ECLI:NL:RBGEL:2026:5376

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
ARN 26/2897
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 22.8 OwArt. 3 Verordening Bomen en Landschap Oude IJsselstreekArt. 4 Verordening Bomen en Landschap Oude IJsselstreekArt. 6 Verordening Bomen en Landschap Oude IJsselstreek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen kapvergunning voor acaciabomen in park

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek om een omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van negen acaciabomen in een park. Zij stelde onder meer dat er sprake was van belangenverstrengeling bij de beoordeling van de bomen, dat de bomen op de lijst van Bijzondere Bomen stonden en dat alternatieven zoals kandelaberen onvoldoende waren onderzocht.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college voldoende onderzoek had laten verrichten door een onafhankelijke boomdeskundige en dat de bomen in slechte staat verkeerden met een beperkte levensverwachting. Hoewel het college niet expliciet had gemotiveerd dat de bomen op de lijst van Bijzondere Bomen waren getoetst, leidde dit gebrek niet tot een andere uitkomst omdat aan de strengere criteria was voldaan.

Verder werd geoordeeld dat kandelaberen geen reëel alternatief was gezien de slechte conditie van de bomen. Aangevoerde afspraken over ecologisch onderzoek en verstoring van dieren leefgebied vielen buiten de reikwijdte van de vergunning. De belangenafweging wees uit dat het belang van het college bij het waarborgen van de openbare veiligheid zwaarder woog dan de belangen van verzoekster.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de kapvergunning voor negen acaciabomen is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2897

