ECLI:NL:RBGEL:2026:5629

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25/1714
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.104 lid 1 onder c BklArt. 8.74t lid 2 onder a BklArt. 8.104 lid 1 onder d BklArt. 8.74t lid 2 onder e BklArt. 284 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking jachtakte en weigering omgevingsvergunning wegens vrees voor misbruik na Duitse veroordeling

De zaak betreft de intrekking van de jachtakte van eiser en de weigering om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit te verlenen, nadat eiser in Duitsland onherroepelijk is veroordeeld voor het misdrijf dwang (Nötigung). De korpschef trok de jachtakte in en weigerde de vergunning, waarna de minister het administratief beroep van eiser afwees. De rechtbank constateerde in een tussenuitspraak een motiveringsgebrek en gaf de minister gelegenheid dit te herstellen.

De minister motiveerde vervolgens dat de intrekking en weigering gebaseerd zijn op het criterium 'vrees voor misbruik' zoals neergelegd in artikel 8.104 lid 1 onder c en artikel 8.74t lid 2 onder a van het Bkl, waarbij de Duitse veroordeling als grondslag dient. De rechtbank oordeelt dat dwang ook in Nederland strafbaar is en dat de Duitse veroordeling, die niet is bestreden, voldoende aanleiding geeft voor vrees voor misbruik. De door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden en de toepassing van een kortere terugkijktermijn worden door de rechtbank verworpen.

De rechtbank vernietigt de eerdere beslissing op het administratief beroep voor zover verkeerde wettelijke bepalingen zijn toegepast, maar laat de rechtsgevolgen van de intrekking en weigering in stand. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van eiser. De uitspraak bevestigt dat de minister de bevoegdheid heeft om op grond van vrees voor misbruik een jachtakte in te trekken en een vergunning te weigeren, ook op basis van een buitenlandse veroordeling die overeenkomt met een in Nederland strafbaar feit.

Uitkomst: De intrekking van de jachtakte en weigering van de omgevingsvergunning worden bevestigd op grond van vrees voor misbruik na een onherroepelijke Duitse veroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1714

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en

de minister van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: De Korpschef.

Samenvatting

1. De rechtbank oordeelt in deze einduitspraak dat de minister met de aanvullende motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. Het beroep is gegrond omdat er een motiveringsgebrek in de beslissing op het administratief beroep zit.
De beroepsgronden tegen de nadere motivering van de beslissing op het administratief beroep slagen niet. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van de beslissing op het administratief beroep in stand. Dat betekent dat de intrekking van de jachtakte van eiser en de weigering om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit aan eiser te verlenen in stand blijven.

