ECLI:NL:RBGEL:2026:5654

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
05/381290-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 285 SrArt. 350 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor bedreiging met mes en vernieling werkbus

Op 29 november 2024 bedreigde verdachte zijn broer met een groot mes en maakte stekende bewegingen richting hem. Tevens vernielde hij de werkbus van een andere broer door krassen en beschadigingen aan te brengen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de verklaringen van de aangevers, die broers van verdachte zijn, en camerabeelden waarop verdachte met een mes te zien is. Ondanks het ontbreken van onafhankelijke getuigen achtte de rechtbank het bewijs wettig en overtuigend.

Verdachte ontkende de feiten, maar de rechtbank verwierp dit en stelde vast dat verdachte strafbaar is. Gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van één maand op, met aftrek van voorarrest.

De verdediging had een voorwaardelijke straf van twee weken bepleit, maar de rechtbank vond dit onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten. De straf is opgelegd onder toepassing van de artikelen 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een maand gevangenisstraf voor bedreiging met een mes en vernieling van een werkbus.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/381290-24
Datum uitspraak : 9 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] ,
Raadsman: mr J.G.M. Dassen, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van
10 april 2025, 7 juli 2025, 11 september 2025, 4 december 2025, 26 februari 2026, 19 maart 2026, 13 mei 2026 en 25 juni 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 29 november 2024 te Arnhem [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die voornoemde [aangever 1] opzettelijk dreigend een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te tonen en/of voor te houden en/of (rennend) met dat mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van voornoemde [aangever 1] te wijzen en/of te zwaaien en/of (daarbij) stekende bewegingen te maken.
2.
hij op of omstreeks 29 november 2024 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een werkbus (Renault Master), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit omdat er onvoldoende betrouwbare bewijsmiddelen in het dossier zitten om tot een vaststelling van het tenlastegelegde te komen. Verdachte ontkent beide feiten te hebben gepleegd. Er zijn geen onafhankelijke getuigen van de feitelijkheden en ze zijn niet op de camerabeelden te zien. Het mes is niet bemonsterd op verfschilfers. Beide aangevers zijn broers van verdachte. Zij hebben geen goede band met hem en waren boos op hem. Daarnaast duidt het gedrag wat zij zelf laten zien niet op angst.
Beoordeling door de rechtbank
Op 29 november 2024 heeft [aangever 1] aangifte gedaan en een klacht ingediend bij de hulpofficier van justitie. Hij heeft verklaard dat hij al een tijd een conflict heeft met zijn broer, verdachte, over de ketting van hun overleden opa. Op 29 november werd [aangever 1] gebeld door verdachte. Verdachte zei tegen [aangever 1] dat hij voor zijn woning stond. Vervolgens zei verdachte: “ik steek je dood” en “ik ben bij [adres] en ik steekje lek”. Even later belde verdachte weer naar [aangever 1] . Toen zei hij “kom naar [adres] . Ik ben de duivel en ik steek je neer.” [aangever 1] zat op dat moment in de bus met zijn andere broer, [aangever 2] . Zij besloten om naar de [adres] , waar verdachte woont, te rijden. Toen zij op de kruising van [adres] met de [adres] reden, zagen zij verdachte al staan. Verdachte haalde vervolgens een groot mes tevoorschijn. Het mes leek op een vleesmes en was ongeveer 30 centimeter. [aangever 1] wilde aan de bijrijderszijde van de bus uitstappen. Verdachte kwam toen hard zijn kant op rennen en maakte hierbij direct stekende bewegingen in de richting van [aangever 1] . Hij probeerde 3 à 4 keer op [aangever 1] in te steken. Verdachte stond op dat moment recht voor [aangever 1] . Er zat nog geen halve meter tussen hen in. [aangever 1] heeft verdachte van zich afgeduwd met zijn rechter been en vervolgens de deur van de bus gesloten. Verdachte bleef doorsteken op dat moment. [aangever 1] is erg geschrokken en was bang om dood te gaan. [2]
[aangever 2] heeft op 29 november 2024 ook een verklaring afgelegd Hij heeft verklaard dat hij samen met zijn broertje [aangever 1] onderweg was naar hun andere broertje, verdachte. [aangever 1] en verdachte hadden al een tijd een conflict met elkaar. [aangever 2] kende het verleden van verdachte en [aangever 1] , dus is hij als oudere broer meegegaan zodat het niet uit de hand zou lopen. [aangever 2] is met [aangever 1] in zijn werkbus, een Renault Master, naar de woning van verdachte aan de [adres] gereden. Toen zij over [adres] kwamen aanrijden, zagen zij verdachte al staan. Verdachte kwam op hen afgerend. Hij rende naar de bijrijderskant van de bus met een mes in zijn linkerhand. [aangever 2] is toen weggereden. Een stukje verderop is hij weer gestopt. Verdachte kwam toen weer naar hen toegerend. Verdachte maakte de bijrijdersdeur open. [3] Verdachte begon op dat moment bijna direct stekende bewegingen te maken in de richting van [aangever 1] . [4] Verdachte zei “ik maak je dood” en “ik maak je af”. Het mes was ongeveer 30 centimeter lang. Nadat de situatie onder controle was, stapte [aangever 2] uit en zag hij op verschillende plekken op zijn bus schade. Deze schade had hij voor het incident nog niet. De schade zit op het raam aan de bijrijderskant en op de zwarte lak. [5]
Op de foto’s die bij de aangifte zijn gevoegd zijn diverse beschadigingen/krassen te zien aan de bijrijderskant van de bestelbus.
De camerabeelden van Cafetaria Dolfijn, gelegen aan [adres] in Arnhem, zijn uitgekeken en door de verbalisanten beschreven. Bij 52 seconden is te zien dat verdachte naar zijn broeksband reikt en een mes trekt. Hetzelfde moment komt er een zwarte bedrijfsbus in beeld rijden. In de bus zitten twee mannen. Te zien is hoe verdachte achter de bus aanrent. Hij haalt daarbij met opgeheven rechterarm uit naar de achterzijde van de bus. Hij haalt de bus in en gaat aan de rechterzijde van de bus rennen met het mes nog in zijn hand. Verdachte en de bus verdwijnen uit beeld. Bij minuut 1.45 komt verdachte weer in beeld. Hij heeft het mes nog steeds in zijn hand. Hij zwaait druk heen en weer en maakt steekbewegingen met het mes. [6]
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] omdat deze verklaringen met elkaar overeenkomen en worden ondersteund door de beelden van [adres] , waarop verdachte met een mes in zijn hand naar de bus rent en met het mes in zijn hand terug in beeld komt en de foto’s van de schade en krassen aan de bijrijderszijde van de bestelbus
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks29 november 2024 te Arnhem [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling,door die voornoemde [aangever 1] opzettelijk dreigend een mes,
althans een scherp en/of puntig voorwerpte tonen en
/ofvoor te houden en
/of(rennend) met dat mes,
althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van voornoemde [aangever 1] te wijzen en
/ofte zwaaien en
/of(daarbij) stekende bewegingen te maken.
2.
hij op
of omstreeks29 november 2024 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een werkbus (Renault Master),
in elk geval enig goed,
dat/die geheel
of ten deleaan [aangever 2] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde(n) heeft
vernield, beschadigd,
onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, beschadigen

