ECLI:NL:RBGEL:2026:5647

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
05/296372-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens gewapende diefstal in vereniging en wapenbezit met voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 5 november 2025 pleegde verdachte samen met een medeverdachte een gewapende overval op een juwelierszaak in Zevenaar. Zij waren gemaskerd en bewapend met een vuurwapen, pepperspray en een hamer. Verdachte sprayte pepperspray in het gezicht van de winkeleigenaar, sloeg en duwde hem, en sloeg vitrines kapot om sieraden te stelen. Op straat werden zij aangehouden door omstanders en een politieagent.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan diefstal met geweld in vereniging, het bezit van een getransformeerde alarmrevolver (categorie III wapen) met munitie, en het dragen van pepperspray (categorie II wapen). Verdachte bekende de feiten, maar werd vrijgesproken van onderdelen waarvoor onvoldoende bewijs was.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op het slachtoffer, en de maatschappelijke onveiligheid die dergelijke delicten veroorzaken. Tegelijkertijd werd meegewogen dat verdachte jong was, een blanco strafblad had, spijt betuigde en gemotiveerd was voor behandeling van zijn PTSS en middelenproblematiek. De deskundigen adviseerden toepassing van het meerderjarigenstrafrecht met een deels voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 2 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en legde een taakstraf van 120 uur op. De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen, contact- en locatieverboden, en controle op middelengebruik. De tijd in voorlopige hechtenis wordt op de straf in mindering gebracht.

Daarnaast werd een inbeslaggenomen spookscooter, gebruikt als vluchtscooter, onttrokken aan het verkeer. De rechtbank zag geen aanleiding voor dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden of een vrijheidsbeperkende maatregel, omdat de voorwaardelijke straf en voorwaarden voldoende bescherming bieden aan het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, en 120 uur taakstraf met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/296372-25
Datum uitspraak : 14 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2005 op [geboorteplaats] ,
wonend aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. C.H.J. van Dooijeweert, advocaat in Barneveld.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 5 november 2025 te Zevenaar,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of de firma [bedrijf] , in elk
geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [aangever] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om
die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door gemaskerd met gezichtsbedekking en/of een helm en/of ingetapete polsen
en/of handschoenen dragend en/of bewapend met een vuurwapen, althans een op
een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of met pepperspray en/of een hamer die
juwelierszaak binnen te gaan en/of die [aangever] voornoemd te sprayen met die
pepperspray en/of door dreigend dat vuurwapen te richten op, althans te tonen aan
die [aangever] voornoemd en/of door de vitrines waarin de sieraden ten toon gesteld
lagen kapot te slaan met die hamer en/of door die [aangever] voornoemd te slaan en/of
te duwen waardoor deze ten val is gekomen;
2.
hij op of omstreeks 5 november 2025 te Zevenaar,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een getransformeerde alarmrevolver, van het merk Olympic 38, kaliber .22
long rifle en/of bijbehorende munitie,
te weten 4 kogelpatronen van het kaliber .22 long rifle,
zijnde de alarmrevolver een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool,
voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 5 november 2025 te Zevenaar,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie,
te weten een busje pepperspray,
zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen
heeft gedragen.
2. Overwegingen over het bewijs [1]
FEIT 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met geweld in vereniging. Hij heeft daarbij opgemerkt dat niet kan worden bewezen dat de juwelier met de hamer op het hoofd is geslagen en heeft de rechtbank gevraagd verdachte vrij te spreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gesteld dat zij zich kan voorstellen dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 komt. Zij heeft de rechtbank verzocht verdachte partieel vrij te spreken van het ‘dreigend een vuurwapen richten op of tonen aan [aangever] ’ en het ‘slaan en/of duwen van [aangever] waardoor hij ten val is gekomen’.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 64 – 66;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 30 juni 2026.
De rechtbank overweegt het volgende over deze onderdelen van de tenlastelegging:
  • het dreigend richten van het vuurwapen op [aangever] of te tonen;
  • en het slaan van [aangever] .
Deze handelingen blijken onvoldoende uit het dossier. De rechtbank spreekt verdachte daarom wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs vrij van deze onderdelen.
FEIT 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde wapenbezit en munitie in dat wapen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder 2 bewezen kan worden.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf ( [adres] ), p. 87-89;
  • het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 108-109;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 30 juni 2026.
FEIT 3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde bezit van pepperspray.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder 3 bewezen kan worden.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 65;
  • het proces-verbaal forensisch onderzoek ( [adres] ), p. 88, 89 en 103;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 30 juni 2026.