Procesverloop

2. Op 15 maart 2024 heeft de korpschef de jachtakte van eiser ingetrokken. Ook heeft de korpschef geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor een jachtgeweeractiviteit.
2.1.
Met de beslissing van 14 maart 2025 op het administratief beroep van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op het administratief beroep. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
2.4.
De rechtbank heeft op 17 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan [1] . De rechtbank heeft geconstateerd dat sprake is van een gebrek in de beslissing op het administratief beroep. De rechtbank heeft overwogen dat:
“5.2. De beroepsgrond slaagt. In artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder d (bevoegdheid tot intrekking), en artikel 8.74t, tweede lid, onder e (bevoegdheid tot weigering), van het Bkl is niet bepaald dat een buitenlandse veroordeling gelijk wordt gesteld met een veroordeling in Nederland, voor zover het feit ook in Nederland strafbaar is gesteld. De tekst van deze artikelen biedt ook geen aanknopingspunten voor deze ruime uitleg, aangezien expliciet wordt verwezen naar de Nederlandse artikelen. De door de minister aangehaalde passage in de Cwm 2019, maakt dat niet anders. Deze passage ziet namelijk specifiek op de toepassing van de bevoegdheid tot intrekking en weigering vanwege de ‘vrees voor misbruik’.
5.3
Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat ook de vrees voor misbruik ten grondslag kan worden gelegd aan intrekking van de jachtakte en de weigering van de vergunning [2] , stelt de rechtbank vast dat de besluitvorming daar niet op is gebaseerd. Het primaire besluit, waarbij de jachtakte is ingetrokken en de nieuwe vergunning is geweigerd, is namelijk uitsluitend gebaseerd op artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder d (bevoegdheid tot intrekking), respectievelijk artikel 8.74t, tweede lid, onder e (bevoegdheid tot weigering), van het Bkl. Weliswaar heeft de korpschef in het verweerschrift hangende het administratieve beroep betwijfeld of een veroordeling in Duitsland bij de toepassing van deze artikelen aanleiding kan geven voor de intrekking en de weigering en is deze daarbij ook ingegaan op de vrees voor misbruik, maar de grondslag van het primaire besluit is hangende het administratief beroep niet aangepast. De minister heeft de grondslag vervolgens ook niet (in elk geval niet expliciet) aangepast in het besluit op het administratief beroep. Ook is de minister daarin ingegaan op (het kader met betrekking tot) de vrees voor misbruik, maar onvoldoende duidelijk is dat het besluit op het administratief beroep daar uiteindelijk mede op is gebaseerd. Ook tijdens de zitting is dit standpunt niet ingenomen.
5.3.1.
Daarnaast heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting verklaard dat in het besluit op het administratief beroep gewicht is toegekend aan het feit dat voor toekomstige aanvragen van eiser een terugkijktermijn zal worden gehanteerd van vier jaar7 (en niet van acht jaar, zoals de korpschef zou willen doen).8 Deze termijnen hebben betrekking op het kader dat van toepassing is op de beoordeling van de vrees voor misbruik. Dit zou betekenen dat de veroordeling in Duitsland bij een nieuwe aanvraag eiser niet langer zou worden tegengeworpen als op het moment van de nieuwe aanvraag inmiddels vier jaar zijn verstreken sinds die veroordeling. Ook dit standpunt kan de rechtbank niet plaatsen. Ten eerste is de genoemde termijn van vier jaar in het besluit op het administratief beroep alleen opgenomen onder het kopje “Wettelijk kader” en niet bij de beoordeling van het administratieve beroep. Hierdoor is onduidelijk welke betekenis daaraan is toegekend bij de beoordeling van het besluit van de korpschef door de minister. Daarnaast geldt dat überhaupt de vraag is wat de betekenis is van dit standpunt van de minister, aangezien de korpschef degene is die in eerste instantie zal moeten beslissen over een nieuwe aanvraag. Uit het besluit op het administratief beroep en dat wat op zitting naar voren is gebracht blijkt dan ook onvoldoende hoe de minister dit heeft willen betrekken bij de beoordeling van het besluit van de korpschef om de jachtakte van eiser in trekken en een nieuwe vergunning te weigeren. Het besluit is in zoverre ook onvoldoende gemotiveerd.”
