ECLI:NL:RBGEL:2026:5994

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/05/468959
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:460 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering voortzetting zorgovereenkomst na opzegging door zorginstelling

De eiser, bewindvoerder van zijn verstandelijk beperkte dochter met een WLZ-indicatie, vordert in kort geding dat de zorginstelling Elver de zorgovereenkomst voortzet na opzegging per 1 juli 2026. De dochter ontvangt zorg op een locatie waar zowel ZIN- als PGB-cliënten verblijven. Elver heeft besloten de PGB-zorg op deze locatie te beëindigen omdat de ZIN-cliënten zijn verhuisd en de benodigde meerzorg niet langer haalbaar is.

Elver heeft de opzegging tijdig aangekondigd en passende alternatieven geboden, waaronder tijdelijke opvang op een nabijgelegen locatie. De eiser betwist de opzegging en stelt dat de zorgovereenkomst alleen opgezegd kan worden om gewichtige redenen, die volgens hem ontbreken. Ook is de geboden oplossing niet passend vanwege de kwetsbaarheid van zijn dochter.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de opzegging gegrond is op gewichtige redenen, gezien het ontbreken van andere bewoners en zorgvoorzieningen op de locatie, en dat voortzetting van zorg niet redelijk van Elver kan worden verlangd. De geboden alternatieven zijn passend en de belangenafweging leidt tot afwijzing van de vordering. De eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de zorgovereenkomst wordt afgewezen wegens gewichtige redenen voor opzegging door Elver.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/468959 / KZ ZA 26-97
Vonnis in kort geding van 30 juni 2026
in de zaak van
[naam eiser], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder en wettelijk vertegenwoordiger van
[naam onderbewindgestelde dochter],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaten: mr. M.R. van Leeuwen en mr. A. van Bendegem,
tegen
de stichting
STICHTING ELVER,
gevestigd te Wehl,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Elver,
advocaten: mr. A.C. Beijering-Beck en mr. M.R. Van Leeuwen

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7 van [de eiser]
- de producties 1 tot en met 13 van Stichting Elver
- de mondelinge behandeling van 30 juni 2026
- de pleitnota van [de eiser] tevens akte vermeerdering eis
- de pleitnota van Stichting Elver.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 30 juni 2026 vonnis gewezen. De feiten en de motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, worden hierna vastgelegd.

