Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het vervoeren van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne. De verdachte, geboren in 1988 en op dat moment gedetineerd, werd beschuldigd van het opzettelijk vervoeren van ongeveer 1.587 kilogram cocaïne in vereniging met anderen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 26 juni 2025 en 8 juli 2025 betrokken was bij twee transporten van cocaïne, waarbij de tweede transport een aanzienlijke hoeveelheid betrof met een straatwaarde van ongeveer 20 miljoen euro. De rechtbank heeft de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken van de handelingen 'afleveren' en 'verstrekken', maar heeft vastgesteld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de rol van de verdachte in het criminele milieu en zijn persoonlijke omstandigheden. Uiteindelijk is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar, met aftrek van voorarrest, en is er een maatregel tot kostenverhaal opgelegd van € 500,08 per verdachte, ter dekking van de kosten voor de vernietiging van de in beslag genomen cocaïne. De rechtbank heeft benadrukt dat de handel in cocaïne een ernstige bedreiging vormt voor de volksgezondheid en dat de opgelegde straf ook bedoeld is om anderen te weerhouden van deelname aan het criminele drugscircuit.