ECLI:NL:RBGEL:2026:5727

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
C/05/451074
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 lid 2 RvWet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontbinding koopovereenkomst wegens onvoldoende bewijs echte Brabus

De rechtbank Gelderland behandelde een civiele zaak waarin eiser vorderde de ontbinding van een koopovereenkomst van een auto, stellende dat de auto als een 'echte Brabus' was verkocht terwijl dit niet het geval was. Eiser moest bewijzen dat de verkoopmedewerker expliciet had verklaard dat het om een echte Brabus ging, dat de auto een hoger motorvermogen had en dat de koopprijs aanzienlijk hoger was dan een vergelijkbare niet-Brabus Mercedes.

Eiser en zijn partner werden als getuigen gehoord, maar hun verklaringen werden beperkt gewaardeerd vanwege hun partijbelang en het ontbreken van aanvullende sterke bewijzen. De schriftelijke verklaring van de verkoopmedewerker, die niet onder ede was gehoord, ontkende dat hij had gezegd dat het een echte Brabus betrof. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat de verkoopmedewerker expliciet had verklaard dat het een echte Brabus was of dat de auto 612 pk had.

Ook de stelling dat de koopprijs € 15.000 hoger was dan een niet-Brabus versie werd niet bewezen. Het rapport van RT-Expertise ondersteunde deze stelling niet, en de rechtbank vond dat de betaalde prijs binnen de waardebandbreedte van de auto lag. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs wees de rechtbank de vorderingen van eiser af en veroordeelde hem tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot ontbinding koopovereenkomst wegens vermeende echte Brabus afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/451074 / HZ ZA 25-117
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. D.C. Soetens,
tegen
[naam gedaagd bedrijf] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. A. Neophitou.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 november 2025,
- het proces-verbaal van enquête van 12 maart 2026,
- de conclusie na enquête van [de eiser] ,
- de conclusie na enquête van [de gedaagde] ,
- de akte uitlating producties van [de eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De rechtbank neemt over en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 19 november 2025, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. In het tussenvonnis van 19 november 2025 heeft de rechtbank overwogen dat de vordering van [de eiser] tot ontbinding van de koopovereenkomst dient te worden afgewezen voor zover deze gegrond is op gebreken aan de auto. Daarnaast is in het tussenvonnis overwogen dat de subsidiaire vordering tot (schade)vergoeding van herstelkosten en buitengerechtelijke incassokosten moet worden afgewezen. Wat nog voorligt is de vordering van [de eiser] tot ontbinding voor zover deze is gegrond op zijn stelling dat de auto aan hem is verkocht als een ‘echte Brabus’, terwijl deze dat niet is.
Bewijsopdracht en bewijswaardering
2.2.
In het tussenvonnis van 19 november 2025 heeft de rechtbank [de eiser] opgedragen de volgende door hem gestelde feiten te bewijzen:
( b)
De verkoopmedewerker van [de gedaagde] (dhr. [medewerker] ) heeft desgevraagd expliciet verklaard dat sprake is van een ‘echte Brabus’. Hij heeft hierbij op alle verschillende Brabus onderdelen gewezen, zoals op het plaatje op het motorblok. De verkoopmedewerker heeft hierbij ook andere aspecten genoemd, zoals dat het uitlaatgeluid van de auto anders is dan van een gewone Mercedes en dat het motorvermogen niet de gewone 510 pk maar 612 tot 620 pk bedraagt.
( c)
De koopprijs van de auto van € 62.000,00, is aanzienlijk hoger dan verwacht mocht worden voor een vergelijkbare Mercedes die niet door Brabus is getuned. [de eiser] stelt dat een ‘niet Brabus-versie’ ongeveer € 15.000,00 goedkoper zou zijn geweest.
2.3.
[de eiser] heeft in het kader van de bewijslevering twee getuigen onder ede doen horen, te weten zijn vrouw, [vrouw eiser] (hierna te noemen: “ [vrouw eiser] ”), en hemzelf. [de gedaagde] heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête, maar heeft wel een schriftelijke verklaring van verkoopmedewerker [medewerker] in het geding gebracht.
2.4.
De rechtbank dient nu te beoordelen of [de eiser] is geslaagd in het opgedragen bewijs. De rechtbank stelt voorop dat voor bewijs in een civiele zaak niet steeds vereist is dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar dat voldoende is dat sprake is van een redelijke of voldoende mate van zekerheid dat het te bewijzen feit zich heeft voorgedaan.
2.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een redelijke of voldoende mate van zekerheid dat [medewerker] heeft verklaard dat sprake is van een ‘echte Brabus’ en dat hij heeft medegedeeld dat de auto 612 tot 620 pk heeft. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De ‘echte Brabus’
