ECLI:NL:RBGEL:2026:5649

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
05.296461.25 en 10/256360-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 47 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor gewapende overval met gedragsbeïnvloedende maatregel

Op 5 november 2025 pleegde de jeugdige verdachte samen met een medeverdachte een gewapende overval op een juwelierszaak in Zevenaar. Zij waren gemaskerd en bewapend met een vuurwapen en pepperspray, waarbij het slachtoffer werd bespoten en geduwd. De verdachte nam sieraden weg en vernielde vitrines.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan diefstal met geweld in vereniging en het bezit van een vuurwapen van categorie III. Het bezit van pepperspray kon niet worden bewezen. Verdachte werd vrijgesproken van dit laatste feit.

Gezien de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen en de vastgestelde gedragsstoornis, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 87 dagen op, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd een gedragsbeïnvloedende maatregel van 12 maanden opgelegd, inclusief behandeling, begeleiding, dagbesteding, locatie- en contactverbod. Tevens werd een leerstraf van 40 uur en een werkstraf van 80 uur opgelegd ter uitvoering van een eerdere voorwaardelijke straf. De maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 87 dagen jeugddetentie, 12 maanden gedragsbeïnvloedende maatregel, leerstraf en werkstraf wegens gewapende overval met geweld en wapenbezit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/296461-25; 10/256360-24 (tul)
Datum uitspraak : 14 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. J.G.. Roethof, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 5 november 2025 te Zevenaar,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of de firma [bedrijf] , in elk
geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [aangever] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om
die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door gemaskerd met gezichtsbedekking en/of een helm en/of ingetapete polsen
en/of handschoenen dragend en/of bewapend met een vuurwapen, althans een op
een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of met pepperspray en/of een hamer die
juwelierszaak binnen te gaan en/of die [aangever] voornoemd te sprayen met die
pepperspray en/of door dreigend dat vuurwapen te richten op, althans te tonen aan
die [aangever] voornoemd en/of door de vitrines waarin de sieraden ten toon gesteld
lagen kapot te slaan met die hamer en/of door die [aangever] voornoemd te slaan en/of
te duwen waardoor deze ten val is gekomen;
2.
hij op of omstreeks 5 november 2025 te Zevenaar,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een getransformeerde alarmrevolver, van het merk Olympic 38, kaliber .22
long rifle en/of bijbehorende munitie,
te weten 4 kogelpatronen van het kaliber .22 long rifle,
zijnde de alarmrevolver een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of
pistool,
voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 5 november 2025 te Zevenaar,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie,
te weten pepperspray,
zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige,
verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen
heeft gedragen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Feit 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Hij heeft daarbij opgemerkt dat niet kan worden bewezen dat de juwelier met de hamer op het hoofd is geslagen en heeft de rechtbank gevraagd verdachte vrij te spreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 64 – 66;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juni 2026.
De rechtbank overweegt het volgende over deze onderdelen van de tenlastelegging:
  • het dreigend richten van het vuurwapen op [aangever] of te tonen;
  • en het slaan van [aangever] .
Deze handelingen blijken onvoldoende uit het dossier. De rechtbank spreekt verdachte daarom wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs vrij van deze onderdelen.
Feit 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf ( [adres] ), p. 87 - 89;
- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 108 – 109;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juni 2026.
Feit 3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit.
Beoordeling door de rechtbank
Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte op enig moment het aangetroffen busje pepperspray in zijn bezit heeft gehad. De rechtbank spreekt verdachte daarom van dit feit vrij.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks5 november 2025 te Zevenaar,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,een hoeveelheid sieraden,
in elk geval enig goed,dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of de firma [bedrijf] ,
in elkgeval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en
/ofgevolgd van geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen die [aangever] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om
die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door gemaskerd met gezichtsbedekking en
/ofeen helm en
/ofingetapete polsen
en
/ofhandschoenen dragend en
/ofbewapend met een vuurwapen,
althans een opeen vuurwapen gelijkend voorwerpen
/ofmet pepperspray en
/ofeen hamer die
juwelierszaak binnen te gaan en
/ofdie [aangever] voornoemd te sprayen met die
pepperspray
en/of door dreigend dat vuurwapen te richten op, althans te tonen aandie [aangever] voornoemden
/ofdoor de vitrines waarin de sieraden ten toon gesteld
lagen kapot te slaan met die hamer en
/ofdoor die [aangever] voornoemd
te slaan en/ofte duwen waardoor deze ten val is gekomen;
2.
