ECLI:NL:RBGEL:2026:5716

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
05/190780-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 13d OpiumwetArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen productie en aanwezigheid van cocaïne in cocaïnewasserij

De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het produceren van cocaïne in een cocaïnewasserij in een schuur te Wijchen. Verdachte verrichtte hand- en spandiensten, zoals het gereedmaken van de schuur, het sjouwen van spullen en het vervoeren van personen naar de locatie. Tevens was hij betrokken bij voorbereidingshandelingen en het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 12 kilogram cocaïne.

De bewijslast bestond uit vondsten van chemicaliën, apparatuur en cocaïneblokken in de schuur, getuigenverklaringen over verdachte's frequente aanwezigheid en activiteiten, en telefoon- en GPS-gegevens die zijn betrokkenheid bevestigen. Verdachte voerde aan niet te weten dat het om cocaïne ging, maar de rechtbank oordeelde dat hij ten minste voorwaardelijk opzet had en dat sprake was van medeplegen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de schadelijke gevolgen van cocaïneproductie en -gebruik, en de milieuschade door chemisch afval. Ondanks positieve ontwikkelingen in het persoonlijke leven van verdachte, achtte de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De straf werd vastgesteld op 32 maanden, gelijk aan die van de medeverdachten die de productie uitvoerden.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een vijfde deel van de kosten voor ontmanteling en vernietiging van de cocaïnewasserij, een bedrag van €4.674,81. Het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 32 maanden gevangenisstraf en betaling van kostenverhaal voor medeplegen van productie en aanwezigheid van cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.190780-25
Datum uitspraak : 16 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1963 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. S. Benaskar, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 16 april 2025 te [plaats] , gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk (in een pand/schuur gelegen aan [adres] ) heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] en/of [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of een of meer onbekend gebleven person(o)n(en), in elk geval een ander dan verdachte, in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 16 april 2025 te
[plaats] , gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (in een pand/schuur gelegen aan [adres] ) heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
bij en/of tot het plegen van voorgenoemd misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 16 april 2025 te [plaats] , gemeente Wijchen, opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte] en/of [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of een of meer onbekend
gebleven person(o)n(en)
- ( een of meer delen van) het pand en/of perceel ter beschikking te stellen en/of
- ( bouw)werkzaamheden op/aan het pand te verrichten en/of
- goederen uit te laden en/of
- ( een of meer) busje(s) te huren en/of
- ( een of meer) perso(o)n(en) van/naar de productielocatie te vervoeren;
2
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 16 april 2025 te [plaats] , gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen, vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door, in een schuur behorend bij de woning aan [adres] , voorhanden te hebben van (onder andere)
- een hoeveelheid stof(fen),te weten (ongeveer) 1204,52 gram cafeïne en/of
- een of meer IBC-tanks en/of
- een pers en/of
- een of meer buisje(s) en/of
- een of meer (metalen) logo’s/stempels en/of
- een koolstoffilter en/of een ventilatiebuis en/of
- een of meer jerrycans en/of
- een of meer ton(nen) en/of
- een sealapparaat en/of
- een of meer mes(sen) en/of
- een of meer stanleymes(sen) en/of
- een of meer magnetron(s) en/of
- een of meer weegscha(a)l(en) en/of
- een of meer maatbeker(s) en/of
- een of meer zeef/zeven en/of
- een of meer vergiet(en) en/of
- een of meer lepel(s) en/of
- een of meer handschoenen en/of
- een of meer mondkapjes,
ten behoeve van de productie van die cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op of omstreeks 16 april 2025 te [plaats] , gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 12045 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] en/of [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of een of meer onbekend gebleven person(o)n(en), in elk geval een ander dan verdachte, op of omstreeks 16 april 2025 te [plaats] , gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (in een pand/schuur gelegen aan [adres] )
Opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 12045 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
bij en/of tot het plegen van voorgenoemd misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op of omstreeks 16 april 2025 te [plaats] , gemeente Wijchen,
opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte] en/of [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of een of meer onbekend gebleven person(o)n(en)
- ( een of meer delen van) het pand en/of perceel ter beschikking te stellen en/of
- ( bouw)werkzaamheden op/aan het pand te verrichten en/of
- goederen uit te laden en/of
- ( een of meer) busje(s) te huren en/of
- ( een of meer) perso(o)n(en) van/naar de productielocatie te vervoeren.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op woensdag 16 april 2025 heeft het Team Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) een onderzoek ingesteld in een drietal schuren achter de woning gelegen aan [adres] te [plaats] . In de middelste schuur was een aparte uit sandwichpanelen opgebouwde ruimte gemaakt met een uitgebreide afzuiginstallatie die uitgeschakeld was. De gehele ruimte