2.6.
[de eiser] heeft zichzelf en zijn partner als getuige laten horen. Aan de verklaring van [de eiser] zelf kan slechts beperkte bewijswaarde worden gehecht op grond van
artikel 164 lid Pro 2 (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [de eiser] is immers partij in deze zaak. Dit betekent dat zijn verklaring over de door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij deze ter aanvulling van onvolledig bewijs strekt. Van dat laatste is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring van [de eiser] voldoende geloofwaardig maken. Weliswaar is de beperking uit
artikel 164 lid Pro 2 (oud) Rv komen te vervallen bij de invoering van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht op 1 januari 2025. Deze beperking blijft echter op grond van het in artikel XIIA van voornoemde wet opgenomen overgangsrecht wel voor deze zaak gelden, nu de dagvaarding dateert van vóór de invoering van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht.
2.7.
Het aanvullend door [de eiser] aangedragen bewijs bestaat uit het doen horen van [vrouw eiser] . Zowel [de eiser] als [vrouw eiser] hebben onder ede verklaard dat [medewerker] heeft gezegd dat de auto een ‘echte Brabus’ was. Volgens [vrouw eiser] heeft zij meerdere keren gevraagd of het om een echte Brabus ging en niet slechts om een auto die was versierd met een Brabus embleem, en zou [medewerker] steeds hebben geantwoord dat het om een echte Brabus ging. [vrouw eiser] heeft daarbij verklaard dat [medewerker] niet heeft toegelicht waaruit zou blijken dat de auto een ‘echte Brabus’ was. Wel heeft [medewerker] volgens [vrouw eiser] op de Brabus-elementen gewezen. Ten aanzien van de motor heeft [de eiser] verklaard dat [medewerker] heeft laten zien dat er een Brabus embleem op de motor zat en heeft [vrouw eiser] verklaard dat [medewerker] heeft laten zien dat er een Brabus motor in de auto zat.
2.8.
Hiertegenover staat de schriftelijke verklaring van [medewerker] waarin hij schrijft dat het niet juist is dat hij gezegd heeft dat sprake was van een ‘echte Brabus’, maar dat hij heeft aangegeven dat hij dit helemaal niet kan bevestigen omdat [de gedaagde] daar geen bewijzen voor had. Ook schrijft [medewerker] 1) dat hij duidelijk heeft gemaakt dat er geen certificaat van Brabus was en dat hij daarom niet kon zeggen of de auto is getuned door Brabus, 2) dat hij in ieder geval niet heeft beweerd dat het een door Brabus getuned voertuig was en 3) dat als hij heeft gewezen op Brabus elementen dit niet zal zijn geweest om aan te geven dat het een echte Brabus is.
2.9.
De verklaringen van [de eiser] en [vrouw eiser] enerzijds en [medewerker] anderzijds zijn op dit punt strijdig met elkaar. [de eiser] voert terecht aan dat aan de verklaring van [medewerker] (ook) beperkte bewijswaarde toekomt, omdat hij niet onder ede is gehoord. Het had echter juist op de weg van [de eiser] gelegen om [medewerker] onder ede als getuige te laten horen over diens verklaringen tijdens het verkoopgesprek. De bewijslast rust immers op [de eiser] en zoals tijdens de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025 is besproken is het juist de verklaring van [medewerker] die zijn stellingen zou kunnen ondersteunen. Dat hij desondanks heeft besloten om [medewerker] niet als getuige te horen, komt voor zijn eigen risico.
2.10.
Aanvullend bewijs voor de stelling dat [medewerker] desgevraagd expliciet heeft verklaard dat sprake is van een ‘echte Brabus’ ontbreekt. Het klopt dat [medewerker] niet ontkent dat hij op Brabus-elementen heeft gewezen, maar zoals in het tussenvonnis van 19 november 2025 is overwogen, betekenen de uiterlijke elementen op zichzelf niet dat sprake is van een bij Brabus getunede auto (een ‘echte Brabus’). Met het wijzen op de Brabus-elementen – en de tekst van de advertentie (en de overeenkomst) – kan zowel een auto met visuele Brabus-elementen als een auto die getuned is bij Brabus zijn bedoeld.
2.11.
De rechtbank kan daarom al met al niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat [medewerker] tijdens het verkoopgesprek heeft gezegd dat sprake is van een ‘echte Brabus’. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [de eiser] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht ten aanzien van dit feit.
612 PK
2.12.
Ten aanzien van de verklaring van [medewerker] dat de auto 612 PK zou hebben (hetgeen zou wijzen op een krachtigere motor dan de motor in de standaarduitvoering), heeft [vrouw eiser] verklaard dat zij zich niet kan herinneren dat er iets is verteld over hoe krachtig de motor is. De verklaring van [de eiser] dat [medewerker] heeft gezegd dat de auto 612 PK had, vindt dan ook geen steun in aanvullende bewijsmiddelen. De discrepantie in verklaringen van [de eiser] en [vrouw eiser] weegt temeer zwaar omdat [de eiser] de Nederlandse taal niet goed machtig is en [vrouw eiser] voor hem de vragen stelde en de antwoorden vertaalde. [medewerker] heeft daarnaast schriftelijk verklaard dat hij geen uitspraken heeft gedaan op het punt van het vermogen van de auto omdat niet vast te stellen was of de auto getuned was. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom ook niet met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat [medewerker] heeft verklaard dat de auto 612 PK had.
