ECLI:NL:RBGEL:2026:5527

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
ARN 26/3241
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken besluit WMO-plaatsing

Verzoeker, met ernstige psychiatrische problematiek en zonder vaste woon- en verblijfplaats, wenst plaatsing op de kob-afdeling van een kliniek in het kader van een WMO-voorziening. De curator heeft de gemeente Arnhem gevraagd om deze plaatsing mogelijk te maken. Het wijkteam Arnhem heeft per e-mail op 25 juni 2026 aangegeven dat plaatsing op dit moment niet mogelijk is.

Verzoeker maakte bezwaar tegen dit e-mailbericht en diende een verzoek om voorlopige voorziening in, stellende dat het e-mailbericht als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat het e-mailbericht geen besluit is omdat het geen rechtsgevolg heeft; het betreft een mededeling dat nog onderzoek plaatsvindt en meerdere opties worden overwogen.

Na behandeling van het verzoek op 2 juli 2026 en het bestuderen van aanvullende informatie, waaronder een verzoek om heropening van het onderzoek, blijft de voorzieningenrechter bij zijn oordeel. Bovendien heeft de gemeente toegezegd de plaatsing te financieren, waardoor het spoedeisend belang ontbreekt.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en ziet geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het e-mailbericht geen besluit is en er geen spoedeisend belang bestaat.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3241

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(curator: [curator] )
(gemachtigde: mr. M. Shaaban),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het e-mailbericht van het wijkteam Arnhem van 25 juni 2026, waarin is gereageerd op de vraag van verzoeker of een plaatsing bij de kob-afdeling van [kliniek] in het kader van een WMO-voorziening mogelijk is. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit e-mailbericht en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Bij verzoeker is sprake van ernstige psychiatrische problematiek. Er is een zorgmachtiging toegekend en hij krijgt depotmedicatie. Verzoeker heeft geen vaste woon- en verblijfplaats. Hij wil op dit moment niet meewerken aan behandeling van zijn problematiek. De curator acht het in het belang van verzoeker dat hij op de kob-afdeling wordt geplaatst voor observatie en behandeling. De curator heeft de gemeente Arnhem gevraagd of verzoeker hier geplaatst kan worden in het kader van een WMO-maatwerkvoorziening.
2.1.
Het wijkteam Arnhem heeft bij e-mailbericht van 25 juni 2026 bij verschillende betrokken partijen/hulpverlening aangegeven dat deze plaatsing nu niet mogelijk is.
2.2.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit e-mailbericht en heeft een voorlopige voorziening ingediend. Volgens verzoeker kan het e-mailbericht gelijk worden gesteld met een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift tegen het verzoek ingediend.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de curator en de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college, [persoon 1] namens het wijkteam en [persoon 2] en [persoon 3] namens GGZ Kairos. Na de zitting heeft de voorzieningenrechter de behandeling gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De gemachtigde van verzoeker heeft na de zitting een verzoek om heropening van het onderzoek ingediend omdat uit nieuwe informatie zou blijken dat er wel degelijk een besluit is genomen. De voorzieningenrechter ziet, in hetgeen door verzoeker is aangevoerd, geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en zal dit hierna toelichten.
4. De vraag ligt voor of het e-mailbericht van 25 juni 2026 van het wijkteam een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar en beroep open staat. Daarvoor is van belang of er sprake is van een rechtshandeling. Een rechtshandeling is volgens de wetgever gelijk aan een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg. Is een handeling niet gericht op enig rechtsgevolg, dan is er geen sprake van een rechtshandeling en daarmee geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4.1.
De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat het e-mailbericht van het wijkteam Arnhem van 25 juni 2026 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb, waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Uit deze e-mail vloeit geen rechtgevolg voort als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Uit het e-mail bericht blijkt dat er nog onderzoek plaats vindt of een WMO-maatwerkvoorziening mogelijk is en dat door de hulpverlening meerdere opties worden overwogen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom af.
4.2.
Ter zitting heeft verzoeker verwezen naar de mogelijke toepassing van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb. Uit de na de zitting overgelegde verklaringen blijkt duidelijk dat nog steeds geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb tot stand is gekomen, maar dat dit wel wordt voorbereid. Nu artikel 6:10 van Pro de Awb niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op de voorlopige voorzieningenprocedure, kan het beroep op dit artikel niet slagen.
4.3.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat uit het door verzoeker ingediende verzoek om heropening van het onderzoek blijkt dat de gemeente Arnhem heeft toegezegd de plaatsing van verzoeker op de kob-afdeling van [kliniek] te financieren op basis van een maatwerkovereenkomst. Nu door de gemeente Arnhem tegemoet gekomen wordt aan de wens van verzoeker, is er ook geen spoedeisend belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.