ECLI:NL:RBGEL:2026:5522

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
AWB 23_6746
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 6:9 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:11 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen BPM-aangifte wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van BPM voor een Audi S1, waarbij de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bezwaartermijn van zes weken begon op de dag na de betaling van de belasting op 2 mei 2022, waardoor de termijn eindigde op 13 juni 2022. Het bezwaarschrift werd echter pas op 14 juni 2022 ontvangen, wat te laat is.

Belanghebbende heeft geen redenen aangevoerd die de termijnoverschrijding rechtvaardigen, terwijl zij zich in de bezwaarfase liet bijstaan door een professionele gemachtigde die bekend behoort te zijn met de termijnen. De rechtbank oordeelt daarom dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beroep en wijst het griffierecht en proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter W. Loof en griffier S.S. Verzijlbergen op 10 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen BPM is ongegrond verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/6746

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [vestigingsplaats] , belanghebbende,

en
de inspecteur van de belastingdienst, Centrale administratieve processen, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 augustus 2023.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van belasting op personenauto’s en motorrijwielen (BPM) met aangiftenummer [nummer 1] .
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
De gemachtigde van belanghebbende heeft zich per 28 februari 2024 onttrokken. Belanghebbende is hiervan door de rechtbank op de hoogte gesteld bij brief van 4 maart 2024.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur [persoon 1] .
Belanghebbende is niet op zitting verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 8 mei 2026 belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 8 juni 2026. De rechtbank heeft op 8 mei 2026 om 14.07 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 8 mei 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.

Feiten

1. Belanghebbende heeft op 25 april 2022 aangifte BPM gedaan voor een Audi S1 (de auto) met een VIN eindigend op [nummer 2] . Belanghebbende heeft de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 47.963 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 8.622. De bruto BPM heeft belanghebbende bepaald op € 12.593 (op basis van een CO2-uitstoot van 162 gr/km) en de verschuldigde BPM op € 2.262. Bij de aangifte heeft belanghebbende een taxatierapport van [bedrijf] gevoegd met datum 25 april 2022. In dat rapport is schade aan de auto ter grootte van € 15.437,93 bruto vermeld.
2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte bij e-mail ontvangen door de inspecteur op 14 juni 2022 en bij brief ontvangen door de inspecteur op 16 juni 2022.
3. Datum van eerste toelating van de auto (in Duitsland) is 25 mei 2018. Inschrijving in het Nederlandse kentekenregister heeft plaatsgevonden op 3 mei 2022. Het kenteken van de auto is [kenteken] .
4. De inspecteur heeft als bijlage bij het verweerschrift een overzicht bijgevoegd waaruit volgt dat de betaling van de op aangifte verschuldigde belasting op 2 mei 2022 heeft plaatsgevonden.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening op aangifte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. De bezwaartermijn in belastingzaken bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de dag van voldoening van de op aangifte verschuldigde belasting. [1] Indien een bezwaarschrift voor het einde van die termijn is ontvangen, dan is het tijdig ingediend. Bij verzending per post is een bezwaarschrift ook tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. [2] Indien het bezwaarschrift te laat is ingediend, dan blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [3]
8. Belanghebbende heeft niet weersproken dat de op aangifte verschuldigde belasting door haar is voldaan op maandag 2 mei 2022. Dit betekent dat de bezwaartermijn is gaan lopen op dinsdag 3 mei 2022 en de laatste dag van de bezwaartermijn maandag 13 juni 2022 was. Het digitaal ingediende bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 14 juni 2022. Dat is na afloop van de bezwaartermijn. Belanghebbende heeft niet gesteld en de rechtbank is niet gebleken dat belanghebbende de door de inspecteur op 16 juni 2022 ontvangen brief houdende bezwaar voor het einde van de termijn ter post heeft bezorgd. Het bezwaarschrift is dus te laat ingediend. Belanghebbende heeft in het geheel geen redenen aangedragen die erop wijzen dat deze termijnoverschrijding haar niet is aan te rekenen. Daar komt bij dat belanghebbende zich in de bezwaarfase heeft laten bijstaan door een professioneel gemachtigde, van wie mag worden verwacht dat hij de termijnen kent en in acht neemt. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Aan een inhoudelijke behandeling komt de rechtbank niet toe. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 10 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 22j, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.Zie artikel 6:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie artikel 6:11 van Pro de Awb.