De hogere koopprijs
2.13.
[de eiser] is ook niet geslaagd in zijn bewijsopdracht dat de koopprijs ten tijde van de koop van de auto ongeveer € 15.000,00 hoger was dan verwacht mocht worden van een niet-Brabus versie van de Mercedes. [de eiser] stelt dat uit het rapport van RT-Expertise volgt dat de reële verkoopwaarde van de daadwerkelijk geleverde auto circa € 54.000,00 bedroeg en de waarde van een originele Edition 1 in 2021 € 69.500,00 bedroeg. Nu [de eiser]
€ 62.000,00 voor de auto heeft betaald, was de koopprijs volgens het rapport van RT-Expertise € 8.000,00 hoger dan de waarde van een niet-Brabus versie van de auto. Daarnaast was de auto volgens [de eiser] na het herstel van schade in 2019 niet hersteld in de originele staat met keramische remmen, maar was sprake van stalen remmen. Dit levert een hogere waardevermindering op, namelijk van € 11.000,00.
2.14.
De rechtbank stelt voorop dat [de eiser] met dit rapport, nog los van de kanttekeningen die [de gedaagde] hierbij plaatst, niet het bewijs heeft geleverd van de genoemde stelling. De kern van deze stelling is dat de auto volgens [de eiser] aan hem is verkocht als een speciale versie (‘echte Brabus’) en dat dezelfde auto zonder die typering een € 15.000,- lagere verkoopprijs zou hebben gehad. Deze stelling vindt echter geen ondersteuning in het genoemde rapport. [de eiser] heeft immers € 62.000,00 voor de auto betaald, zodat zijn stelling alleen juist zou zijn als de werkelijke verkoopwaarde van de aan hem geleverde auto ongeveer € 47.000,00 zou hebben bedragen. Die lage waarde blijkt echter niet uit het rapport.
2.15.
[de gedaagde] heeft verder onweersproken aangevoerd dat op de auto beduidend minder is afgeschreven dan mocht worden verwacht van een niet-Brabus versie. Dit is volgens [de gedaagde] verklaarbaar juist omdat de auto exclusieve kenmerken heeft. De koopprijs van € 62.000,00 was volgens [de gedaagde] daarom niet aanzienlijk hoger dan mocht worden verwacht voor deze – niet door Brabus getunede – Mercedes. [de eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025 naar voren gebracht dat de waarde van tweedehands auto’s in de periode vanaf 2021 gestegen is vanwege het coronavirus, maar heeft hiervoor geen bewijs aangedragen. Gelet op de beperkte afschrijving van de waarde van de door [de eiser] gekochte auto ten opzichte van een ‘normale’ Mercedes, is dus geen sprake van voldoende zekerheid dat de koopprijs van de auto in 2021 aanzienlijk hoger was dan verwacht mocht worden voor een vergelijkbare Mercedes die niet door Brabus is getuned, laat staan € 15.000,- hoger.
2.16.
Verder overweegt de rechtbank over dit gestelde feit nog het volgende. De kern van het betoog van [de eiser] op dit punt is dat hij vanwege de prijs een andere, luxere, uitvoering van de auto mocht verwachten. Zelfs als zijn specifieke stelling van het prijsverschil van € 15.000,00 wordt losgelaten en de stelling meer algemeen wordt begrepen (in de zin van: de koopprijs was zodanig hoog dat een andere uitvoering mocht worden verwacht), wordt dit betoog van [de eiser] niet ondersteund door het door hem overgelegde rapport. De door hem betaalde prijs (€ 62.000,00) zit immers – uitgaande van de juistheid van het rapport – nagenoeg precies tussen de geschatte werkelijke waarde van de auto (€ 54.000,00) en de geschatte waarde van de duurdere uitvoering die [de eiser] naar eigen zeggen dacht te kopen in (€ 69.500,00). Waarom dit op zichzelf de aanname rechtvaardigt dat de duurdere uitvoering mocht worden verwacht, valt zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet in te zien.
Slotsom
2.17.
De slotsom luidt dat [de eiser] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Het gevolg hiervan is dat niet kan worden geoordeeld dat [de eiser] mocht verwachten dat hij een ‘echte Brabus’ kocht. Daarmee zijn de vorderingen tot ontbinding van de overeenkomst en veroordeling van [de gedaagde] tot betaling van € 22,000,00 uit hoofde van de ongedaanmakingsverbintenis niet toewijsbaar.
Proceskosten
2.18.
[de eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.965,00
(2,5 punten × € 786,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.138,00

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,
3.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 5.138,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
JV/ES