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek

(gemachtigde: mr. B. Wolff).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghouder] uit [woonplaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: Ormel Boomverzorging te De Heurne).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college van 13 april 2026, waarin een omgevingsvergunning is verleend voor het kappen van 9 acacia’s op het park [park] in [woonplaats] . Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 24 maart 2026 heeft vergunninghouder een aanvraag voor een kapvergunning ingediend voor het kappen van 9 acacia’s op het park [park] in [woonplaats] . Verzoekster woont in de directe omgeving van deze bomen.
2.1.
Bij besluit van 13 april 2026 is aan vergunninghouder op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow), de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.2.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, [naam] en de gemachtigde van het college.
Vergunninghouder is niet op zitting verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek.
3.1.
In artikel 22.8 van de Ow wordt verwezen naar de plaatselijke verordeningen.
3.2.
Op grond van artikel 3, eerste en tweede lid, van de Verordening Bomen en Landschap Oude IJsselstreek (hierna: Verordening), is het verboden:
- om zonder vergunning van het bevoegd gezag een boom, houtopstand of landschapselement te vellen of te laten vellen en te kandelaberen of te laten kandelaberen;
- om zonder vergunning van het bevoegd gezag een Bijzondere Boom te vellen of te laten vellen en te kandelaberen of te laten kandelaberen.
3.3.
Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening weigert het bevoegd gezag de vergunning voor het vellen van een boom, houtopstand of landschapselement, als bij de beoordeling blijkt dat de boom, houtopstand of landschapselement in goede gezondheid is en een levensverwachting heeft van meer dan 10 jaar.
3.4.
Uit artikel 6, eerste lid, van de Verordening, volgt dat het bevoegd gezag individuele bomen die van onvervangbare waarde zijn kan aanwijzen als Bijzondere Boom. De criteria voor deze Bijzondere Bomen zijn:
a. de boom heeft op 1,30 meter hoogte een minimale omtrek van 2,50 meter. Voor de snelgroeiende soorten wilg en populier geldt een minimale omtrek van 3 meter.
Indien de boom dunner is, moet worden voldaan aan één van de volgende criteria:
i. is cultuurhistorisch waardevol: standplaats is een belangrijke plek in de (lokale) geschiedenis;
ii. is dendrologisch waardevol: zeldzame soort of variëteit;
iii. is natuurwetenschappelijk of ecologisch waardevol: is het een moederboom, herbergt bijzondere planten en/of dieren;
iv. heeft zeldzaamheidswaarde: omvang, hoogte, ouderdom of anderszins opvallend in regionaal perspectief.
b. de boom is voldoende gezond en heeft een levensverwachting van minimaal 10 jaar;
c. de boom is zichtbaar vanaf de openbare weg.
Uit het vijfde lid van dit artikel volgt dat voor het kappen van een Bijzondere Boom de weigeringsgronden onder artikel 4.1. gelden met de wijziging dat de levensverwachting van een Bijzondere Boom minder dan 5 jaar is. Bij het verlenen van de vergunning kunnen vergunningsvoorschriften van artikel 5 worden Pro toegepast.
Had het college de kapvergunning moeten weigeren?
4. Op zitting heeft het college toegelicht dat de omgevingsvergunning weliswaar is verleend voor het kappen van 9 bomen, maar dat nadien is gebleken dat voor het kappen van enkele bomen gezien de omtrek van de stam geen vergunningplicht geldt. In de praktijk gaat het daarom volgens het college nog om 7 bomen die vallen onder deze omgevingsvergunning.
Onderzoek door onafhankelijk bomenexpert
5. Verzoekster voert aan dat er geen onderzoek door een onafhankelijk bomenexpert naar de staat van de bomen heeft plaatsgevonden. De beoordeling van de bomen en de kap van de bomen vindt namelijk door hetzelfde bedrijf plaats. Dit lijkt volgens verzoekster op belangenstrengeling.
5.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit betoog van verzoekster niet slaagt. Het college heeft op zitting toegelicht dat de Virtual Tree Assessment (VTA) door [bedrijf 1] is gedaan en dat dit bedrijf tot de conclusie is gekomen dat de bomen dood zijn of slechts nog een beperkte levensduur hebben. Vervolgens heeft de bomendeskundige van de gemeente een visuele observatie ter plaatse uitgevoerd en een locatierapport opgemaakt. De bomendeskundige komt in deze rapportage tot de conclusie dat de conditie van de bomen zeer slecht is dan wel dood zonder kans op herstel en dat de levensverwachting zeer laag is (minder dan twee jaar). De bomendeskundige adviseert om de bomen te kappen. Verder heeft het college op zitting toegelicht dat [bedrijf 2] tot de kap van de bomen zal overgaan. De beoordeling en de kap van de bomen wordt dus niet door hetzelfde bedrijf uitgevoerd. Bovendien heeft ook de bomendeskundige van de gemeente over de bomen geadviseerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster onvoldoende concrete aanknopingspunten aangevoerd om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies en de daarin opgenomen conclusie over de bomen.
Bijzondere bomen
6. Verzoekster betoogt dat de bomen op de lijst voor Bijzondere Bomen voorkomen en dat daarom door het college ook aan artikel 6 van Pro de Verordening moet worden getoetst. Uit het besluit blijkt niet dat deze toetsing heeft plaatsgevonden.
6.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het college op zitting heeft erkend dat de bomen op de Bijzondere Bomenlijst voorkomen. Dit is door het college niet eerder onderkend en niet in het besluit gemotiveerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom sprake van een gebrek in het besluit. Dit gebrek leidt echter niet tot een andere uitkomst omdat uit de rapportage blijkt dat wordt voldaan aan de aangescherpte levensduur van de bomen als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de Verordening. Het gebrek kan in de beslissing op bezwaar door middel van een motivering op dit punt worden hersteld.
Alternatief
7. Verzoekster voert aan dat het college onvoldoende naar alternatieven voor kap heeft gekeken. Volgens verzoekster zou het kandelaberen van de bomen een alternatief zijn.
7.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit het overgelegde locatierapport en het besprokene op zitting volgt dat de bomen een zeer slechte conditie hebben dan wel dood zijn en dat de levensduur van de bomen beperkt is.
Het college heeft op zitting aangegeven dat kandelaberen een ingrijpende operatie is voor een boom en dat er bij deze bomen, zoals uit het advies volgt, geen kans is op herstel.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat kandelaberen niet als alternatief voor kap kan worden gezien. Verzoekster heeft verder ook niet met stukken onderbouwd dat kandelaberen als reëel alternatief voor de bomen kan worden gezien. Dit betoog slaagt niet.
Gemaakte afspraken
8. Verzoekster stelt dat er in het verleden afspraken zijn gemaakt tussen bewoners, de gemeente en het bestuur van Stichting [park] , over ecologisch onderzoek en het kappen van bomen op het park, maar dat deze afspraken niet worden nagekomen. Verzoekster heeft op zitting onvoldoende duidelijk kunnen maken wat die afspraken precies inhouden en wie verantwoordelijk is voor de naleving van deze afspraken. Bovendien maken deze afspraken naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen onderdeel uit van de toetsing van de aanvraag voor een omgevingsvergunning.
Soortenbescherming
9. Verzoekster voert aan dat er verschillende soorten dieren hun nest-, rust- en fourageerplaats in het park hebben. Door de kapwerkzaamheden is sprake van verstoring van hun leefgebied.
9.1.
De voorzieningenrechter stelt dat het aan de aanvrager is om te bepalen wat wel of niet gelijktijdig met de omgevingsvergunning wordt aangevraagd. De onlosmakelijkheid zoals die gold onder de Wabo, is onder de Ow komen te vervallen. Daarmee valt de door verzoekster aangevoerde verstoring van het leefgebied buiten de reikwijdte van deze omgevingsvergunning.
Belangenafweging
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van verzoekster minder zwaar wegen dan het belang van het college bij het waarborgen van de openbare veiligheid. Uit het rapport komt naar voren dat de bomen langs woning, weg en fietspad staan en dat er, gelet op de slechte staat van de bomen, een verhoogd risico is op vallende dode takken en windworp.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.