hij op
of omstreeks5 november 2025 te Zevenaar,
tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een getransformeerde alarmrevolver, van het merk Olympic 38, kaliber .22
long rifle en
/ofbijbehorende munitie,
te weten 4 kogelpatronen van het kaliber .22 long rifle,
zijnde de alarmrevolver, een vuurwapen in de vorm van een
geweer,revolver
en/ofpistool,
voorhanden heeft gehad;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van de straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
  • een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, met aftrek;
  • de leerstraf So-Cool Regulier;
  • een gedragsbeïnvloedende maatregel die inhoudt dat verdachte meewerkt aan begeleiding door een jeugdcoach bij E25, meewerkt aan traumabehandeling bij E25, meewerkt aan systeemtherapie bij E25, het hebben van dagbesteding, een locatieverbod voor Zevenaar en een contactverbod met slachtoffer [aangever] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht een straf op te leggen gelijk aan de eis van de officier van justitie.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 1 juni 2026;
  • de Pro Justitia NIFP rapportage van 19 maart 2026, opgesteld door S.L. Ladan, GZ-psycholoog;
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 24 juni 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is twee keer eerder veroordeeld door de rechtbank Rotterdam. Verdachte is op 3 december 2025 veroordeeld voor het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing met gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Op 27 augustus 2025 is verdachte veroordeeld voor het overtreden van de Wet wapens en munitie.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in november 2025 schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een goudinkoop. Verdachte ging die dag samen met een medeverdachte naar het centrum van Zevenaar. Daar liepen zij gemaskerd en bewapend met een vuurwapen en pepperspray de winkel binnen. De medeverdachte had pepperspray bij zich en spoot daarmee in het gezicht van de winkeleigenaar. Ook werd de eigenaar door beide verdachten geduwd. De verdachten sloegen vitrines kapot en hebben sieraden gepakt. Daarna renden zij de winkel uit. Op straat werden zij aangehouden door omstanders en een politieagent in zijn vrije tijd.
Verdachte ging die dag kennelijk enkel uit van zijn eigen (financiële) gewin en dacht niet aan de gevolgen voor het slachtoffer. Dergelijk gewelddadig optreden wordt door slachtoffers in het algemeen als zeer ingrijpend ervaren en heeft voor hen gewoonlijk grote nadelige psychische gevolgen. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het feit ook een grote impact op het slachtoffer heeft gehad. Dit soort feiten veroorzaken daarnaast ook gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij en bij omstanders die getuige zijn geweest. De rechtsorde raakt ernstig geschokt door dergelijke feiten. Dit alles neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
Het advies van de deskundigen
Verdachte is door een psycholoog onderzocht. Deze deskundige heeft bij verdachte een normoverschrijdende gedragsstoornis vastgesteld. Ook is sprake van ouder-kindrelatieproblemen. Verdachte laat hierdoor gedragsproblemen zien en vertoont zelfbepalend gedrag. Dit speelde ook ten tijde van de feiten. Ook had verdachte voorafgaand aan de feiten ruzie met zijn moeder. Zonder haar toezicht gaat hij nog meer zijn eigen gang en maakt hij keuzes waar hij onvoldoende over nadenkt. Dit beperkt verdachte op zo’n moment in zijn gedragskeuzes. Daarom adviseert de deskundige de feiten in enigszins verminderde mate toe te rekenen. Zonder begeleiding of behandeling is het risico op herhaling matig tot hoog. De deskundig adviseert daarom om de behandeling bij E25 voort te zetten. Ook is individuele behandeling nodig zoals EMDR, een delictanalyse en systeembehandeling die ziet op de relatie met zijn moeder en eventueel oma. Begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van ITB Harde Kern is nodig om voldoende zicht op verdachte te houden. Verdachte heeft een duidelijke structuur nodig en een stevige stok achter de deur. De deskundige adviseert daarom om dit alles in het kader van een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) aan verdachte op te leggen. Zo heeft verdachte ook een mogelijkheid om snel terug in een JJI geplaatst te worden als het toch misgaat.
