ECLI:NL:RBGEL:2026:5664

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
461402
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:195 lid 1 BWArt. 4:211 lid 2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen KNRM wegens onduidelijke hoedanigheid bij instellen vorderingen

De Stichting Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM) vorderde betaling van aanzienlijke bedragen van de erfgenamen en ondernemingen van de heer [de erflater], stellende dat deze betrokken waren bij verduistering van het vermogen van mevrouw [de erflaatster], waarvan de KNRM enig erfgenaam is.

De KNRM baseerde haar vorderingen op vermeende schade aan de nalatenschap van [de erflaatster], maar stelde deze niet in haar hoedanigheid van vereffenaar, noch gaf zij dit duidelijk aan in de dagvaarding. De gedaagden betwistten de ontvankelijkheid en stelden dat de vorderingen verjaard en ongegrond zijn.

De rechtbank oordeelde dat de KNRM niet duidelijk heeft gemaakt dat zij namens de nalatenschap procedeert en dat zij als erfgenaam niet zelfstandig bevoegd is om vorderingen te stellen zolang de nalatenschap niet is vereffend. Hierdoor zijn de vorderingen niet toewijsbaar.

De rechtbank veroordeelde de KNRM tot betaling van de proceskosten van de gedaagden en de vereffenaar, inclusief wettelijke rente, en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de KNRM af wegens onduidelijke hoedanigheid en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/461402 / HZ ZA 26-3
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
STICHTING KONINKLIJKE NEDERLANDSE REDDING MAATSCHAPPIJ,
te IJmuiden,
eisende partij,
hierna te noemen: de KNRM,
advocaten: mr. P.S.T Awater, mr. Z.E. Geels en mr. M.S. Breeman,
tegen

1.[naam gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.J.G. de Jager,
2.
[naam gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.J.G. de Jager,
3.
[naam gedaagde 3],
te [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.J.G. de Jager,
4.
[naam gedaagd bedrijf 1] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. N.J.G. de Jager,
5.
[naam gedaagd bedrijf 2] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. N.J.G. de Jager,
6.
[naam gedaagde vereffenaar] , in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van de heer [naam nalater],
te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. van der Wende,
gedaagde partijen,
hierna gezamenlijk te noemen: gedaagden, en afzonderlijk van elkaar respectievelijk:
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagd bedrijf 1] , [gedaagd bedrijf 2] en de vereffenaar.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 januari 2026
- de akte overlegging nadere producties tevens akte van eiswijziging van de KNRM van 15 mei 2026
- de akte van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagd bedrijf 1] , [gedaagd bedrijf 2] van 19 mei 2026 houdende bezwaar tegen akte van overlegging nadere producties tevens eiswijziging
- de akte bezwaar akte van overlegging nadere producties tevens eiswijziging van de vereffenaar, door de rechtbank ontvangen op 20 mei 2026
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 mei 2026 en de toelating van de wijziging van eis.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De KNRM is in het testament van mevrouw [de erflaatster] (hierna: [de erflaatster] ) van 21 april 2016 aangewezen als enig erfgenaam van [de erflaatster] (productie 2 van de KNRM).
2.2.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn de erfgenamen van [de erflater] (hierna: [de erflater] ). Zij zullen hierna gezamenlijk “de erfgenamen van [de erflater] ” worden genoemd.
2.3.
[gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn de bestuurders van [gedaagd bedrijf 1] . [gedaagd bedrijf 1] is bestuurder van [gedaagd bedrijf 2] .
2.4.
[de erflater] heeft vanuit [gedaagd bedrijf 2] boekhoudkundige werkzaamheden voor [de erflaatster] verricht, mede op basis van een zogenaamd “levenstestament” van 21 april 2016 (productie 3 van de KNRM).
2.5.
Bij beschikking van 9 januari 2020 van de kantonrechter van de rechtbank Midden- Nederland, locatie Amersfoort, (productie 5 van de KNRM) zijn op verzoek van de Officier van Justitie te Utrecht de goederen van [de erflaatster] onder bewind gesteld en is mentorschap ten behoeve van [de erflaatster] ingesteld met benoeming van mevrouw J. Deelman tot bewindvoerder en mentor.
2.6.
Op 7 februari 2020 heeft mevrouw J. Deelman namens [de erflaatster] aangifte bij de politie gedaan tegen [de erflater] , [gedaagde 1] , [gedaagd bedrijf 2] en [gedaagd bedrijf 1] van verduistering.