was in gebruik voor het terugwinnen (wassen) en/of versnijden en persen van zeker twaalf
kiloblokken cocaïne. Er werd een hoge concentratie aan oplosmiddelen gedetecteerd. Zowel
de blokken als de verschillende gebruikte vloeistoffen hadden een aanmerkelijk hogere temperatuur dan de omgeving. In de eerste schuur stonden vier ongebruikte actief koolstoffilters die ogenschijnlijk identiek waren als de twee in de middelste schuur. In de laatste schuur stonden diverse jerrycans met gekleurde vloeistoffen en vuilniszakken met vermoedelijk afval die passen bij het terugwinnen van cocaïne uit een dragermateriaal. [2]
De volgende voorwerpen en stoffen werden door het LFO aangetroffen:
in de schuur
- zeven zwarte jerrycans, 20 liter, etiket “Ethyl Acetate”, geheel gevuld met een gele vloeistof, pH 14;
- zes 20 liter jerrycans, geheel gevuld met een licht roze vloeistof, pH 14;
- vier jerrycans voorzien van etiket “Czysta Farma” en twee met etiket “Ethyl Acetate”;
- twee 25 liter jerrycans, geheel gevuld met licht troebele vloeistof, pH 7;
- één 20 liter jerrycan, geheel gevuld met drie laags vloeistof, pH 7, voorzien van etiket “Czysta Farma” (1x) en “UN3264” (1x);
- drie zwarte 20 liter jerrycans, geheel gevuld met een gele vloeistof met bezinksel, pH 7, eenmaal etiket “Hexsol” (1x) en eenmaal etiket “Ethyl Acetate” (lx), alle drie de jerrycans voorzien van een plastic strikje aan het handvat;
- één 20 liter jerrycan gevuld met circa 18 liter licht bruine vloeistof pH 1, Etiket “Optysil”;
- tien grijze vuilniszakken waarin onder andere een zak gevuld met circa tien kilo vervuilde Calcium Chloride, een zak gevuld met actief kool met de geur van oplosmiddelen, enkele zakken gevuld met in totaal tien lege 1 liter flessen ammonia en elf volle 1 liter en een half gevulde 1 liter fles ammonia, een zak met daarin twee lege emmers 2,5 kg Handson vochtopnemer, een zak met daarin twee grote zwarte stukken krimpfolie met daarop meerdere Poolstalige etiketten van chemicaliën waaronder “Ethyl Acetate", "Hexsol” en “Meksol”, een zak gevuld met zestien lege 500 ml. flessen ammonia van het merk “Bleko”, een zak met nat papierpulp met pH 1 en een zak met diverse stukken karton waaruit diverse stukken gesneden waren. In meerdere zakken werd ook gewoon huisvuil aangetroffen, met daartussen onder andere twee dozen van een “Smartwares” brandblusser, de doos van een sealmachine van het merk “Solis” model “EASY VAC PRO type 569” en de doos van een "Car Point” potkrik (5.000 Kg);
- acht witte speciekuipen van “GRIPLINE-D 65 L”, schoon en ongebruikt;
- drie grijze roldeksels van een “Curver” bak;
- een optische kabel;
- een thermometerkabel;
- een steelpan;
- diverse rest-bouwmaterialen afkomstig van de aanleg van de ruimten B en P met name ronde doorvoer t.b.v. afzuiging uit zijwand ruimte B;
- houten tafel met daarop diverse goederen waaronder vijf transparante kunststof maatbekers, twee rode kunststof maatbekers met daarin in totaal circa 500 ml. vloeistof FD = Ethylacetaat, een digitale weegschaal, een emmer van 5 liter met tapkraan inhoud circa 2 liter sterk dampend zoutzuur, een zeef, een rekenmachine, een zak met circa 500 gram fijn wit poeder, FD = fenacetine, diverse doeken en stukken laken, diverse smalle en brede stroken crêpepapier, metalen logo van “Philipp Plein” en een “voetbal”, mondkapjes en rubber handschoenen en een rode “Car Point” potkrik;
- een metalen persframe met daaronder een metalen persmal ten bate van het persen van blokken cocaïne. Onder in de mal zat een logo van een papagaai, daar kruislings overheen een smalle en een brede strook crêpepapier en daarin een laagje van circa 20 gram natte kristallen. FD = cocaïne HCI;
- een 220 liter klemdekselvat met daaroverheen een wit laken waarop circa 1,8 kg nat wit poeder lag. FD = cocaïne HCI. In het vat circa 30 liter uitgelekt oplosmiddel, pH 7;
- een grijze 50 liter curverton met daarin circa 10 liter licht gele vloeistof met een kleine hoeveelheid wit bezinksel. vloeistof pH 7;
- drie witte speciekuipen van 65 liter afgedekt met plastic folie, alle vrijwel geheel gevuld met een oranje tot bruine vloeistof, geur ammoniak, pH 14, daarbij een zakje actief kool en een halve
jerrycan met daarin diverse pollepels en wasteiltjes;
- drie blauwe jerrycans 20 liter, geheel gevuld met een heldere kleurloze vloeistof, pH 7, FD = ethylacetaat, etiket “A11, Cleaning expert, Agro”;
- een grijze “Curver” 50 liter ton met mengstok (een houten bezemsteel met daaraan een zelf uitgesneden ronde kunststof schijf). In de ton ook circa 5 liter licht gele vloeistof met wit
bezinksel. Bezinksel: FD = Cocaïne HCI;
- een grijze “Curver” 50 liter ton met daaroverheen een wit stuk laken. In de ton circa 20 liter tweelaags vloeistof waarvan de onderlaag positief test op water. Drijfogen zichtbaar tussen de
beide lagen vloeistof;
-een grijze “Curver” 50 liter ton (temp 52°C bij aantreffen)voor circa 50% gevuld met water met daarin een 25 liter ton als Au-Bain-Marie opstelling. In de buitenste ton een verwarmingsspiraal.
In de 25 liter ton circa 11 liter heldere gele vloeistof;
- een zwarte jerrycan 20 liter gevuld met circa 10 liter heldere sterk dampende vloeistof, pH 1 = zoutzuur, etiket “HA37”;
- een 25 liter ton met daarin circa 9 liter roodbruine vloeistof, pH 1;
- een blauwe 12 liter emmer gevuld met circa 7 liter heldere kleurloze vloeistof, pH 7. FD = Ethylacetaat & Methylethylketon;
- een lichtblauwe jerrycan 20 liter voor de helft gevuld met heldere kleurloze vloeistof, pH 1, etiket “zwavelzuur 37,5% ACCU” van "CALDIC”;
- vier witte 25 liter tonnen, elke ton afgedekt met een wit stuk laken, een leeg, drie gevuld met circa 4,5 liter gele vloeistof. FD = ethylacetaat.