3.De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten/het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
1.
hij op
of omstreeks5 november 2025 te Zevenaar,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,
een hoeveelheid sieraden,
in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of de firma Gou
dInkoop Flor
in,
in elk
geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en
/ofgevolgd van geweld en
/of
bedreiging met geweld tegen die [aangever] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om
die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door gemaskerd met gezichtsbedekking en
/ofeen helm en
/ofingetapete polsen
en
/ofhandschoenen dragend en
/ofbewapend met een vuurwapen,
althans een op
een vuurwapen gelijkend voorwerpen
/ofmet pepperspray en
/ofeen hamer die
juwelierszaak binnen te gaan en
/ofdie [aangever] voornoemd te sprayen met die
pepperspray
en/of door dreigend dat vuurwapen te richten op, althans te tonen aan
die [aangever] voornoemden
/ofdoor de vitrines waarin de sieraden tentoongesteld
lagen kapot te slaan met die hamer en
/ofdoor die [aangever] voornoemd
te slaan en/of
te duwen waardoor deze ten val is gekomen;
2.
hij op
of omstreeks5 november 2025 te Zevenaar,
tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een getransformeerde alarmrevolver, van het merk Olympic 38, kaliber .22
long rifle en
/ofbijbehorende munitie, te weten 4 kogelpatronen van het kaliber .22 long rifle,
zijnde de alarmrevolver een vuurwapen in de vorm van een
geweer,revolver
en/of pistool,
voorhanden heeft gehad;
3.
hij op
of omstreeks5 november 2025 te Zevenaar,
tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen,
een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie,
te weten een busje pepperspray,
zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen heeft gedragen.
De rechtbank heeft taal- of schrijffouten in de tenlastelegging verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn belang geschaad.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 3:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte onder toepassing van het sanctierecht voor volwassenen wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De officier van justitie eist daarbij een proeftijd van 3 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden te bevelen. Ook heeft de officier van justitie de rechtbank gevraagd te bepalen dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht van de op te leggen gevangenisstraf wordt afgetrokken.
Daarnaast heeft de officier van justitie een contactverbod met aangever en de medeverdachte geëist en een locatieverbod voor Zevenaar, met uitzondering van het station in Zevenaar als verdachte op doorreis is naar zijn vader.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank gevraagd om te volstaan met het opleggen van een vrijheidsstraf die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Ze heeft erop gewezen dat verdachte kwetsbaar en verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten. Verdachte is gemotiveerd om mee te werken aan het plan dat is opgesteld door de reclassering. De raadsvrouw kan zich voorstellen dat een forse voorwaardelijke straf wordt opgelegd aan verdachte als stok achter de deur én om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen. Tot slot heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat verdachte het verzoek van aangever om aan verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen begrijpt. Verdachte is bereid zich hieraan en aan een contactverbod met de medeverdachte te houden.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 14 januari 2026 (het strafblad),
  • het NIFP-rapport van 26 januari 2026 van dr. M. ten Berge (GZ-psycholoog),
  • het rapport van Reclassering Nederland van 10 juni 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in november 2025 schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een goudinkoop. Verdachte ging die dag samen met een medeverdachte naar het centrum van Zevenaar. Daar liepen zij gemaskerd en bewapend met een vuurwapen, pepperspray en een hamer de winkel binnen. Verdachte spoot pepperspray in het gezicht van de winkeleigenaar. Ook werd de eigenaar door de beide verdachten geduwd. Verdachte en de medeverdachte sloegen vitrines kapot en hebben sieraden gepakt. Daarna renden zij de winkel uit. Op straat werden zij aangehouden door omstanders en een politieagent in zijn vrije tijd. Verdachte heeft verklaard dat hij in de periode voorafgaand aan de overval niet goed in zijn vel zat en heel angstig was. Hij wilde een nieuwe start maken op een andere plek en had daar geld voor nodig. Uit die verklaring volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte alleen uitging van zijn eigen (financiële) gewin en niet nadacht over de gevolgen voor het slachtoffer. Dergelijk gewelddadig optreden wordt door slachtoffers in het algemeen als zeer ingrijpend ervaren en heeft voor hen gewoonlijk grote nadelige psychische gevolgen. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het feit ook een grote impact op het slachtoffer heeft gehad. Dit soort feiten veroorzaken daarnaast ook gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij en bij omstanders die getuige zijn geweest. De rechtsorde raakt ernstig geschokt door dergelijke feiten. Dit alles neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
De rechtbank overweegt dat verdachte spijt heeft betuigd en dat hij inziet dat hij verkeerde keuzes heeft gemaakt. Verdachte is gemotiveerd om een nieuwe start te maken zodra hij vrijkomt en ziet inmiddels het belang in van behandeling van zijn trauma. De rechtbank weegt dit mee in het voordeel van verdachte.
Het advies van de deskundigen
Verdachte is onderzocht door een psycholoog. Deze deskundige heeft gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van PTSS, enige scheefgroei in de sociaal-emotionele/persoonlijkheids-ontwikkeling en middelenproblematiek. Dit was ook zo ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De problematiek van verdachte lijkt een rol te hebben gespeeld bij het ten laste gelegde. De deskundige adviseert de rechtbank om verdachte het ten laste gelegde in enigszins verminderde mate toe te rekenen.
Op basis van de risicotaxatie-instrumenten in combinatie met de klinische indruk van de deskundige wordt de kans op gewelddadig gedrag bij onbehandelde problematiek (PTSS) als matig ingeschat. De deskundige verwachte dat bij een adequate ambulante behandeling van de PTSS-klachten en begeleiding bij het opnieuw vormgeven van het dagelijks leven de kans op gewelddadig of delinquent gedrag effectief wordt beperkt. De deskundige adviseert de rechtbank om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen en verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.
Net als de NIFP-rapporteur, adviseert de reclassering om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Uit het onderzoek komt naar voren dat bij verdachte geen sprake is van een ontwikkelingsachterstand of een verstandelijke beperking. Van pedagogische beïnvloeding vanuit de ouders van verdachte is geen sprake meer. De begeleiding en behandeling van verdachte hoeven geen pedagogische insteek te hebben, maar moeten gericht zijn op de PTSS-klachten, verdere ontwikkeling van adequate coping en het groeien van jongvolwassene naar volwassene. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachte, een locatieverbod, beheersing van het middelengebruik en het volgen van een opleiding en het hebben van een zinvolle dagbesteding in de vorm van onderwijs en/of werk. Hierbij wordt geadviseerd de reclassering opdracht te geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. De reclassering adviseert ook de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden, omdat de kans op een nieuw misdrijf met schade voor personen door haar als hoog wordt ingeschat.
Conclusies van de rechtbank
De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog om verdachte de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate toe te rekenen over en volgt het advies van de deskundigen om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank komt tot een lagere straf dan is opgenomen in de oriëntatiepunten voor de drie bewezenverklaarde feiten, omdat verdachte nog jongmeerderjarig was ten tijde van het plegen van de feiten en hij een blanco strafblad had. Daarnaast heeft hij zijn verantwoordelijkheid genomen door bij de politie te verklaren over de verdenking tegen hem en ook op de zitting openheid hierover te geven. Bovendien is hij gemotiveerd om een nieuwe start te maken en stelt hij zich meewerkend op ten aanzien van hulpverlening en reclassering. Alles overziend komt de rechtbank tot het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk. Aan de gevangenisstraf koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering, met een proeftijd van 3 jaar. Met het voorwaardelijk deel van de straf en de hieraan gekoppelde proeftijd brengt de rechtbank het belang van een goede behandeling en begeleiding van verdachte tot uitdrukking. Gelet op de ernst van de feiten legt de rechtbank naast de (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf ook een taakstraf op van 120 uur. De tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht moet van de gevangenisstraf worden afgetrokken.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De officier van justitie heeft de rechtbank (conform het advies van de deskundigen) gevraagd om de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen van de voorwaarden en het op te leggen toezicht. De rechtbank ziet hier geen aanleiding toe, gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de tijd die verdachte nog in (voorlopige) hechtenis zal verblijven.
Tot slot
De rechtbank ziet geen aanleiding om een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr) op te leggen, zoals is verzocht door slachtoffer [aangever] . De rechtbank is van oordeel dat een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden gekoppeld aan een forse voorwaardelijke gevangenisstraf voldoende waarborg zijn om ervoor te zorgen dat het slachtoffer niet meer met verdachte wordt geconfronteerd. Verdachte heeft overigens tijdens de zitting ook verklaard dat hij geen specifieke aanleiding had om juist deze juwelier te kiezen als slachtoffer en dat hij niets meer te zoeken heeft in (het centrum van) Zevenaar.

