ECLI:NL:RBGEL:2026:5441

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
ARN 26/2891, 26/2892, 26/2895, 26/2898 en 26/2900 (voorlopige voorziening)ARN 26/1388, 26/1392, 26/1396, 26/1398 en 26/1399 (beroep)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroepen tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaarschriften RDW wegens ontbrekende handtekening

Darosa Beheer B.V. diende bezwaarschriften in tegen besluiten van de RDW waarin haar aanvragen voor inschrijving van vijf elektrische bromfietsen buiten behandeling werden gesteld wegens onvolledigheid. De RDW verklaarde de bezwaarschriften kennelijk niet-ontvankelijk omdat deze niet waren ondertekend. Darosa Beheer B.V. betwistte dit en stelde dat zij de aangetekende brief van de RDW niet had ontvangen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het vermoeden dat de aangetekende brief op regelmatige wijze was aangeboden niet was ontzenuwd door Darosa Beheer B.V. De rechtbank stelde vast dat de brief naar het juiste adres was gestuurd en dat een afhaalbericht was achtergelaten, hetgeen voldoende is om het ontvangstvermoeden te rechtvaardigen. Het niet afhalen van de brief is voor rekening van eiseres.

Verder oordeelde de voorzieningenrechter dat de RDW bevoegd was het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van de handtekening en dat er geen verplichting bestond om nogmaals per e-mail om ondertekening te verzoeken. Ook was er geen hoorplicht omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De beroepen werden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening werden afgewezen.

Uitkomst: De beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaarschriften worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers:
ARN 26/2891, 26/2892, 26/2895, 26/2898 en 26/2900 (voorlopige voorziening)
ARN 26/1388, 26/1392, 26/1396, 26/1398 en 26/1399 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

Darosa Beheer B.V., uit Arnhem, eiseres

(gemachtigde: A. Spijker ),
en

de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW)