- een 220 liter klemdekselvat gevuld met circa 100 liter troebele gele vloeistof met bezinksel, pH 7;
- een 220 liter klemdekselvat gevuld met circa 200 liter troebele gele vloeistof, pH 4;
- een 20 liter jerrycan gevuld met circa 5 liter heldere kleurloze vloeistof, pH 1, etiket "Truck Alu strong”;
- twee lege zwarte jerrycans 20 liter, etiket “ethyl acetate”;
- drie doorzichtige kunststof 65 liter tonnen “follow me, bursev 1112 92”, waarvan twee gevuld met gezamenlijk circa 70 liter heldere kleurloze vloeistof, pH 7, FD = ethylacetaat;
- een “Smartwares” poeder brandblusser;

in de blokkenruimte

- een houten tafel met daarop twee kiloblokken cocaïne in crêpepapier, stukken karton ter grootte van persmal P2, diverse stukken crêpepapier, restanten wit poeder, totaal circa 10 gram, FD = cocaïne HCI, een 250 ml. kunststof maatbeker met restanten wit poeder, FD = cafeïne, een digitale weegschaal, een Samsung magnetron met daarin restanten wit poeder, positief op cocaïne swipe;
- een blauwe jerrycan 20 liter, geheel gevuld met heldere kleurloze vloeistof, pH 7, etiket: “Profimax cleaner”;
- onder tafel B1 diverse goederen waaronder twee straalkachels, merk “Handson”, zeven flessen “Spa Blauw”, een witte 65 liter speciekuip met daarin tussen divers afval divers handgereedschap, folie, tape, mesjes, handschoenen, verpakkingen van lakens merk “La
Maison Reve”, een aangebroken verpakking vacuümsealzakken van 250 x 300 mm., verpakking van 100 stuks, nog aanwezig: 68 stuks, een “Solis” vacumeermachine met nog tien bijbehorende
sealzakken van het merk “Solis” met logo “Solis”, diverse zwarte ballonnen, een metalen logo van een “8”, gebruikt filterpapier met restanten zwart en wit poeder, poeder: FD = cocaïne HCI, diverse nieuwe ongebruikte lakens van het merk “La Maison Reve”, een zak met circa 2 kg. fijn wit poeder, FD = cafeïne en compleet filterpapier met restanten poeder;
- een AH tas op de vloer met hierop tien vacuüm gesealde kiloblokken cocaïne (FD = cocaïne HCL). De binnenste blokken waren circa 30 graden Celsius;
- een 5 liter blik gevuld met circa 3 liter heldere kleurloze vloeistof, FD = hexaan, etiket: “Solvent for painting HX”;
- een “EasyVac Pro" sealapparaat, een Smartwares brandblusser, een mes, rubberen handschoenen;
- een doos Samsung magnetron inhoudende 1 dichtgesealde zak met 0,82 kg wit poeder FD = cocaïne HCL;
- acht zwarte jerrycans 20 liter, alle leeg, etiket: “ethyl acetate”;
- een grijze “Curver” 50 liter ton gevuld met circa 25 liter heldere vloeistof, pH 14;
- een tot filtreer installatie omgebouwd (deelbaar) bierfust voorzien van afsluiter en vultrechter;
- een complete afzuig- en gaswasinstallatie bestaande uit een slakkenhuisventilator, twee koolstoffilters (1x ruimte P, 1x ruimte B), twee 1000 liter IBC voor circa ¾ gevuld met gekleurde kunststof ballen ter grootte van een tennisbal, diverse gewapende afzuigslangen van de koolstoffilters, via de IBC’s en de ventilator naar buiten toe, in elke IBC vijf “Gardena” handsproeiers aangesloten op een verdeelpunt welke was aangesloten op een tuinslang welke was aangesloten op de kraan aan de achterzijde van de woning van [adres] , [plaats] ;
- een grijze afwasteil met daarin circa 270 g. wit poeder, FD = cocaïne HCI;
- negen 20 liter jerrycans, alle geheel gevuld met heldere kleurloze vloeistof waarvan zeven etiket “A11, cleaning expert”, pH 7, FD = ethylacetaat , een etiket “Optysil”, lintje om het handvat, vloeistof pH 7, FD = ethylacetaat & ligroïn & hexaan en een etiket “Truck Alu”, pH 7, FD = ligroïne;
- diverse losse goederen bovenop de beide IBC’s (B10) waaronder “Koenic" inductieplaat, 2000W en twintig rollen tape;

in de voorruimte

- zes 20 liter jerrycans, voorzien van een wit strikje aan het handvat en een etiket “Ethyl acetate”, waarvan drie geheel gevuld met een gele tot beige vervuilde vloeistof, pH 14, drie
geheel gevuld met een heldere kleurloze vloeistof, pH 7, FD = Ethylacetaat & Methylethylketon;
- vijf 20 liter jerrycans geheel gevuld met vloeistof en voorzien van etiket “Hexsol”, verzegeld;
- zeven 20 liter jerrycans geheel gevuld met vloeistof en voorzien van etiket “Meksol”, verzegeld;
- twee 20 liter jerrycans geheel gevuld met vloeistof en voorzien van etiket “Ethylacetate”, verzegeld;
- een “Stanley Fatmax” compressor/vacuümpomp;
- drie 20 lier jerrycans geheel gevuld met vloeistof waarvan een etiket “Stripper”, pH 7, een