2.7.
Op enig moment is een strafrechtelijk onderzoek gestart waarin [de erflater] , [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] verdachten waren.
2.8.
[de erflater] is op [sterfdatum] overleden. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben zijn nalatenschap beneficiair aanvaard.
2.9.
Op [sterfdatum] [de erflaatster] overleden.
2.10.
Het openbaar ministerie heeft in verband met het overlijden van [de erflater] de strafzaak tegen hem in 2023 geseponeerd. De strafzaken tegen [gedaagd bedrijf 2] , [gedaagd bedrijf 1] , [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn eveneens geseponeerd.
2.11.
Bij beschikking van 27 juni 2024 van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, is mr. [de vereffenaar] op verzoek van [gedaagde 1] tot vereffenaar van de nalatenschap van [de erflater] benoemd.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De KNRM vordert – na wijziging eis – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
i. De schenking van [de erflaatster] aan [de erflater] van € 600.000,00 uit hoofde van de onderhandse akte van 2 januari 2018 te vernietigen;
ii. Vast te stellen dat de nalatenschap van [de erflater] hoofdelijk met [de gedaagden] verschuldigd is aan de KNRM de somma van € 1.373.104,02, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 12 januari 2015, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
iii. [de gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de KNRM de somma van € 1.373.104,02, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 12 januari 2015, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
Subsidiair:
iv. De schenking van [de erflaatster] aan [de erflater] van € 600.000,00 uit hoofde van de onderhandse akte van 2 januari 2018 te vernietigen;
v. Vast te stellen dat de vordering van de KNRM op de nalatenschap van [de erflater] de somma van € 603.489,35 bedraagt, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 12 januari 2015, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
vi. [gedaagd bedrijf 2] te veroordelen tot betaling aan de KNRM van het bedrag van € 729.614,67, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 15 juli 2015, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, alsmede te verklaren voor recht dat [gedaagd bedrijf 2] haar verplichtingen onder de geldleningsovereenkomst van 29 december 2016 niet of – meer subsidiair ten dele niet – is nagekomen;
vii. [gedaagd bedrijf 1] te veroordelen tot betaling aan de KNRM van het bedrag van € 40.000,00, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 14 september 2017, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
viii. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan de KNRM van het bedrag van € 143.326,00, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 31 december 2016, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
ix. [gedaagde 3] te veroordelen tot betaling aan de KNRM het bedrag van € 38.045,00 te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 31 december 2016, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening; en
x. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan de KNRM het bedrag van € 57.208,00 te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 31 december 2016, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
Zowel primair als subsidiair:
xi. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ad € 6.775,00, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
xii. [gedaagde 1] , [gedaagd bedrijf 1] en de vereffenaar hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het beslag ad € 2.760,36 te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
xiii. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten ad € 178,00 zonder betekening en € 270,00 in geval van betekening en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 14 dagen na dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;
3.2.
De KNRM legt kort samengevat aan haar vorderingen ten grondslag dat een groot deel van het vermogen van [de erflaatster] is gestolen of verduisterd door [de erflater] rechtstreeks of via zijn ondernemingen [gedaagd bedrijf 2] en [gedaagd bedrijf 1] en dat de erfgenamen van [de erflater] hebben meegewerkt aan de verduistering van het vermogen of het witwassen ervan. De KNRM stelt als enig erfgenaam van [de erflaatster] als gevolg daarvan schade te hebben geleden en dat die schade bestaat uit het tekort in de nalatenschap van [de erflaatster] .
3.3.