2.De feiten

2.1.
[de eiser] is bij beschikking van 22 mei 2007 aangesteld als bewindvoerder van zijn dochter [de dochter] . [de dochter] heeft een WLZ-indicatie Verstandelijk Gehandicapt. Zij is afhankelijk van intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering.
2.2.
Elver is een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking.
2.3.
Op 6 mei 2015 is tussen [de eiser] en Stichting Fatima Schreuder Groep ten behoeve van [de dochter] een overeenkomst van zorg- en dienstverlening gesloten, op basis waarvan [de dochter] zorg ontvangt op de locatie [adres] in [plaatsnaam 1] (hierna: de locatie). Deze overeenkomst is met Elver voortgezet op 9 februari 2016 voor onbepaalde tijd.
2.4.
De woning op de locatie bestaat uit een oud en een nieuw gedeelte. In het oude woonhuis werd door Elver aan zes bewoners/cliënten zorg geleverd via Zorg in Natura (ZIN). Ongeveer tien jaar geleden is aan het oude woonhuis een stuk aangebouwd waarin vijf appartementen zijn gerealiseerd. In die appartementen woonde één client met een volledig pakket thuis (VPT) en vier cliënten met een persoonsgebonden budget (PGB) waaronder [de dochter] . De vijf bewoners van de (nieuwe) appartementen huren rechtstreeks van de eigenaar van de woning.
2.5.
Voor de ZIN-cliënten op de locatie was 24-uurs zorg aanwezig. [de dochter] heeft op grond van haar PGB-overeenkomst recht op circa 14 uur zorg per week. Door deze combinatie van ZIN- en PGB zorgcliënten op één locatie ontvingen de PGB cliënten, waaronder [de dochter] , in de praktijk meer zorg per week dan waar zij op basis van hun PGB-overeenkomst recht hadden.
2.6.
Elver heeft om zorginhoudelijke redenen besloten de ZIN-cliënten die woonden in het (oude) woonhuis en de cliënt met het VPT te verhuizen naar een woonzorgpark in [plaatsnaam 2] . In het (oude) woonhuis zullen geen nieuwe cliënten meer worden geplaatst.
2.7.
Op 26 januari 2026 heeft Elver de overgebleven PGB cliënten mondeling geïnformeerd dat de PGB-zorg op de locatie wordt beëindigd. Daarbij is toegelicht dat de zorg aan hen alleen kon worden voortgezet als zij er alle vier voor zouden kiezen hun PGB om te zetten in ZIN. Bij brief van 6 februari 2026 zijn deze cliënten nogmaals over dit besluit geïnformeerd en tijdens gesprekken van 20 februari en 11 maart 2026 is dit besluit nogmaals nader toegelicht.
2.8.
Op 31 maart 2026 heeft Elver de zorgovereenkomst met [de eiser] opgezegd per 1 juli 2026. Tegelijk met die opzegging heeft [de eiser] van de verhuurder de opzegging van de huurovereenkomst ontvangen voor het appartement van [de dochter] op de locatie.
2.9.
Met een brief van 26 mei 2026 heeft [de eiser] onder meer aan Elver verzocht de opzegging (voorlopig) in te trekken en de zorgverlening aan [de dochter] onverkort voort te zetten onder de huidige voorwaarden en zorg te dragen voor een zorgvuldige overdracht aan een nieuwe zorgaanbieder zodra die is gevonden.
2.10.
[de eiser] heeft nadien een nieuwe zorgverlener gevonden die vanaf 1 oktober 2026 de zorg voor [de dochter] kan opstarten. Die zorg zal dan weer plaatsvinden in haar huidige appartement op de(zelfde) locatie.
2.11.
Bij e-mail van 9 juni 2026 heeft Elver ter overbrugging van de periode tussen 1 juli en 1 oktober 2026 onder meer als oplossing aangeboden dat [de dochter] tijdelijk in een appartement op twee kilometer van haar huidige appartement in [plaatsnaam 1] kan verblijven. Deze locatie en een aantal van haar medewerkers, is voor [de dochter] bekend vanuit haar dagbesteding. Op die locatie wonen bewoners met vergelijkbare problematiek en de zorg is vergelijkbaar met de zorg op de locatie aan de [adres] . [de eiser] heeft aangegeven van dit aanbod geen gebruik te willen maken.
2.12.
Vanaf 1 juli 2026 wordt het (oude) woonhuis op de locatie verbouwd. Op die locatie zijn inmiddels geen zorgverleners meer aanwezig en geen andere cliënten. Elver heeft haar voorzieningen in het kader van de ZIN-zorg inmiddels ook uit het (oude) woonhuis verwijderd. Zo is daar geen functionerend alarmsysteem meer aanwezig, geen functionerend brandalarm en is er geen slaapkamer meer voor de achterwacht.
2.13.
In verband met de hiervoor weergegeven situatie hebben de ouders van [de dochter] haar medio mei 2026 meegenomen op vakantie naar Zuid-Frankrijk waar zij tot medio juli 2026 zullen verblijven. Zij hebben [de dochter] nog niet van de opzegging door Elver op de hoogte gesteld.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert na vermeerdering van eis bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
3.1.1.
dat de opzegging van Elver van 31 maart 2026 wordt opgeschort en op de huidige condities en voorwaarden door [de eiser] kan worden voortgezet, zodat [de dochter] de woning niet behoeft te ontruimen per 1 juli 2026;
Subsidiair:
3.1.2.
dat Elver wordt verplicht om de zorg onder de huidige condities en voorwaarden te continueren tot 1 oktober 2026;
Primair en subsidiair
3.1.3.
dat indien Elver haar verplichtingen tot levering van zorg tot 1 oktober 2026 niet nakomt per de datum van dit vonnis, zij direct een opeisbare dwangsom verbeurt van
€ 1.000,- per dag voor iedere dag of dagdeel dat Elver haar verplichtingen niet nakomt jegens [de eiser] , met een maximum van € 100.000,-.
3.1.4.
Elver te veroordelen in de proceskosten;
3.2.
[de eiser] legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.
Elver kan de zorgovereenkomst op grond van artikel 7:460 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) alleen opzeggen op grond van gewichtige redenen. De opzegging door Elver is enkel gebaseerd op haar wens om niet op basis van een PGB-overeenkomst zorg aan [de dochter] te verlenen. Dit levert geen zwaarwichtige reden voor opzegging van de zorgovereenkomst op. Ook is de opzegging onzorgvuldig richting [de dochter] . In de praktijk is een periode van drie maanden te kort om een nieuwe plek en nieuwe zorg voor [de dochter] te vinden. De door Elver geboden oplossing is niet passend, want dan zou [de dochter] binnen drie maanden twee keer moeten verhuizen, terwijl zij niet goed om kan gaan met rigoureuze veranderingen. Het belang van [de dochter] bij behoud van de zorgovereenkomst onder de huidige condities dient dan ook zwaarder te wegen dan het belang van Elver bij opzegging per 1 juli 2026.