2.5.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen. Op 7 mei 2026 heeft de minister de beslissing op het administratief beroep van 14 maart 2025 aangevuld met een aanvullende overweging.
2.6.
Eiser heeft bij brief van 8 juni 2026 gereageerd op de brief van de minister van 7 mei 2026. Deze reactie heeft geleid tot een nadere vraagstelling van de rechtbank van 9 juni 2026. In die brief staat onder andere:
“De rechtbank geeft de minister gelegenheid om te reageren op de brief van eiser van 8 juni 2026 en verzoekt de minister daarbij expliciet in te gaan op hetgeen eiser heeft gesteld over
rechtsoverweging 5.3.1. van de tussenuitspraak met betrekking tot de terugkijktermijn. Concreet vraagt de rechtbank of de minister het op de zitting ingenomen standpunt handhaaft of dat dit is verlaten. Indien de minister het standpunt handhaaft, wordt verzocht dit nader toe lichten.”
2.7.
De minister heeft bij brief van 26 juni 2026 gereageerd op de vraagstelling van de rechtbank.
2.8.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. [3]
4. In de brief van 7 mei 2026 heeft de minister de volgende aanvullende motivering opgenomen:
“Ik trek uw jachtakte in op grond van artikel 8.104 lid 1 onder c van het Bkl en ik weiger de aanvraag voor een nieuwe jachtakte op grond van artikel 8.74t lid 2 onder a van het Bkl. Ik meen dat er sprake is van grond danwel andere aanwijzingen op grond waarvan het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan u kunnen worden toevertrouwd. Deze aanwijzingen haal ik uit de veroordeling door het Ambtsgericht Merzig van 27 januari 2023. Op die datum bent u veroordeeld voor Nötigung. Uit het Duitse vonnis is mij gebleken dat u op 27 augustus 2022 in uw auto met hoge snelheid bent afgereden op de heer [betrokkene] en dat u plotseling, vlak voor hem met uw auto tot stilstand bent
gekomen. Om een aanrijding te voorkomen was de heer [betrokkene] genoodzaakt snel opzij te gaan. U deed dit omdat u het niet eens was met het gedrag van de heer [betrokkene] in uw jachtveld. Voorts lees ik dat er sprake is van drie getuigen. Ik heb geen redenen om te twijfelen aan de feiten en omstandigheden zoals die in het vonnis zijn geschetst. Een dergelijk misdrijf beschouw ik als een ernstige aantasting van de rechtsorde. Het vorenstaande is gelet op onderdeel B/1.2 van de Cwm 2019 en artikel 8.104 lid 1 onder c Bkl voldoende grondslag voor de conclusie dat er aanwijzingen zijn dat aan u het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd of grond als bedoeld in artikel 8.74t lid 2 onder a Bkl. Ik vul mijn beslissing van 14 maart 2025 naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank daarom als volgt aan, dat ik de intrekking van uw jachtakte en de weigering van de nieuw aangevraagde akte daarom op het criterium ‘vrees voor misbruik’ baseer, zoals uitgewerkt in artikel 8.104, eerste lid, onder c Bkl en artikel 8.74t lid 2 onder a Bkl.
Omdat de korpschef een onjuiste wettelijke bepaling aan de intrekking en weigering ten grondslag heeft gelegd en ik dat niet heb onderkend, vul ik de beslissing van 14 maart 2025 op dit punt aan met de juiste wettelijke bepalingen. Ik had op basis van de vermelding van het onjuiste wettelijke criterium uw administratief beroep op dit punt gegrond moeten verklaren. Dat doe ik in deze aanvullende beslissing alsnog. Ik laat mijn verdere beslissing van 14 maart 2025 in stand. Uit de tussenuitspraak van de rechtbank blijkt niet dat er nog een andere reden is voor het aanvullen van mijn beslissing. De overweging onder ad 3 van mijn beslissing van 14 maart 2025 wordt vervangen door bovenstaande overweging, waarin ik motiveer dat de Duitse veroordeling voor mij de grond en aanwijzing is dat er andere aanwijzingen zijn dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan u kan worden toevertrouwd.”
Daarnaast heeft de minister in de brief van 26 juni 2026 aangegeven dat:

