 2026 tot ontruiming, en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en gewezen door mr. S.A.L. van de Sande op 26 juni 2026.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van de huurachterstand met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12257380 \ VV EXPL 26-76
Vonnis in kort geding van 26 juni 2026
in de zaak van

1.[naam eiser sub. 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
STICHTING AVE,
gevestigd te Arnhem,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: P.M.C. Tjepkema,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 5 juni 2026 met producties 1 tot en met 10,
  • de mondelinge behandeling van 25 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
  • het tijdens de mondelinge behandeling van 25 juni 2026 verleende verstek tegen de niet verschenen gedaagde.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2.De vordering

2.1.
[de eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis:
[de gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis,
[de gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 5.495,96 (bestaande uit achterstallige huur, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.898,96 vanaf 4 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling,
[de gedaagde] veroordeelt tot betaling van de huur van € 1.050,76 vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag van daadwerkelijke ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum tot aan de dag van volledige betaling,
[de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
2.2.
[de eiser] legt aan haar vorderingen, samengevat, ten grondslag dat [de gedaagde] sinds 1 november 2025 haar huur (deels) onbetaald heeft gelaten. Hierdoor is er een huurachterstand ontstaan van € 4.898,96.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen. [de gedaagde] is niet ter zitting verschenen. Tegen [de gedaagde] is daarom verstek verleend.
3.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [de eiser]
3.3.
De verstekverlening heeft tot gevolg dat binnen het bestek van dit kort geding dient te worden beoordeeld of de door [de eiser] ingestelde vorderingen de voorzieningenrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bij deze beoordeling is van belang dat in dit kort geding slechts een voorlopig oordeel kan worden gegeven over de rechtsverhouding van partijen aan de hand van de toepasselijke materiële rechtsregels en na een afweging van de wederzijdse belangen. Bepalend is of feiten die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering voldoende aannemelijk zijn geworden op grond van hetgeen, in dit geval door [de eiser] , in deze kortgedingprocedure naar voren is gebracht.
3.4.
De vorderingen komen de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen.
3.5.
De voorzieningenrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Gelet op de ontstane huurachterstand is evenwel aannemelijk dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden en ontruiming van het gehuurde zal volgen. Doordat [de gedaagde] niet is verschenen in deze procedure zijn er geen feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht die zich daartegen verzetten. De voorzieningenrechter zal de vordering tot ontruiming van het gehuurde toewijzen.
3.6.
[de eiser] vordert betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 527,82. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De voorzieningenrechter stelt vast dat [de gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de voorzieningenrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [de eiser] heeft aan [de gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In de aanmaning schrijft [de eiser] namelijk eerst dat de betaling binnen veertien dagen na vandaag kosteloos kan worden voldaan. Daarna schrijft [de eiser] dat de termijn begint te lopen op de dag na de datum die bovenaan de brief staat. Deze twee verschillende formuleringen kunnen verwarrend of misleidend zijn voor [de gedaagde] , ongeacht wanneer de brief is ontvangen en gelezen. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
3.7.
[de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,77
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.139,77
3.8.
De veroordelingen in dit vonnis worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

4.De beslissing

De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [de gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te [plaatsnaam] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [de eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [de eiser] ,
4.2.
veroordeelt [de gedaagde] om te betalen aan [de eiser] :
a. a) € 4.898,96 aan achterstallige huur tot en met 1 juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
b) € 1.050,76 per maand vanaf 1 juli 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
4.3.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.139,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op26 juni 2026.
68348 62375