etiket “Agrifoam”, sterk rokende vloeistof, pH 1, zoutzuur en een etiket “Czysta Farma”, pH 7, FD = ethylacetaat;
- twee zakken Caustic soda à 25 kg waarvan een onaangebroken en een half leeg;
- vijf Big shoppers (twee Albert Heijn, een Plus, een Action, 1 x gele smiley) met daarin 63 onaangebroken rode 1 liter flessen PB ammonia, een half volle rode 1 liter fles PB ammonia en 40 onaangebroken witte 1 liter flessen Albert Heijn huishoud ammonia;
- een 2,5 en een 5 kg Bison vochtvreter navulling, onaangebroken;
- zes grijze vuilniszakken met daarin diverse lege flesjes, losse doppen en losgescheurde en opgevouwen etiketten “Frutop Diversion, Manzana Pera”, afkomstig uit Dominicaanse Republiek, waaronder 28 flessen 1 liter, 102 flessen 450 ml en 163 flessen 300 ml;
- twee 500 ml. flesjes, etiket Cristaline Bronwater, waarvan een gevuld met circa 250 ml. oranje vloeistof, pH 7, met de geur van vruchtensap en een gevuld met circa 500 ml. oranje vloeistof, pH 7, met de geur van vruchtensap;

op zolder

- drie speciekuipen met daarin diverse koppelstukken voor ventilatieslangen;
- diverse tuinslangen, koppelstukken, stukken ventilatieslangen en een RVS pan;

in opslag

- vier koolstoffilters, nieuw in de verpakking. [3]
De aangetroffen brokken zijn onderzocht en getest. Het betrof:
- een dichtgeknoopte plastic zak met daarin wit gekleurde poeder van 1.204,52 gram, positief getest op cocaïne;
- twaalf blokken van 12.045 gram waarvan een aantal blokken waren voorzien van een vacuüm verpakking met daarin een wit gekleurde blok. De blokken waren voorzien van verschillende stempels bestaande uit het logo van Philippe Plein (qp) en een aantal met een papegaai, positief getest op cocaïne. [4]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten integraal moet worden vrijgesproken. Niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap had van en opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) had op de aanwezigheid van een cocaïnewasserij en cocaïne in de schuur waar hij enkele kluswerkzaamheden uitvoerde en waarnaar hij personen met een busje toebracht. Volgens verdachte ging het in de schuur slechts om ‘poeder’.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de feiten gelet op de nauwe onderlinge samenhang gezamenlijk behandelen, waarbij ieder bewijsmiddel wordt gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud ziet.
De rechtbank stelt vast dat een schuur behorende bij de woning aan [adres] in [plaats] was ingericht als cocaïnewasserij, bestemd voor het bewerken en verwerken van cocaïne, en dat de onder de vaststaande feiten genoemde voorwerpen en stoffen gelet op de aard en de omstandigheden waaronder zij zijn aangetroffen bestemd moeten zijn geweest ter voorbereiding hiervan. Ook stelt de rechtbank vast dat er in die schuur ruim 12 kilogram cocaïne aanwezig was.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of, en zo ja in welke mate, verdachte (hierna: [verdachte] ) hierbij betrokken was.
Bewijsmiddelen
Op 16 april 2025 zijn verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] tezamen met een medewerker van Liander naar aanleiding van een MMA-melding naar de woning aan [adres] in [plaats] gegaan. Ter plaatste werden zij door [medeverdachte] (ingeschreven in de basisregistratiepersonen op dit adres) binnengelaten. In de tuin zag [verbalisant 2] een schuur, waarvan het laatste gedeelte was afgeschermd met een grijskleurige doek en een blauwkleurig zeil. Er was een soort tussengedeelte met daarin duiven. Direct om de hoek van de woning stond een grote afvalcontainer met bouwafval. Bij die container rook [verbalisant 2] een chemische geur die zij niet helemaal kon plaatsen. Ook [verbalisant 1] rook iets chemisch. Toen [verbalisant 2] een stukje verder in de richting van de schuur liep werd de chemische geur sterker. Zij zag dat er een groenkleurige waterslang en een zwartkleurige elektriciteitskabel liep vanaf het woonhuis in de richting van het schuurtje. Nadat [verbalisant 2] nog een klein stukje verder liep, hoorde zij stemmen komen uit het schuurtje. [verbalisant 1] hoorde die stemmen ook. Nadat er meerdere eenheden ter plaatse waren gekomen, kwam er een persoon uit het schuurtje lopen. Deze persoon kwam gebukt onder het doek vandaan. Kort hierna kwamen er nog een tweede en derde persoon uit het schuurtje. De drie personen werden aangehouden. [5] Het betroffen:
- [persoon 1] [6] ;
- [persoon 2] [7] ;
- [persoon 3] [8] .