Een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel is nu nog te intensief. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) kan zich vinden in het advies van de psycholoog. Naast de GBM adviseert de Raad ook de leerstraf So-Cool regulier op te leggen.
Conclusies van de rechtbank
De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige over en rekent de feiten daarom in enigszins verminderde mate aan de verdachte toe.
Al het voorgaande in ogenschouw nemende is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, zodanig zijn dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden is. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot 87 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd dat verdachte in voorarrest heeft gezeten. Dat betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de JJI, omdat hij dit deel van de straf al in voorarrest heeft uitgezeten.
Net zoals de deskundige en de Raad ziet de rechtbank naast de oplegging van jeugddetentie de noodzaak van behandeling en begeleiding voor verdachte om recidive te voorkomen. Verdachte is al tweemaal eerder voor forse feiten veroordeeld. De eerder opgelegde straffen (werkstraf en (on)voorwaardelijke jeugddetentie) hebben hem er niet van weerhouden om opnieuw een fors strafbaar feit te plegen. Verdachte heeft langdurige intensieve begeleiding nodig en strakke kaders. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat een GBM noodzakelijk en in het belang van verdachte is.
Gelet op de grote zorgen die er over verdachte zijn, het hoge recidiverisico en de noodzaak om verdachte langdurig te begeleiden, vindt de rechtbank dat de GBM twaalf maanden moet duren. De rechtbank sluit voor wat betreft de inhoud van de GBM aan bij dat wat de deskundige, de jeugdreclassering en Raad voor de Kinderbescherming hebben geadviseerd. Dat betekent dat verdachte zich moet laten begeleiden en behandelen door E25 (systeemtherapie, traumabehandeling en begeleiding door een jeugdcoach). Ook moet verdachte meewerken aan het hebben en behouden van zinvolle dagbesteding en mag hij geen contact zoeken met het slachtoffer [aangever] en medeverdachte [medeverdachte] of zich in Zevenaar bevinden.
De rechtbank legt, voor het geval dat verdachte niet naar behoren meewerkt aan de genoemde voorwaarden, een vervangende jeugddetentie voor de duur van 6 maanden op. De rechtbank vindt deze forse stok achter de deur noodzakelijk om te zorgen dat verdachte gemotiveerd blijft om zich aan de voorwaarden van de maatregel te houden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank ziet daarnaast ook aanleiding om ambtshalve de dadelijke uitvoerbaarheid van de GBM te bepalen. Zoals overwogen heeft verdachte ondanks eerdere veroordelingen voor geweldsfeiten opnieuw een fors strafbaar feit gepleegd. Er moet daarom ernstig rekening mee worden gehouden dat hij dat opnieuw zal doen. Daarom bepaalt de rechtbank dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is.
Leerstraf
Naast de GBM, vindt de rechtbank dat door de Raad voldoende is gemotiveerd waarom ook de leerstraf So-Cool Regulier nodig is. Deze leerstraf richt zich onder
andere op het leren herkennen van emoties en positieve en negatieve gedachten bij
zichzelf en anderen. Ook wordt gewerkt aan het omgaan met groepsdruk en assertief
gedrag. Dit zijn vaardigheden die verdachte volgens de rechtbank nog moet aanleren dan wel verbeteren. De rechtbank legt daarom ook de leerstraf So-Cool Regulier (40 uren) aan verdachte op.