Gedaagden voeren ten verwere aan dat de KNRM de vordering onjuist heeft ingestoken. Zij betwisten dat de KNRM rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het handelen van [de erflater] De nalatenschap van [de erflaatster] zou schade kunnen hebben geleden maar dat stelt de KNRM niet. De KNRM zou als erfgenaam namens de nalatenschap van [de erflaatster] een vordering hebben kunnen instellen, maar dat heeft zij niet gedaan. Verder stellen gedaagden dat de vorderingen van de KNRM zijn verjaard en, indien geen sprake is van verjaring, ongegrond zijn. Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de KNRM, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van KNRM, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de KNRM in de proceskosten met de wettelijke rente daarover.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De KNRM heeft haar vorderingen gebaseerd op gedragingen van [de erflater] (al dan niet door middel van zijn ondernemingen) en de erfgenamen van [de erflater] jegens [de erflaatster] . Die gedragingen jegens [de erflaatster] hebben er volgens de KNRM toe geleid dat de omvang van het vermogen van [de erflaatster] – en dus haar nalatenschap – is afgenomen. De KNRM stelt dat zij schade heeft geleden als gevolg van die gedragingen. De rechtbank begrijpt dat de KNRM zich op het standpunt stelt dat zij als enig erfgenaam van [de erflaatster] schade heeft geleden als gevolg van gedragingen van [de erflater] en/of de erfgenamen van [de erflater] De KNRM heeft haar vorderingen echter niet ingesteld in haar hoedanigheid van erfgenaam. Ter zitting heeft de KNRM gewezen op de door haar als productie 23 overgelegde verklaring van erfrecht. Daaruit blijkt dat zij enig erfgenaam van [de erflaatster] is en aldus vereffenaar, en als zodanig de enige is die deze vordering kan instellen. De KNRM heeft zich met een beroep op de holistische benadering van de Hoge Raad (HR 30 juni 2023 ECLI:NL:2023:1007) op het standpunt gesteld dat het duidelijk is dat zij als enig erfgenaam in haar hoedanigheid van vereffenaar de vordering heeft ingesteld.
4.2.
In het geschil waarover het door de KNRM genoemde arrest van 30 juni 2023 gaat, heeft de Hoge Raad overwogen te begrijpen dat eisers optreden als vereffenaars en gevolmachtigde van de derde vereffenaar, hoewel dit in de procesinleiding in cassatie niet is vermeld. In die procesinleiding staat dat eisers beiden optreden in persoon en (voor zover nodig) in hun hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van hun moeder, die tijdens de procedure in eerste aanleg is overleden. Uit de conclusie bij het arrest (ECLI:NL:PHR: 2023: 261) – die de Hoge Raad heeft gevolgd – blijkt dat in die procedure uit de processtukken voldoende duidelijk was dat de eisers als gezamenlijke erfgenamen namens de nalatenschap procedeerden, maar dat zij daartoe bevoegd waren als vereffenaar en gevolmachtigde van de derde erfgenaam.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat het in de zaak waarin de Hoge Raad op 30 juni 2023 duidelijk was dat eisers in een andere hoedanigheid procedeerden dan de door hen in de procesinleiding genoemde hoedanigheid. Van belang is hierbij dat de Hoge Raad over de hoedanigheid van procespartijen in het arrest van 22 oktober 2004 (ECLI:NL:HR:2004: AP1435) al heeft geoordeeld dat de vraag in welke hoedanigheid een eisende partij optreedt uitleg vergt van het exploot waarmee de procedure aanhangig is gemaakt. De Hoge Raad heeft overwogen dat in verband met de aard van dat stuk en de belangen van de wederpartij strenge eisen worden gesteld aan de duidelijkheid van de formulering van het exploot en meer in het bijzonder aan de omschrijving van de identiteit en de hoedanigheid van degene op wiens verzoek het wordt uitgebracht. Bij de uitleg dient de rechter die moet beoordelen of aan de strenge eisen is voldaan mede te betrekken hoe de hoedanigheid van de betreffende partij is omschreven in de processtukken en hoe de wederpartij daarop heeft gereageerd. De vereiste duidelijkheid en beperkingen aan (het aannemen van) een wijziging van de partijhoedanigheid dienen de rechtszekerheid en de goede procesorde. Daartegenover staat het belang van een materiële beoordeling van het geschil. De rechtbank overweegt als volgt over deze belangen in de onderhavige zaak.
4.4.