8.De beoordeling van het beslag

Volgens de officier van justitie ligt er beslag op een scooter. De rechtbank heeft in het dossier geen kennisgeving van inbeslagname of een beslaglijst aangetroffen. Wel blijkt uit het dossier voldoende dat bij de aanhouding van verdachte en de medeverdachte een zogenaamde spookscooter is aangetroffen en in beslag is genomen door de politie. Deze scooter diende bij de strafbare feiten als vluchtscooter en is een niet geregistreerde scooter die uit verschillende onderdelen van andere scooters is samengesteld.
De rechtbank zal beslissen dat de in beslag genomen scooter met behulp waarvan het onder 1 ten laste gelegde feit is begaan wordt onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26, 27, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot:
A.
een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur,
met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaar;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 1 (één) jaar niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten,
 stelt daarbij een proeftijd vast van 3 (drie) jaar onder de
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en
 stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte gedurende de proeftijd:
1. zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
2. zich laat behandelen binnen een forensisch psychiatrische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is o.a. gericht op psychotrauma klachten (bijvoorbeeld EMDR en cognitieve gedragstherapie), maar ook op middelenproblematiek;
3. verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
4. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:
- [medeverdachte] , geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ;
- [aangever] , geboren op [geboortedag] 1979;
tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd;
5. zich niet bevindt op het Raadhuisplein, in de Grietsestraat, de Didamsestraat en/of de Marktstraat in Zevenaar;
6. een opleiding volgt of een andere zinvolle dagbesteding in de vorm van onderwijs en/of werk heeft;
7. meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) van de Opiumwet en alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als
voorwaardendat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen scooter.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter), mr. A. Bril en mr. T.M.A. Arts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juli 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025536391, onderzoek HEITJE / ON4R025102, gesloten op 23 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.