(gemachtigde: [gemachtigde ] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de besluiten van de RDW van 16 maart 2026, waarin de bezwaarschriften van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk zijn verklaard. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld tegen deze besluiten. Zij verzoekt daarnaast om voorlopige voorzieningen en voert daartoe een aantal gronden aan. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op de beroepen van eiseres daartegen. [1]
1.1.
De voorzieningenrechter verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op de beroepen, wijst zij de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 27 mei 2025 het RDW bezocht voor de keuring en identificatie van vijf elektrische bromfietsen. Op 27 mei 2025 heeft de RDW de voertuigen technisch beoordeeld en goedgekeurd, maar er ontbraken volgens het RDW nog een aantal bescheiden die nodig zijn voor het inschrijven van de voertuigen. Eiseres is in de gelegenheid gesteld deze bescheiden aan te leveren.
2.1.
Op 28 juli 2025 heeft de RDW de vijf aanvragen buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb, wegens onvolledigheid. Volgens de RDW heeft eiseres niet alle benodigde bescheiden ingediend.
2.2.
Op 7 februari 2026 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de besluiten, met beroep op verschoonbare termijnoverschrijding vanwege ziekte.
2.3.
Op 11 februari 2026 heeft de RDW eiseres met een aangetekende brief geïnformeerd dat er een handtekening nodig is onder de bezwaarschriften. Eiseres heeft een hersteltermijn van 14 dagen gekregen. De aangetekende brief is op 3 maart 2026 retour ontvangen door de RDW met de mededeling dat deze brief niet is afgehaald.
2.4.
Bij beslissingen op bezwaar van 16 maart 2026 heeft de RDW beslist op de bezwaren van eiseres. De bezwaarschriften zijn kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een handtekening.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld en verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 20 april 2026 deze verzoeken afgewezen in verband met het ontbreken van een spoedeisend belang.
2.7.
Eiseres heeft opnieuw verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend.
2.8.
Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2026 zijn de verzoeken niet-ontvankelijk verklaard in verband met het niet voldoen van het griffierecht.
2.9.
Eiseres heeft opnieuw verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend.
2.10.
De RDW heeft op deze verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
2.11.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres via een telefoonverbinding en de gemachtigde van de RDW.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om te beslissen op de beroepen van eiseres, nu zij over voldoende gegevens beschikt om hierop te kunnen beslissen. Eiseres heeft de voorzieningenrechter
verzochtnog niet te beslissen op haar beroepen, omdat zij geen juridische bijstand heeft en daarom geen aanspraak kan maken op vergoeding van schade die zij heeft geleden door onrechtmatige besluitvorming door de RDW. De voorzieningenrechter overweegt dat deze schadevergoeding geen onderdeel uitmaakt van deze procedure en dat er daarom geen beletsel is om ook op de beroepen van eiseres te beslissen. Over de beroepen overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Standpunten van partijen
4. Eiseres betoogt dat de RDW ten onrechte haar bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij heeft haar bezwaar digitaal ingediend en zodoende is bij de RDW bekend dat het bezwaarschrift van haar afkomstig is en dat zij achter dit bezwaar staat. Daarnaast stelt eiseres dat zij de aangetekende brief van de RDW niet heeft ontvangen, omdat er geen afhaalbericht is achtergelaten.
5. De RDW stelt dat het bezwaarschrift niet aan de vereisten van artikel 6:5, eerste lid van de Awb, voldoet, omdat een handtekening onder het bezwaarschrift ontbreekt. De RDW heeft eiseres daarom in de gelegenheid gesteld om alsnog deze handtekening aan te leveren. Per aangetekende brief is eiseres een hersteltermijn van 14 dagen geboden. Omdat bezorging niet is gelukt, is de aangetekende brief naar een PostNL afhaalpunt gebracht. Er is een afhaalbericht bij eiseres achtergelaten. Op 3 maart 2026 heeft de RDW deze aangetekende brief retour ontvangen omdat eiseres de aangetekende brief niet heeft afgehaald. Vervolgens heeft de RDW het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard in verband met het ontbreken van een handtekening.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de aangetekende brief niet heeft opgehaald, maar wel of er door PostNL een afhaalbericht is achtergelaten. De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat als een stuk van een bestuursorgaan aangetekend is verzonden en belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het postvervoerbedrijf het stuk op regelmatige wijze op het adres van de belanghebbende heeft aangeboden. Als het interne systeem van het postvervoerbedrijf laat zien dat de bezorger het stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een zogenoemd afhaalbericht in de brievenbus heeft achtergelaten, rechtvaardigt dat het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze op dat adres is aangeboden. Als de belanghebbende stelt dat het stuk niet is uitgereikt of geen afhaalbericht (op het juiste adres) is ontvangen, dan ligt het op zijn weg om het aan de gegevens van het postvervoerbedrijf ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Als belanghebbende erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden. [2]
6.1.
Eiseres stelt dat zij geen afhaalbericht heeft ontvangen en voert in dat kader aan dat PostNL vaker niet juist handelt bij (aangetekend) verzonden poststukken. Verder wijst zij erop dat in de e-mail van PostNL van 23 maart 2026 vermeldt staat dat niet kan worden uitgesloten dat het afhaalbericht in een verkeerde postbus, namelijk die van de buren, is bezorgd.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd om feiten of omstandigheden naar voren te brengen waardoor redelijkerwijs getwijfeld kan worden of de aangetekende brief van 11 februari 2026 door eiseres is ontvangen.
Uit de door PostNL op 23 maart 2026 verstrekte informatie blijkt dat uit de scangegevens volgt dat er een fysieke kennisgeving op het adres van eiseres is achtergelaten. Niet in geschil is dat de brief is verstuurd naar het juiste adres. Het enkele feit dat PostNL in dit bericht opmerkt dat niet kan worden uitgesloten dat deze per ongeluk in de brievenbus van buren of door de geadresseerde over het hoofd is gezien, is onvoldoende om te stellen dat post niet op regelmatige wijze bij eiseres wordt aangeboden. Ook omdat door eiseres niet is weersproken dat de per aangetekende post verzonden beslissingen op bezwaar wel door haar zijn ontvangen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is eiseres er niet in geslaagd om het aan de gegevens van PostNL ontleende vermoeden te ontzenuwen. Dit betekent dat de gevolgen van het niet afhalen van de aangetekende brief voor rekening van eiseres mogen komen.
6.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat eiseres het gebrek in het bezwaarschrift niet heeft hersteld, zodat het college op grond van artikel 6:6, onder a, van de Awb, bevoegd is het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren.
6.4.
De voorzieningenrechter volgt eiseres ook niet in haar betoog dat de RDW haar nogmaals via de e-mail had moeten vragen om de bezwaarschriften te ondertekenen. Daartoe acht de voorzieningenrechter van belang dat de RDW op zitting heeft toegelicht dat het bezwaar niet is ingediend via de daartoe beschikbare online omgeving zoals vermeld in het besluit tot buiten behandeling stelling. Dit betekent dat er per post gecommuniceerd wordt, zoals ook in het besluit tot buiten behandeling stelling staat vermeld. Bovendien staat in het bezwaarschrift ook niet vermeld dat eiseres enkel via e-mail wil corresponderen. Dat er eerder wel via de e-mail contact is geweest over de door eiseres gedane aanvragen maakt dit niet anders.
6.5.
Tot slot volgt de voorzieningenrechter eiseres niet in haar betoog dat zij in bezwaar gehoord had moeten worden. Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar heeft de RDW op grond van artikel 7:3, eerste lid, van de Awb kunnen afzien van horen.
6.6.
Aan de vraag of de aanvragen van eiseres terecht dan wel onterecht buiten behandeling zijn gesteld komt de voorzieningenrechter niet toe. In de beroepen van eiseres liggen enkel de beslissingen op bezwaar ter beoordeling voor.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Omdat de beroepen ongegrond zijn, is er geen aanleiding om voorlopige voorzieningen te treffen. De voorzieningenrechter zal daarom niet in gaan op de vraag of eiseres een spoedeisend belang heeft bij de verzochte voorzieningen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5343.