De KNRM heeft in de dagvaarding (bij de vermelding van de procespartijen) niet vermeld dat zij procedeert in haar hoedanigheid van (enig) erfgenaam of vereffenaar van de nalatenschap van [de erflaatster] . Evenmin blijkt uit de inhoud van de dagvaarding duidelijk dat zij in die hoedanigheid procedeert. De KNRM heeft in de dagvaarding niet vermeld dat (en zo ja hoe) zij de erfenis van [de erflaatster] heeft aanvaard en in het petitum in de dagvaarding is niet tot uitdrukking gebracht dat zij de vorderingen namens de nalatenschap instelt. Evenmin heeft de KNRM bij de dagvaarding de verklaring voor erfrecht overgelegd. Uit de verweren in de conclusies van antwoord blijkt dat het voor gedaagden uit de dagvaarding ook niet duidelijk was in welke hoedanigheid de KNRM de vorderingen instelt en dat zij dat namens de nalatenschap doet. Zo concluderen de erfgenamen van [de erflater] en [gedaagd bedrijf 2] (Holding) dat niet duidelijk is of de KNRM als eiseres kan optreden omdat niet duidelijk is of de KNRM de nalatenschap van [de erflaatster] heeft aanvaard. Bij gebrek aan stukken betwisten zij dat en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de KNRM omdat zij niet rechtstreeks en zelfstandig een vordering kan instellen tegen de erfgenamen van [de erflater] De vereffenaar betwist dat de KNRM rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het handelen van [de erflater] en wijst erop dat de KNRM niet heeft gesteld de nalatenschap van [de erflaatster] schade heeft geleden en dat zij als erfgenaam/lichte vereffenaar namens de nalatenschap een vordering heeft.
Hoewel gedaagden reeds bij hun conclusies van antwoord van 12 november 2025 respectievelijk 10 december 2025 op deze onduidelijkheden hebben gewezen, heeft KNRM eerst bij haar akte van 15 mei 2026 (als productie 23) een verklaring van erfrecht gedateerd 20 juli 2022 overgelegd, waaruit blijkt dat de KNRM de erfenis van [de erflaatster] al op 8 februari 2022 beneficiair heeft aanvaard en de nalatenschap van [de erflaatster] als gevolg daarvan dient te worden vereffend. Bij de eiswijziging in die akte van 15 mei 2026 heeft de KNRM echter wederom niet tot uitdrukking gebracht dat de vorderingen namens de nalatenschap zijn ingesteld. Zij vordert immers vast te stellen dat bedragen aan haar – de KNRM – verschuldigd zijn en veroordeling tot betaling daarvan aan háár. Ter zitting is namens de KNRM, op vragen van de rechter over de hoedanigheid waarin zij procedeert, gesteld dat uit de verklaring van erfrecht blijkt dat de KNRM enig erfgenaam en vereffenaar is en dat zij dus de enige is die deze vordering kan instellen. Gelet op de verweren van gedaagden en de vorderingen van de KNRM waaruit op geen enkele manier blijkt dat deze zijn ingesteld namens de nalatenschap (want gericht zijn op betaling van schadevergoeding aan de KNRM), is de rechtbank van oordeel dat – anders dan in de procedure die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2025 – in deze procedure niet duidelijk is dat de KNRM de vorderingen heeft ingesteld in haar hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [de erflaatster] .
4.5.
Voor zover de KNRM stelt dat de zij de vorderingen heeft ingesteld in haar hoedanigheid van enig erfgenaam van KNRM geldt bovendien het volgende. Omdat de KNRM de nalatenschap van [de erflaatster] beneficiair heeft aanvaard dient de nalatenschap op grond van artikel 4:195 lid 1 BW Pro te worden vereffend. Op grond van artikel 4:211 lid 2 BW Pro vertegenwoordigt de vereffenaar de erfgenamen in en buiten rechte. Zolang de vereffening niet is beëindigd, is de vereffenaar (privatief) bevoegd om vorderingen in te stellen die toebehoren aan de nalatenschap. De KNRM heeft ter zitting verklaard dat de vereffening van de nalatenschap van [de erflaatster] nog niet is afgerond. Dat betekent dat de KNRM als erfgenaam van [de erflaatster] niet zelfstandig bevoegd is om vorderingen in te stellen die tot de nalatenschap behoren.
4.6.
Omdat de KNRM noch in persoon, noch als erfgenaam op grond van het voorgaande een zelfstandige vordering heeft op de nalatenschap van [de erflater] , de erfgenamen van [de erflater] of [gedaagd bedrijf 2] (Holding), zijn de vorderingen van KNRM niet toewijsbaar.
4.7.
De KNRM is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagd bedrijf 1] , [gedaagd bedrijf 2] worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
16.312,00
De proceskosten van de vereffenaar worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.174,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van de KNRM af,
5.2.
veroordeelt de KNRM in de proceskosten van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagd bedrijf 1] , [gedaagd bedrijf 2] van € 16.312,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de KNRM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt de KNRM in de proceskosten van de vereffenaar van € 12.174,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de KNRM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt de KNRM tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van gedaagden als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
JO/MS