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij sinds zes à acht weken regelmatig een chemische lucht rook. Dit rook naar een acetonlucht en zo nu en dan een lijmlucht. Een paar weken later zag zij dat de ramen aan de achterzijde dicht waren gemaakt. Ook zag zij [verdachte] regelmatig bij de buren het terrein op rijden. [verdachte] reed in een bedrijfsbus van Heijmans Autoverhuur, wit van kleur. De ene keer bleef hij in de bus zitten, de andere keer parkeerde hij de bus strak bij de ingang van het "drugspand". [getuige 1] zag [verdachte] ook een aantal keren het terrein oprijden met een andere auto, een Nissan Micra, blauw/paars van kleur. Sinds twee à drie maanden werden er steeds meer spullen buiten de schuur neergezet, onder andere scooters, zitmaaier, meubels en ander tuinmateriaal. Ook hoorde zij de laatste twee à drie maanden een soort zoemgeluid. Sinds de inval hoorde zij dit geluid niet meer. [9]
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij omstreeks februari een persoon zag in een Opel Karl in een paarse kleur. Diezelfde persoon kwam ook in een huurbus van Heijmans autoverhuur. Deze bus werd altijd tegen de schuur van de buren aan geparkeerd. Begin maart werden de ramen van de schuur bedekt met zwarte doeken. Vanaf de winter was een afzuigingsinstallatie te horen. Sinds de inval is dat geluid er niet meer. [10]
Uit onderzoek aan de inbeslaggenomen mobiele telefoon van [medeverdachte] bleek dat de WhatsApp gesprekken tussen [medeverdachte] en [verdachte] waren verwijderd. Bij de device notifications was nog een aantal berichten terug te vinden die [verdachte] naar [medeverdachte] had gestuurd. Het ging onder meer om de volgende berichten:
- op 1 april 2025: “Zal eens kijken of ik nog mensen weet voor jou”;
- op 3 april 2025: “Vandaag niet bellen met deze”;
- op 15 april 2025: “App even als je hem aan hebt gezet”;
- op 15 april 2025: “Goede avond vriend hoop het niet maar in het slechtste geval als stroom uit
valt kan ik je dan bellen”;
- op 16 april 2025: “Probleem”.
Voorts was er op 16 april 2025, de dag van de inval, met de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte] twee keer telefonisch contact. Het bericht “Probleem” was om 11:55:45 uur verstuurd. Daarna was om 11:56:34 uur 45 seconden telefonisch contact van de telefoon van [verdachte] naar de telefoon van [medeverdachte] .
In de periode van 18 februari 2025 tot en met 16 april 2025 belde [verdachte] in totaal 76 keer naar [medeverdachte] . [medeverdachte] belde in deze periode in totaal 33 keer met [verdachte] .
Op de telefoon van [medeverdachte] was meerdere keren gezocht op de zoektermen: “hoe moet ik radiator verwijderen en afdoppen”, “kan ik een waterleiding ergens doorzagen en er een knelkoppeling opzetten” en “gipsplaten karwei”. [11]
Uit verstrekte GPS-gegevens van gehuurde busjes van verhuurbedrijf Heijmans bleek dat op 7 en 10 februari en op 7, 8, 11, 18, 19, 20, 21 en 29 maart 2025 voertuigen van Heijmans op [adres] in [plaats] zijn geweest. [12]
[verdachte] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte] een wiethokje zou starten. Dit hadden ze samen besloten. In december begonnen ze aan de schuur, maar zij kregen het niet van de grond. De schuur lekte en de muren ‘hingen op hangen en vallen’. Toen werden zij benaderd door een derde die zei dat zij wel iets anders konden doen. Dat ging over poeder. [verdachte] kwam toen in contact met een persoon en daar ging hij mee naar [medeverdachte] . Bij [medeverdachte] vertelde die persoon wat de bedoeling was en dat dit in de schuur kon gebeuren. Er werd ook een koelcel in die schuur gebouwd en daarvoor kwamen er steeds weer andere mensen. [verdachte] hielp samen met [medeverdachte] met bouwen en dat klaar te maken. [verdachte] en [medeverdachte] kregen een prepaid telefoon. Hij werd elke keer weer gebeld door die jongens wat er moest gebeuren. [medeverdachte] zou tienduizend euro krijgen en [verdachte] vijfduizend euro. De eerste dagen zou er proef gedraaid worden en daarna tien dagen in de maand. Daarna zouden zij hun geld krijgen. Toen [medeverdachte] was gearresteerd gooide [verdachte] de prepaid telefoon in het kanaal. [verdachte] zette samen met [medeverdachte] en een buitenlandse jongen in de schuur panelen van de koelcel in elkaar. [verdachte] had twee linkerhanden, maar [medeverdachte] kon dat allemaal wel. [verdachte] hielp met het vasthouden en zulke klusjes. Alles werd opgebouwd bij [medeverdachte] in de schuur, de schuur naast zijn duiven. [verdachte] haalde met een bus personen op. Hij haalde de bus op bij de Gamma aan [adres] en daarna haalde hij de jongens op. Dit deed hij een stuk of vier keer. De jongens stapten achterin de bus. [verdachte] kon ze niet verstaan. Hij zette ze af en bracht ze een keer weer terug. Dan zette hij de bus neer bij de Gamma en reed hij met zijn eigen auto terug. Hij kreeg een telefoontje dat hij iemand moest ophalen. [verdachte] kwam de afgelopen maanden heel vaak en heel veel bij [medeverdachte] . Vanaf december zijn zij aan het timmeren geweest. [medeverdachte] mocht van zijn werk houten borden meenemen. Die gebruikten zij om de boel op te knappen. [verdachte] kwam daarna heel vaak om te timmeren. [verdachte] kreeg cash geld om een busje te huren. Dat was een busje van Heijmans autoverhuur. Dat gebeurde meerdere keren in de periode februari, maart en april. Als [verdachte] een bus ophaalde, zaten daar wel eens vaten bij. Die jongens zaten daar ook bij in. Hij zag ook wel