Tot slot
De rechtbank ziet geen aanleiding om over te gaan tot oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v Sr (en zoals is verzocht door slachtoffer [aangever] ). De rechtbank is van oordeel dat een contact- en locatieverbod als voorwaarden bij de GBM voldoende is.
De rechtbank zal, gelet op de voorgaande beslissingen, het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
Beslag
Volgens de officier van justitie ligt er beslag op een scooter. De rechtbank heeft in het dossier geen kennisgeving van inbeslagname of een beslaglijst aangetroffen. Wel blijkt uit het dossier voldoende dat bij de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachte een zogenaamde spookscooter is aangetroffen en in beslag is genomen door de politie. Deze scooter diende bij de strafbare feiten als vluchtscooter en is een niet geregistreerde scooter die van verschillende onderdelen van andere scooters is gemaakt. Het ongecontroleerde bezit van die scooter is in strijd met het algemeen belang en de wet. Daarom onttrekt de rechtbank deze scooter aan het verkeer.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 10/256360-24)

De rechtbank Rotterdam heeft verdachte bij uitspraak van 3 december 2024 veroordeeld tot een jeugddetentie van 120 dagen met aftrek waarvan 80 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de vordering af te wijzen. Toewijzen en omzetten van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf zal kunnen zorgen voor overvraging bij verdachte en dat zal de prille positieve ontwikkelingen doorkruisen.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft al meerdere waarschuwingen gehad. Desondanks heeft hij zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Dit strafbare gedrag moet een consequentie hebben vindt de rechtbank. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zal echter de positieve ontwikkelingen van verdachte doorkruisen en het risico op recidive alleen maar verhogen. Een forse werkstraf zal verdachte mogelijk overvragen terwijl de rechtbank het van groot belang vindt dat de begeleiding en behandeling van verdachte door blijven gaan. Daarom zal de rechtbank een deel van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie ten uitvoer leggen en omzetten naar een werkstraf. Van de 80 dagen voorwaardelijke jeugddetentie zal de rechtbank 40 dagen ten uitvoerleggen en omzetten naar 80 uren werkstraf.
Verdachte moet dus 80 uren werken en 40 dagen jeugddetentie blijven als voorwaardelijke straf staan.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77w, 77wa, 77wc en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van feit 3;
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentievoor de duur van
87 dagen;
 beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht
(87 dagen)bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;
en
 legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van twaalf maanden, die bestaat uit dat verdachte gedurende de maatregel:
- zich laat behandelen en begeleiden door E25 of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op traumabehandeling (EMDR), systeemtherapie en begeleiding door een jeugdcoach;
- meewerkt aan het hebben en behouden van zinvolle dagbesteding, te bepalen door de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
- zich niet bevindt in de plaats Zevenaar, voor zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:
[aangever], geboren op [geboortedag] 1979, en medeverdachte, [medeverdachte] , geboren op [geboortedag] 2005, tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de jeugdreclassering en daarbij de aanwijzingen van de jeugdreclassering worden opgevolgd;
 waarbij wordt bepaald dat de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel tot taak heeft;
 beveelt, voor het geval de verdachte niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van
zes maanden;
 beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel
dadelijk uitvoerbaaris;
en
 legt aan verdachte op
een leerstraf, te weten
So-Cool Regulier (40 uren)met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
20 dagen;

heft ophet geschorste bevel tot
voorlopige hechtenis;
Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging
 gelast -
de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2024:
te weten 40 dagen jeugddetentie, die wordt omgezet in een taakstraf in de vorm van een werkstrafvan
80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
40 dagen.
Beslissing op beslag
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de mede onder verdachte in beslag genomen ‘spookscooter’.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Bril (voorzitter en kinderrechter), mr. G.M.L. Tomassen en
mr. T.M.A. Arts, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Duis-van Grol, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juli 2026.
De griffier is buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025536391, onderzoek HEITJE / ON4R025102, gesloten op 23 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.