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een gevangenisstraf van twee weken geheel voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in de andere strafzaak die gelijktijdig dient (parketnummer 05/408450-24 e.a.) al ruim anderhalf jaar in voorarrest zit en dat geen aftrek kan plaatsvinden omdat deze zaak niet bij die zaken is gevoegd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging en een vernieling. Verdachte is, op klaarlichte dag, vlakbij een supermarkt waar veel mensen in en uitliepen die boodschappen aan het doen waren met een groot mes in zijn hand rennend achter de bestelbus van zijn broers aangegaan. Hij heeft stekende bewegingen met het mes gemaakt op de bus en hiermee de bus van zijn broerbeschadigd. Ook heeft hij stekende bewegingen met het mes gemaakt in de richting van zijn andere broer. Dit zijn kwalijke feiten. Verdachte heeft hiermee niet alleen schade aan de bus toegebracht maar ook een bijzonder bedreigende situatie gecreëerd voor zijn broers én de omstanders die op dat moment op straat liepen. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte na de vernieling van de bus en de bedreiging van zijn broer nog enige tijd op straat rondloopt met het mes in zijn handen, terwijl hij hier zwaaiende en stekende bewegingen mee maakt. Hierop reageren omstanders zichtbaar geschokt. Verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de gevolgen voor anderen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van
20 oktober 2025 waaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank stelt vast dat in de gelijktijdig behandelde maar niet gevoegde strafzaak (parketnummer 05/408450-24 e.a.) een NIFP-rapportage is uitgebracht waarin geconcludeerd is dat er bij verdachte sprake was van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Uit wat ter zitting ook in deze zaak hierover besproken is, volgt dat er verdachte een aantal stoornissen heeft die ervoor zorgen dat hij de gevolgen van zijn handelen moeilijk kan overzien. De rechtbank ziet daarin aanleiding om ook in deze strafzaak uit te gaan van verminderde toerekeningsvatbaarheid bij verdachte.
De rechtbank is van oordeel gelet op wat hiervoor is overwogen over de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plek is. Een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging bepleit, doet hier onvoldoende recht aan. De rechtbank houdt in de hoogte van de gevangenisstraf wel in matigende zin rekening met het feit dat in de gelijktijdig behandelde, maar niet gevoegde, strafzaak (parketnummer 05/408450-24 e.a.) een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege is opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 1 maand, met de aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, passend en geboden.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. C.J.M. Vijftigschild, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juli 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024561535, gesloten op 30 november 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 11 en 12.
3.Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 36
4.Het proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 2] , p. 28.
5.Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 36
6.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 61.