eens een klein vrachtwagentje die allemaal zwarte vaten loste. Dit was een week ofzo voordat de politie daar was. [verdachte] hielp die vaten sjouwen. De vaten die achter de schuur stonden, stonken als een otter. Daar had hij het met [medeverdachte] over. [medeverdachte] wist waar het over ging. Het waren zwarte jerrycans die ze hadden gebracht. Die stonken echt heel hard. [verdachte] en [medeverdachte] hadden het er wel eens met zijn tweeën over, dat het stonk en dat zij ermee wilde stoppen. Maar zij zaten er al zover in en daar konden zij niets meer mee. [verdachte] belde [medeverdachte] omdat de stroom uitviel. De jongen belde hem op dat er storing was en die waren daarbinnen. [verdachte] belde toen naar [medeverdachte] dat de stroom was uitgevallen zodat hij de schakelaar weer om kon zetten zodat zij weer stroom zouden hebben. Dat was een dag of een paar dagen voor de aanhouding. Het klopt dat het bericht “Probleem” is gestuurd en dat er daarna telefonisch contact is geweest. [verdachte] moest iemand ophalen bij de bushalte en hij moest iemand meenemen. Hij was net thuis toen [medeverdachte] belde: “Het is hier blauw, blauw kom alsjeblieft.” [verdachte] gooide toen de hoorn erop. Hij ging ervan uit dat ze hem meteen gingen ophalen. Hij gooide toen ook de telefoon weg. Het klopt dat er in de cocaïnewasserij een mes is aangetroffen in de persruimte met DNA van [verdachte] erop. Hij raakte daar allerlei dingen aan. [verdachte] haalde dit mes binnen bij [medeverdachte] op en gaf het aan die jongen. Die jongen had nog gebeld voor een mes en een ding om mee te roeren. [13]
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in december is begonnen met daken maken. Zij plaatsten panelen en maakten daken. Bij het halen van de spullen voor de wietkwekerij werd hij gevraagd voor iets anders. Die man gaf aan dat het dom was om die ruimte niet te gebruiken. Zij spraken toen af bij [adres] . Dat was medio februari. Daar waren [medeverdachte] en [verdachte] bij, met die buitenlandse man. Er werd afgesproken dat er poeder zou worden gemaakt. Het was de taak van [verdachte] om een ruimte te vinden. Later moest hij mensen ophalen bij de Gamma. Hij reed met zijn eigen auto naar de Gamma en daar stond een bus klaar. Dat was een dichte bus met mensen erin. Die moest [verdachte] naar [adres] rijden. Hij moest de bus dicht tegen de schuur aanzetten. De mensen stapten gelijk uit en gingen meteen naar binnen. Hij kon zien dat zij van alles uitlaadden, zoals gereedschap en tassen. Dat was een dag of veertien voor de ontmanteling. [verdachte] had geen keuze, hij werd gebeld en dan moest hij rijden. [verdachte] had maar één contactpersoon. Dat contact verliep via een prepaid telefoon die hij had gekregen. [14]
Betrokkenheid [verdachte]
Op grond van de voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat [verdachte] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het bewerken/verwerken van cocaïne, het voorbereiden daarvan en het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 12 kilogram cocaïne.
Weliswaar heeft [verdachte] geen directe, actieve betrokkenheid gehad bij de uiteindelijke inrichting van de cocaïnewasserij en bij het bewerken/verwerken van cocaïne, maar heeft hij wel tenminste voorwaardelijk opzet daarop gehad. Hij heeft gelet op genoemde feiten en omstandigheden willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er in de schuur, waar hij kluswerkzaamheden verrichtte ten behoeve van de productie van poeder en waar hij verschillende malen mensen naar toebracht, een cocaïnewasserij werd opgezet waar cocaïne werd bewerkt/verwerkt.
De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van [verdachte] dat hij dacht dat het slechts om poeder ging en dat hij het niet gedaan had als hij wist dat het om cocaïne zou gaan. Onder de geschetste omstandigheden had [verdachte] kunnen en moeten weten dat het bij poeder ging om cocaïne, althans tenminste om drugs. Toen het aanvankelijke plan, het opzetten van een wietkwekerij, niet doorging en hij werd benaderd voor poeder had [verdachte] kritisch moeten doorvragen. Uit niets blijkt dat hij dat heeft gedaan. Integendeel, [verdachte] heeft vervolgens allerlei hand- en spandiensten verricht.
Medeplegen
Naar het oordeel van de rechtbank is tussen de verschillende verdachten ook sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] waren feitelijk werkzaam in de cocaïnewasserij (zij waren de ‘koks’), [verdachte] besloot samen met [medeverdachte] en een onbekend gebleven derde het drugslab te starten en verrichtte in dit verband hand- en spandiensten (hij maakte de schuur gereed, sjouwde spullen, haalde en bracht de koks naar de schuur en had contact met een derde). [medeverdachte] besloot samen met [verdachte] en een onbekend gebleven derde het drugslab te starten en stelde zijn terrein en meer in het bijzonder zijn schuur hiervoor ter beschikking en maakte de schuur gereed. Daarmee was er een duidelijke onderlinge taakverdeling en leverden zij allen een bijdrage van dusdanig gewicht dat sprake is geweest van een intellectuele en materiele bijdrage aan de bewerking/verwerking van cocaïne, de voorbereidingshandelingen daarvan en het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Als één van de verdachten zou wegvallen, zou dat immers gevolgen hebben voor het al dan niet slagen van het productieproces. Daarmee is een nauwe en bewuste samenwerking naar het oordeel van de rechtbank gegeven en dus telkens sprake van medeplegen.
