ECLI:NL:RBGEL:2026:5460

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
26/2155 (voorlopige voorziening) en 26/3125 en 26/3126
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten inzake intrekking Wmo-maatwerkvoorzieningen en afwijzing voorlopige voorziening

Verzoekster maakte bezwaar tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten die haar Wmo-maatwerkvoorzieningen introkken wegens vermeend niet-gebruik. Het college trok het intrekkingsbesluit later in, maar verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens formele gronden. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze niet-ontvankelijkverklaring onterecht was, omdat het bezwaar mede betrekking heeft op het ingetrokken besluit en het college verzoekster had moeten verzoeken om nadere gronden.

De rechtbank vernietigde de besluiten van 26 mei 2026 die de bezwaren niet-ontvankelijk verklaarden en verklaarde de beroepen gegrond. Het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit werd niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar tegen het intrekkingsintrekkingsbesluit ongegrond, en deze uitspraak trad in de plaats van de vernietigde besluiten. De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat op het beroep werd beslist.

Tijdens de zitting werden afspraken gemaakt over de invulling van de maatwerkvoorziening, waaronder het opstellen van een zorgplan met Zorgmies. De voorzieningenrechter adviseerde verzoekster om de begeleiding een kans te geven, omdat terugtrekking de zorgverlening vertraagt en gezien haar medische situatie niet verstandig is.

Het college werd veroordeeld tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht voor de voorlopige voorziening. Er werden geen overige proceskosten toegewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid van hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaringen zijn gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/2155 (voorlopige voorziening) en 26/3125 en 26/3126

