ECLI:NL:RBGEL:2026:5612

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
ARN 26/3002
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens wonen in bedrijfsgebouw

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een last onder dwangsom die hem is opgelegd omdat hij in een bedrijfsgebouw op zijn perceel woont. De voorzieningenrechter heeft het verzoek buiten zitting behandeld en gelet op de spoedige behandeling van de bodemzaken besloten het verzoek toe te wijzen.

De voorzieningenrechter overweegt dat het belang van verzoeker bij het afwachten van de bodemprocedure zwaarder weegt dan het belang van het college bij handhaving van de dwangsom. Ook is rekening gehouden met proceseconomische redenen en beperkte zittingscapaciteit in de zomerperiode.

De last onder dwangsom wordt met terugwerkende kracht geschorst, waardoor verzoeker tot nu toe geen dwangsommen heeft verbeurd. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van verzoeker.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter M. Duifhuizen en is openbaar gemaakt zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de last onder dwangsom wordt met terugwerkende kracht geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3002

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F.L.P. Vulto),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de aan hem opgelegde last onder dwangsom wegens het wonen in een bedrijfspand op zijn perceel aan de [adres] in [woonplaats] .
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter (anders dan eerder aan partijen gecommuniceerd) uitspraak zonder zitting. [1] De zitting van 15 juli 2026 komt daarom te vervallen.
1.2.
De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Naast het beroep tegen de opgelegde last onder dwangsom, heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de geweigerde omgevingsvergunning om het bedrijfsgebouw als pre-mantelzorgwoning te mogen gebruiken. De voorzieningenrechter is er vorige week bekend mee geworden dat de rechtbank voornemens is om deze beide beroepszaken op korte termijn, namelijk eind september dan wel begin oktober, gelijktijdig op zitting te behandelen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft, mede naar aanleiding van deze nieuwe informatie, besloten om verzoek om een voorlopige voorziening niet op zitting te behandelen en het verzoek buiten zitting toe te wijzen. Het belang van verzoeker bij het afwachten van de uitkomst van deze bodemzaken acht de voorzieningenrechter namelijk groter dan het belang van het college bij het blijven controleren of dwangsommen zijn verbeurd. De voorzieningenrechter heeft daarbij in aanmerking genomen dat de behandeling van deze beroepen, ook in vergelijking met de doorlooptijden bij de rechtbank in andere zaken, snel plaatsvindt en het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter maar beperkt nadeel ondervindt van het (met terugwerkende kracht) schorsen van deze last onder dwangsom.
2.2.
De beslissing om de zaak alsnog buiten zitting af te doen, ondanks dat de uitnodigingen voor een zitting al waren verstuurd, is daarnaast ingegeven vanuit proceseconomische redenen en het feit dat er in de zomer(vakantie) maar beperkte zittingscapaciteit is voor het behandelen van verzoeken om voorlopige voorzieningen. De rechtbank houdt deze ruimte graag vrij voor zaken die zeer spoedeisend zijn, en die zich niet lenen voor een uitspraak buiten zitting.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit met terugwerkende kracht. Dat betekent dat verzoeker tot nu toe nog geen dwangsommen heeft verbeurd.
3.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het betaalde griffierecht ter hoogte van € 200,- aan verzoeker vergoeden. Ook moet het college de proceskosten van verzoeker vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een verzoekschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. De proceskostenvergoeding bedraagt daarom € 934,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit met terugwerkende kracht;
- bepaalt dat het college het door verzoeker betaalde griffierecht ter hoogte van € 200,- moet vergoeden;
- veroordeelt het college in de door verzoeker gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is
verhinderd om deze
uitspraak mede te
ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.