Slotsom
De slotsom is dat de rechtbank de onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen acht.
Ten aanzien van de bewezenverklaarde periode van de feiten 1 en 2 gaat de rechtbank gelet op de verklaringen van buren en [verdachte] uit van de ten laste gelegde periode van 1 februari 2025 tot en met 16 april 2025 waarbinnen de tenlastegelegde feiten hebben plaatsgevonden.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de navolgende ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1
hij in
of omstreeksde periode van 1 februari 2025 tot en met 16 april 2025 te [plaats] , gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,
opzettelijk
(in een
pand/schuur gelegen aan [adres]
)heeft bereid en
/ofbewerkt en
/ofverwerkt
en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerden
/ofvervaardigd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens
)een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne
en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in
of omstreeksde periode van 1 februari 2025 tot en met 16 april 2025 te [plaats] , gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde
of vijfdelid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,
verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren,en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van cocaïne
en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen,
vervoermiddelenen
/ofstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en
/ofzijn mededader
(s
), wist
(en)of ernstige reden had
(den)om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door, in een schuur behorend bij de woning aan [adres] , voorhanden te hebben van
(onder andere)
- een hoeveelheid stof
(fen),te weten
(ongeveer)1204,52 gram cafeïne en
/of
-
een ofmeer IBC-tanks en
/of
- een pers en
/of
-
een ofmeer buisje
(s
)en
/of
-
een ofmeer (metalen) logo’s/stempels en
/of
- een koolstoffilter en
/ofeen ventilatiebuis en
/of
-
een ofmeer jerrycans en
/of
-
een ofmeer ton
(nen
)en
/of
- een sealapparaat en
/of
-
een ofmeer mes
(sen
)en
/of
-
een ofmeer stanleymes
(sen
)en
/of
- een
of meermagnetron
(s)en
/of
- een
of meerweegscha
(a
)l
(en)en
/of
-
een ofmeer maatbeker
(s
)en
/of
-
een ofmeer
zeef/zeven en
/of
- een
of meervergiet
(en)en
/of
-
een ofmeer lepel
(s
)en
/of
-
een ofmeer handschoenen en
/of
-
een ofmeer mondkapjes,
ten behoeve van de productie van die cocaïne
en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op
of omstreeks16 april 2025 te [plaats] , gemeente Wijchen, tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad
(in totaal
)ongeveer 12045 gram,
in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B en D van de Opiumwet gegeven verbod,
feit 2:
Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 3 primair:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel kostenverhaal ex artikel 13d van de Opiumwet zal worden opgelegd tot een bedrag van € 4.674,81. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak wordt opgeheven.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw geen strafmaatverweer gevoerd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de productie van cocaïne in een cocaïnewasserij in een schuur gelegen aan [adres] in [plaats] , gemeente Wijchen.
Verdachte verrichtte in dit verband hand- en spandiensten, zoals het gereedmaken van de schuur, spullen sjouwen en het ophalen en wegbrengen van de koks. Daarnaast heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van cocaïne en aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 12 kilogram cocaïne op die locatie. Dit zijn ernstige feiten.
Verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan het faciliteren en het in stand houden van een markt voor cocaïne. Het gebruik van cocaïne is schadelijk voor de volksgezondheid en werkt bij gebruikers verslaving en daarmee gepaard gaande (criminele) problematiek in de hand. De productie van verdovende middelen gaat bovendien vaak gepaard met ernstige criminaliteit en met milieuschade vanwege het chemisch proces van het bewerken (wassen) van cocaïne. Die milieuschade wordt onder meer veroorzaakt door het illegaal dumpen van de chemische afvalstoffen. De rechtbank wijst ook op de vele risico’s, voor zowel de aanwezigen in de cocaïnewasserij als voor de omwonenden, die het opslaan en bewerken van diverse chemicaliën in een cocaïnewasserij met zich meebrengt, zoals brandgevaar, ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige dampen. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan, ook omdat hij slechts deels verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem gepleegde feiten. Weliswaar heeft hij verklaringen afgelegd en zijn rol daarin niet onbenoemd gelaten, maar over alles wat met de productie van drugs te maken had, heeft hij niets willen verklaren, terwijl hij daarvan moet hebben geweten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 4 juni 2026. Daaruit blijkt dat verdachte in het verre verleden vaker voor Opiumwetdelicten is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder gelet op het advies van de reclassering (het Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering), van 12 februari 2026. Daaruit blijkt dat verdachte sinds zijn schorsing uit preventieve hechtenis zijn best aan het doen is om zijn leven een andere wending te geven. Zijn zorgverzekering is opgestart, hij heeft bewindvoering, hij voert gesprekken bij een praktijkondersteuner, heeft ambulante begeleiding en hoopt binnenkort via het UWV een werk- en leertraject te kunnen opstarten. Het goede contact met zijn nicht waarbij hij inwoont, zijn moeder en het uitlaten van honden zijn beschermende factoren. De reclassering ziet voldoende aanknopingspunten om de positieve lijn waar verdachte mee is gestart voort te
zetten met een plan van aanpak. Verdachte staat open voor hulp en begeleiding en erkent dit
nodig te hebben omdat hij in zijn eentje de chaos niet weet te overzien.
De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de onderstaande bijzondere voorwaarden:
- meldplicht bij de reclassering;
- ambulante behandeling;
- dagbesteding;
- aflossing schulden.