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten

(gemachtigden: mr. M.A.C. Selen, mr. M.C.P.J. Vermeeren en R. van Goethem).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan verzoekster toegekende wmo voorziening. Verzoekster is het hier niet mee eens en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert zij een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter verklaart in deze uitspraak de beroepen gegrond, vernietigt de besluiten van 9 april 2026 en wijst het verzoek af.
1.2.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 5 februari 2026 de aan verzoekster toegekende maatwerkvoorziening Begeleiding Plus beëindigd omdat verzoekster hier geen gebruik van maakt. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt (bezwaar 1).
2.1. Met het besluit van 9 april 2026 heeft het college het besluit van 5 februari 2026 ingetrokken.
2.2. Verzoekster heeft tegen het besluit van 9 april 2026 bezwaar gemaakt (bezwaar 2) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Met twee afzonderlijke besluiten van 26 mei 2026 heeft het college de bezwaren van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. [1]
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door [persoon A] (beiden digitaal) en de gemachtigden van het college.
2.3. Na het sluiten van het onderzoek op de zitting heeft verzoekster nadere stukken ingediend. De voorzieningenrechter ziet in deze stukken geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoekster heeft een aantal indicaties voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, waaronder een indicatie voor praktische begeleiding (vanaf 3 februari 2026 tot en met 3 september 2027) voor de duur van 6 uur per week.
3.1.
Met het besluit van 5 februari 2026 heeft het college de maatwerkvoorziening praktische begeleiding ingetrokken omdat verzoekster hier geen gebruik van maakt. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt (bezwaar 1). Met het besluit van 9 april 2026 heeft het college het besluit van 5 februari 2026 ingetrokken. Ook tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt (bezwaar 2).
3.2.
Met twee afzonderlijke besluiten van 26 mei 2026 heeft het college de bezwaren van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het betreft bezwaar 1 omdat er geen gronden zouden zijn ingediend en voor zover het betreft bezwaar 2 omdat het te laat is ingediend.
3.3.
De voorzieningenrechter kan dit niet volgen. In artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is immers bepaald dat het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
3.4.
Verzoekster heeft haar bezwaarschrift 1 niet in willen trekken. Dat bezwaar heeft derhalve mede betrekking op het besluit van 9 april 2026. Het college had verzoekster moeten vragen om nadere gronden in te dienen tegen dit besluit. Het indienen van gronden tegen een reeds ingetrokken besluit is immers zinloos. Dat verzoekster geen gronden zou hebben ingediend kan haar – wat daar ook van zij – in zoverre niet worden tegengeworpen. Dit besluit kan om die reden dan ook geen stand houden. Het beroep met procedurenummer 26/3125 is gegrond en het besluit op bezwaar 1 zal worden vernietigd. De voorzieningenrechter zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar tegen het besluit op bezwaar 1 niet ontvankelijk verklaren.
3.5.
Het indienen van bezwaar 2 was gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van Pro de Awb bovendien niet nodig. Er was immers al een bezwaarschrift ingediend. De conclusie van het college dat verzoekster te laat bezwaar heeft gemaakt is dan ook onbegrijpelijk. Reeds daarom kan het besluit op bezwaar 2 niet in stand blijven. Het beroep met procedurenummer 26/3126 is dan ook gegrond en ook het besluit op bezwaar 2 zal worden vernietigd.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bezwaren van verzoekster zich met name richten op de invulling van de aan haar toegekende maatwerkvoorziening en het feit dat het college problemen heeft met het vinden van een instelling die de door verzoekster benodigde zorg kan leveren. Zij kan zich wel vinden in de door het college vastgestelde maatwerkvoorziening. Ook kan zij zich vinden in het toegekend aantal uren zorg waar zij volgens het college recht op heeft. Er is dan ook geen reden waarom het besluit van 9 april 2026 niet in stand zou kunnen blijven. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, het bezwaar ongegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar 2.
5. Omdat op het beroep wordt beslist is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
6. Ter voorlichting van partijen merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. Hoewel invulling en tenuitvoerlegging van de aan verzoekster toegekende maatwerkvoorziening in feite buiten de reikwijdte van de voorzieningenrechter ligt zijn op de zitting afspraken gemaakt over de invulling van de aan verzoekster toegekende maatwerkvoorziening. Kort samengevat is afgesproken dat verzoekster en het college een zorgplan zouden opstellen en dat, nadat beiden akkoord waren, Zorgmies kan starten met het leveren van de geïndiceerde zorg. De basis voor het plan van aanpak is de e-mail van Zorgmies van 19 juni 2026 en het college draagt er zorg voor dat het plan van aanpak binnen twee weken gereed is. Uit door verzoekster nader ingediende stukken blijkt het zorgplan voor akkoord is ondertekend, maar dat verzoekster na ondertekening toch twijfels heeft gekregen. De voorzieningenrechter acht het raadzaam dat verzoekster het een kans geeft en start met de begeleiding door Zorgmies. Door na ondertekening weer te gaan twijfelen en zich terug te trekken loopt de zorg vertraging op. Dat is gelet op de medische klachten van verzoekster, zoals uit de nader door verzoekster toegestuurde stukken is gebleken, niet verstandig.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter verklaart de beroepen gegrond, vernietigt de besluiten van 26 mei 2026, verklaart het bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2026 niet ontvankelijk en het bezwaar tegen het besluit van 9 april 2026 ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt voor de besluiten van 26 mei 2026 tegen bezwaren 1 en 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
8. Omdat de beroepen gegrond worden verklaard is er aanleiding om te bepalen dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht voor de voorlopige voorziening dient te betalen. Doordat de beroepen kort voor de zitting zijn ingediend was op het moment van de zitting nog geen griffierecht voor de beroepen geheven. Daarom zal de voorzieningenrechter niet bepalen dat het college ook het griffierecht voor de beroepen dient te vergoeden. Van overige proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
ARN 26/3125- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 26 mei 2026;
- verklaart het bezwaarschrift tegen het besluit van 5 februari 2026, niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
ARN 26/3126:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 26 mei 2026;
- verklaart het bezwaarschrift tegen het besluit van 9 april 2026 ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
ARN 26/2155
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54 voor de voorlopige voorziening aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerd publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Beroep tegen besluit op bezwaar 1 heeft procedurenummer ARN 26/3125; beroep tegen besluit op bezwaar 2 heeft procedurenummer ARN 26/3126.