“Vrees voor misbruik

In de aanvullende beslissing heb ik een aanvullende motivering opgenomen ten aanzien van de grondslag van de beslissing. Daarbij heb ik aangegeven welke feiten voor mij redengevend zijn geweest om vrees voor misbruik aan te nemen, namelijk het concreet door mij benoemde handelen van eiser ten opzichte van de heer [betrokkene] in het jachtveld en het strafrechtelijke gevolg daarvan voor eiser. Dit handelen is, gezien ook de veroordeling in Duitsland, niet gelijk te stellen aan een lichte overtreding waar een waarschuwing passend voor is, maar is een verwijt aan eiser op basis waarvan ik meen dat er sprake van vrees voor misbruik is. Ik ga dus voorbij aan de lezing die eiser van de feiten geeft en ondersteunende verklaringen.

Terugkijktermijn

Zoals uit mijn (aanvullend) besluit blijkt dient in dit geval aan de hand van onderdeel B/1.2 van de Cwm 2019 beoordeeld te worden of er sprake is van vrees voor misbruik van wapens en munitie. Uit het betreffende circulaire onderdeel blijkt dat vrees voor misbruik kan worden aangenomen wanneer sprake is van een geldboete wegens het plegen van een misdrijf binnen de afgelopen vier jaren. Die termijn van vier jaren is ook onder het wettelijk kader genoemd. Ik heb deze termijn bij mijn beslissing op het administratief beroep betrokken in die zin dat ik bij de beoordeling heb vastgesteld dat de veroordeling in Duitsland nog binnen deze termijn van vier jaren valt. Dat is derhalve de betekenis die ik in mijn besluit aan de termijn van vier jaren heb toegekend. In verband met de terugkijktermijn, heb ik ter zitting nog eens willen benadrukken dat bij een eventuele volgende aanvraag, die aanvraag ook beoordeeld zal moeten worden aan de hand van genoemd onderdeel van de Cwm. Voor wat betreft het in Duitsland gepleegde strafbare feit zal naar mijn oordeel dan ook een terugkijktermijn van vier jaren hebben te gelden en niet van acht jaren (de termijn waar de korpschef in het primaire besluit vanuit ging). Overigens is de beoordeling van die nieuwe aanvraag, zoals de rechtbank terecht stelt, in eerste instantie aan de korpschef. Het was niet mijn bedoeling om daar ter zitting op vooruit te lopen.”
5. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister het door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. Hierna zal de rechtbank ingaan op de beroepsgronden van eiser tegen de nadere gemotiveerde beslissing op het administratief beroep.
Vrees voor misbruik
6. Eiser voert aan dat geen sprake is van vrees voor misbruik. De minister heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarop de vrees voor misbruik is gebaseerd. Niet elke overtreding van de wet levert volgens de jurisprudentie direct vrees voor misbruik op. Volgens eiser moet de Duitse procedure worden aangemerkt als een waarschuwing. Volgens eiser is er ook te weinig rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en had er een kortere terugkijktermijn moeten worden toegepast.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Bij de invulling van het criterium ‘vrees voor misbruik’ heeft de korpschef beoordelingsruimte. Hierbij hanteert hij de Circulaire wapens en munitie 2019 (Cwm 2019) onderdeel B, paragraaf 1.2.. In die paragraaf staat dat een veroordeling in het buitenland wegens overtreding van een aldaar geldende strafbepaling, gelijkgesteld wordt met een veroordeling in Nederland voor zover het feit ook in Nederland strafbaar is gesteld. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser in Duitsland op 23 januari 2023 door het ambtsgericht Merzig is veroordeeld voor de overtreding van paragraaf 240 Abs 1, Abs 2 Strafgesetzbuch (StGB) (Nötigung), tot een voorwaardelijke geldboete van € 1.200,- met een proeftijd van één jaar. De rechtbank stelt vast dat dwang (Nötigung) ook in Nederland strafbaar is en als misdrijf wordt aangemerkt. Dit staat in artikel 284 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Dat voor het Nederlandse artikel een andere strafmaat geldt dan het vergelijkbare Duitse artikel doet daar niet aan af. Omdat eiser niet in hoger beroep is gegaan tegen de Duitse veroordeling moet van de veroordeling uitgegaan worden en bestaat er gelet op de Circulaire vrees voor misbruik. Daarom kan de rechtbank niet toekomen aan bespreking van de door eiser aangevoerde nuanceringen ten aanzien van de Duitse procedure.
6.2.
Voor zover eiser aanvoert dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule volgt de rechtbank dat niet. De minister heeft op grond van de Duitse veroordeling en de inhoud van het Duitse vonnis tot de conclusie kunnen komen dat het onder zich hebben van wapens of munitie niet aan eiser kan worden toevertrouwd zodat er geen toepassing hoefde te worden gegeven aan de hardheidsclausule.
6.3.
Dat volgens eiser alleen sprake zou zijn van een waarschuwing volgt de rechtbank niet. Op grond van § 59 StGB kan de Duitse rechter bij de veroordeling een waarschuwing geven als de opgelegde boete ten hoogste 180 daglonen is. Van die situatie is hier sprake. Eiser heeft een voorwaardelijke boete van 30 daglonen opgelegd gekregen. De voorwaardelijke boete kan niet worden aangemerkt als een waarschuwing.
6.4.
Voor zover er discussie bestaat over de lengte van toepassing zijnde terugkijktermijn merkt de rechtbank het volgende op. De minister heeft de grondslag van de intrekking van de jachtakte en de weigering om een omgevingsvergunning gewijzigd. Artikel 8.74t, tweede lid, onder 2 van het Bkl is daarom niet meer van toepassing. Hieruit volgt dat bij de beoordeling van de aangevraagde omgevingsvergunning geen sprake is van een terugkijktermijn van acht jaar zoals opgenomen in artikel 8.74t, tweede lid, onder 2 van het Bkl, maar van vier jaar zoals volgt uit onderdeel B, paragraaf 1.2. Ad a. sub c van de CWM 2019. Gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd en de voorgaande rechtsoverwegingen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er een kortere terugkijktermijn dan vier jaar had moeten worden toegepast.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt de beslissing op het administratief beroep van 14 maart 2025 en de wijziging daarop van 7 mei 2026 voor zover aan de intrekking van de jachtakte van eiser en de weigering om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit de verkeerde artikelen van het Bkl ten grondslag zijn gelegd. Omdat de minister in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op het administratief beroep van 14 maart 2025 en de wijziging daarop van 7 mei 2026 in stand.
7.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet die vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend: 1 punt voor het beroepschrift in het administratief beroep en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting met een waarde van € 666,- per punt, 1 punt voor het beroepschrift in de voorliggende beroepsprocedure, 1 punt voor het verschijnen bij de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde van € 934,- per punt. De vergoeding bedraagt dus in totaal € 3.667.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing op het administratief beroep van 14 maart 2025 en de wijziging daarop van 7 mei 2026 voor zover aan de intrekking van de jachtakte van eiser en de weigering om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit de verkeerder artikelen van het Bkl ten grondslag zijn gelegd;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van de beslissing op het administratief beroep in stand blijven;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 3.667;
  • draagt de minister op de door eiser betaalde griffiekosten van € 194 aan hem te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen
6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

2.op grond van artikel 8.104, tweede lid, sub c van het Bkl en artikel 8.74t, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bkl.
3.Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.