Ten slotte heeft de rechtbank gelet op het voortgangsverslag van de reclassering van 24 juni 2026. Daaruit volgt dat verdachte goed meewerkt met de reclassering en zich zeer goed houdt aan de bijzondere voorwaarden. Daarbij heeft hij op vrijwillige basis ambulante begeleiding en
hulp van Kairos geaccepteerd. Verdachte wil schoon schip maken door zo goed als hij kan mee te werken met alles, waaronder de rechtsgang. De periode in de gevangenis die verdachte heeft ondergaan waren voor hem zeer indrukwekkend en misschien zelfs traumatisch. Hij wil dit nooit meer meemaken en heeft er zeker lering uit getrokken. De reclassering is van mening dat een hernieuwde gevangenisstraf een contra-indicatie is. Het zou alle positieve ontwikkelingen die verdachte heeft ondergaan in de afgelopen tijd weer tenietdoen.
Ondanks de positieve berichten van de reclassering acht de rechtbank een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend bij de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. Alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de aard en de ernst van de feiten. Bij het bepalen van de duur van die gevangenisstraf houdt de rechtbank naast al het voorgaande rekening met het feit dat de drie buitenlandse medeverdachten, de ‘koks’, reeds onherroepelijk zijn veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is de bijdrage van verdachte aan de gepleegde feiten vergelijkbaar met deze medeverdachten. Weliswaar heeft hij geen handelingen verricht die zien op de daadwerkelijke productie van cocaïne, maar heeft hij wel een wezenlijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van de cocaïnewasserij, door afspraken te maken met medeverdachte [medeverdachte] en een onbekend gebleven persoon over de bouw van de cocaïnewasserij, door de schuur daarvoor gereed te maken en door verschillende hand- en spandiensten te verrichten en contact te houden met de onbekend gebleven persoon als er problemen dreigden. Daarmee is zijn rol een andere dan die van de koks, maar is zijn positie wel vergelijkbaar, namelijk die van een uitvoerder, niet zijnde een leidinggevende. De rechtbank heeft ten slotte aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Alles overziend zal de rechtbank daarom ook aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 32 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. In het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling kunnen te zijner tijd bijzondere voorwaarden worden opgelegd die op dat moment passend zijn.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Op 1 juli 2022 is de maatregel kostenverhaal in werking getreden. De maatregel is van toepassing op strafbare feiten die na de inwerkingtredingsdatum worden opgespoord en vervolgd. Deze maatregel maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp. De maatregel kostenverhaal is opgenomen in artikel 13d van de Opiumwet.
Bij de stukken bevindt zich een Rapport maatregel kostenverhaal. Hieruit volgt dat de kosten voor de ontmanteling van de productie-/bewerkingslocatie, inclusief de afvoer van chemicaliën, restafval en hardware ter vernietiging zijn vastgesteld op € 23.374,02.
Verder zit bij de stukken een proces-verbaal van de LFO waaruit blijkt dat de inbeslaggenomen voorwerpen vernietigd moesten worden, omdat zij een ernstig gevaar opleverden voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid.
De rechtbank overweegt dat vast is komen te staan dat in de cocaïnewasserij gevaarlijke goederen aanwezig waren. Eveneens is vast komen te staan dat er kosten zijn gemaakt om die wasserij te ontmantelen. De hoogte van deze kosten komen naar het oordeel van de rechtbank reëel voor. De rechtbank acht het redelijk dat de kosten ponds-ponds-gewijs worden verdeeld over alle verdachten die betrokken zijn bij de productie van cocaïne op deze locatie. De rechtbank acht dit een eerlijke verdeling, mede gelet op het feit dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en dat alle verdachten in gelijke mate aan die kosten hebben bijgedragen.
De rechtbank legt daarom aan verdachte de verplichting op om een vijfde van het totaalbedrag, te weten € 4.674,81, te betalen aan de Staat ter vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet.
Op grond van het bepaalde in artikel 13d, lid 3, van de Opiumwet jo. artikel 36e, lid 11, van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd bepalen op 46 dagen, zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank zal het verzoek van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om op haar eerdere belangenafweging teug te komen, in die zin dat het strafvorderlijk belang bij hervatting van de voorlopige hechtenis zwaarder zou dienen te wegen dan het persoonlijk belang van verdachte bij het in vrijheid mogen afwachten van de (onherroepelijke) uitkomst van de strafzaak.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10, 10 a en 13d van de Opiumwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
tweeëndertig (32) maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt aan verdachte op
de verplichting tot het vergoeden van de kostendie ten laste van de staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en stelt het te betalen bedrag van die kosten vast op een bedrag van
€ 4.674,81;
 bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 46 dagen;
 wijst af het verzoek tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W.R. Koch (voorzitter), mr. A.J.H. Steenweg en
mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren en mr. E.C. van Geemen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2026.
mr. Steenweg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland, District Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ON5R025025 / GRAS, gesloten op 18 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen van Team Landelijke Faciliteit Ontmantelen, p. 341-342.
3.Proces-verbaal van bevindingen van Team Landelijke Faciliteit Ontmantelen, p. 343-349.
4.Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 148-155.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 33-35.
6.Proces-verbaal van aanhouding verdachte [persoon 1] , p. 389-390.
7.Proces-verbaal van aanhouding verdachte [persoon 2] , p. 423-424.
8.Proces-verbaal van aanhouding verdachte [persoon 3] , p. 456-457.
9.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 63-64.
10.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 67-68.
11.Proces-verbaal van bevindingen, p. 175 en 179-181.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 265.
13.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 554-558.
14.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 juli 2026.