3.3.
Elver voert verweer. Elver concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Elver voert – kort weergegeven – het volgende aan.
Elver heeft de zorgovereenkomst opgezegd omdat het niet langer verantwoord is om de PGB-zorg vanuit de locatie voort te zetten. Nu de ZIN-cliënten van Elver niet meer verblijven op de locatie is daar ook de vereiste meerzorg voor de vier PGB-cliënten niet langer aanwezig. [de dochter] kan geen beroep meer doen op de zorgmedewerkers die voorheen (24 uur) aanwezig waren in het woonhuis. Het is onverantwoord en niet in het belang van [de dochter] als zij gedurende drie maanden alleen op de locatie verblijft, ook als conform de PGB-overeenkomst twee uur per dag ambulante begeleiders zouden komen. [de dochter] zou dan de rest van de dag alleen op de locatie verblijven, zonder medebewoners, zonder begeleiders, zonder alarmeringssysteem en zonder achterwacht. Gelet op haar zorgplicht is die situatie niet acceptabel voor Elver. [de dochter] is zeer beperkt zelfredzaam en heeft intensieve begeleiding en gedragsregulering nodig. Het verlenen van de benodigde (24-uurs) meerzorg enkel en alleen voor [de dochter] is praktisch en financieel niet haalbaar voor Elver. Bovendien is [de eiser] op basis van het PGB zelf verantwoordelijk voor het organiseren van de zorg. Daarnaast heeft Elver de zorg tijdig opgezegd en heeft zij diverse passende alternatieven voor zorg aangeboden.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
Nu de zorg voor [de dochter] per 1 juli 2026 is opgezegd heeft [de eiser] een evident spoedeisend belang bij zijn vorderingen.
4.3.
Elver heeft gesteld dat de pgb-overeenkomst niet kwalificeert als een geneeskundige behandelovereenkomst en om die reden geen gewichtige reden als bedoeld in artikel 7:460 BW Pro vereist zijn voor opzegging. Echter ongeacht of sprake is van een geneeskundige behandelovereenkomst of een overeenkomst van opdracht, gaat het hier in ieder geval om een (zorg)overeenkomst die is aangegaan voor onbepaalde tijd en waarbij over het algemeen kwetsbare en hulpbehoevende personen betrokken zijn, zodat naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook daarvoor geldt dat slechts kan worden opgezegd wegens gewichtige redenen en de opzegging zorgvuldig moet gebeuren.
4.4.
De voorzieningenrechter acht in dit geval voldoende aannemelijk dat sprake is van gewichtige redenen die maken dat voortzetting van de zorgverlening op de locatie in redelijkheid niet van Elver kan worden verlangd. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat buiten [de dochter] momenteel geen enkele andere bewoner meer op de locatie verblijft. Elver heeft bevestigd dat de andere PGB-bewoners ook geen zorg meer van Elver ontvangen. De (onverplichte meer)zorg zoals die op de locatie door Elver werd verleend is daardoor niet meer haalbaar. Er zijn inmiddels ook geen voorzieningen van Elver meer aanwezig op de locatie en de locatie wordt vanaf 1 juli 2026 ook verbouwd, waardoor het ook praktisch niet haalbaar is die voorzieningen terug te plaatsen. Het kan van Elver in redelijkheid niet worden gevergd enkel voor [de dochter] op basis van een PGB-overeenkomst voor circa 14 uur per week 24 uurszorg te realiseren, terwijl [de eiser] zelf verantwoordelijk is voor de organisatie van die zorg. Daarbij heeft Elver de zorgovereenkomst weliswaar op 31 maart 2026 officieel opgezegd, maar [de eiser] is daarvan onweersproken al sinds 26 januari 2026 op de hoogte geteld, dus ruim vijf maanden van tevoren. Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door Elver geboden oplossingen om [de dochter] tijdelijk te laten verblijven op een locatie in de buurt die zij kent van haar dagbesteding en met een aantal voor haar bekende medewerkers passend is. Met het tijdig kenbaar maken van de opzegging en het bieden van een passend alternatief waarbij wederom onverplichte meerzorg door Elver wordt aangeboden, heeft Elver ook voldoende zorgvuldigheid rondom de opzegging betracht. [de eiser] stelt weliswaar dat de door Elver geboden oplossing niet passend is, omdat hij vreest dat [de dochter] door die tijdelijke verhuizing in een psychose zal raken, maar anderzijds heeft zij al 11 jaar lang geen psychose gehad, terwijl zij ook haar eerste jaren bij Elver heeft moeten wennen. Daarbij gaat het ook niet om twee verhuizingen naar verschillende locaties, maar kan [de dochter] , zoals ter zitting is gebleken, per 1 oktober 2026 terugkeren naar haar eigen appartement op dezelfde locatie.
4.5.
Uit het voorgaande vloeit voort dat voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat Elver vanwege gewichtige redenen de zorgovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd en dus dat er geen grond is voor toewijzing van de gevorderde nakoming van de zorgovereenkomst op de betreffende locatie. Een verdere belangenafweging leidt niet tot een andere beslissing. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat die situatie niet ideaal is kan [de dochter] tijdelijk bij haar ouders verblijven, terwijl Elver daartegenover € 63.000,- aan kosten zou moeten maken om [de dochter] tot 1 oktober 2026 de zorg te verlenen die zij daadwerkelijk nodig heeft, terwijl dat bovendien praktisch onmogelijk lijkt en daarvoor een zorgovereenkomst ontbreekt. Ook wordt [de dochter] dan tot 1 oktober geconfronteerd met een verbouwing op de locatie wat ook de nodige onrust geeft.
4.6.
[de eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Elver worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,
5.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026. De feiten en de motivering waarop de beslissing steunt, zijn afzonderlijk vastgelegd op 9 juli 2026.