ECLI:NL:RBGEL:2026:5366

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/05/ 407145 / HA ZA 22-343
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Looptijd verlies aan verdienvermogen zelfstandige in de bouw vastgesteld tot AOW-leeftijd

In deze civiele zaak tussen eiser en Achmea Schadeverzekeringen N.V. staat de looptijd van de schade wegens verlies aan verdienvermogen centraal. De rechtbank baseert zich op een deskundigenonderzoek dat de pensioenleeftijd van zelfstandigen in de bouwsector analyseert. Uit het onderzoek blijkt dat zelfstandigen gemiddeld tot circa 68 jaar werken, met een stijgende trend die voor eiser een pensioenleeftijd van circa 70 jaar voorspelt.

Eiser stelt dat hij zonder het ongeval tot 70 jaar zou hebben doorgewerkt, mede omdat hij nauwelijks pensioenvoorzieningen heeft opgebouwd. Achmea betoogt dat rekening moet worden gehouden met pre-existent letsel en een pensioenvoorziening, waardoor eiser eerder zou zijn gestopt, namelijk rond 62 jaar.

De rechtbank weegt de medische rapporten en statistische gegevens en concludeert dat het niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn pre-existente letsel of pensioenvoorziening vóór zijn AOW-leeftijd zou zijn gestopt met werken. Tegelijkertijd acht de rechtbank het ook niet waarschijnlijk dat eiser na zijn AOW-leeftijd zou zijn doorgewerkt. Daarom wordt de looptijd van de schade vastgesteld tot de AOW-leeftijd van 30 maart 2034.

De rechtbank geeft partijen de gelegenheid om in overleg te treden over de berekening van de schade en wijst de zaak toe voor verdere behandeling, waarbij een deskundige kan worden benoemd indien partijen niet tot overeenstemming komen.

Uitkomst: De rechtbank stelt de looptijd van het verlies aan verdienvermogen vast tot de AOW-leeftijd van eiser op 30 maart 2034.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/407145 / HA ZA 22-343
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. A. Melsen,
tegen
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Achmea,
advocaat: mr. J.L.S.M. van Esser.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 december 2025
- het deskundigenbericht van 13 januari 2026
- de conclusie na deskundigenbericht met producties 1 tot en met 4 van [de eiser] van 18 maart 2026
- de conclusie na deskundigenbericht van Achmea van 18 maart 2026
- de akte met productie 5 van [de eiser] van 15 april 2026
- de akte van Achmea van 15 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij tussenvonnis van 16 juli 2025 is een deskundigenonderzoek bevolen over - kort gezegd - de looptijd van de door [de eiser] geleden en te lijden schade (her verlies aan verdienvermogen) en is de heer H. Eshuis tot deskundige benoemd. Bij tussenvonnis van
3 december 2025 is het voorschot op de kosten van de deskundige verhoogd.
2.2.
De deskundige heeft de aan hem voorgelegde vragen, voor zover van belang, als volgt beantwoord, waarbij de antwoorden van de deskundige cursief zijn weergegeven.
1) Wilt u aan de hand van statistische gegevens uit de bouwsector aangeven welk percentage werknemers/zelfstandigen in de bouwsector,
a. a) gebruik maakt van de (thans nog geldende) regeling om eerder dan de pensioengerechtigde leeftijd te stoppen met werken,
(…)
Duidelijk blijkt dat de zwaarwerkregeling met name invloed heeft gehad op de uitstroom naar pensioen van werknemers in de bouw en niet op de uitstroom van zelfstandigen.
b) bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd daadwerkelijk stopt met werken en
c) na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd nog doorwerkt, al dan niet in afbouwende zin, dus in (afnemende) deeltijd?
(…)
Tabel 1: pensioenleeftijd van werknemers en zelfstandigen in 2021 in %
voor AOW-leeftijd met pensioen
rond AOW-leeftijd
met pensioen
Na AOW-leeftijd
met pensioen
totaal
werknemers
43%
47%
10%
100%
gemiddelde
pensioenleeftijd
van alle
werknemers
64,0
66,8
69,3
zelfstandigen
23%
24%
53%
100%
gemiddelde
pensioenleeftijd
van alle
zelfstandigen
63,8
66,6
70,9
Tabel 1 betreft de uitstroom inallesectoren.
(…)
De gemiddelde leeftijd van zelfstandigen in de bouw van 68,1 jaar ligt in 2021 3,77 jaar hoger dan de AOW-leeftijd van 66 jaar en 4 maanden.
(…)
Over een percentage in de bouw conform de indeling van tabel 1 heb ik geen statistische informatie kunnen vinden. Wel constateer ik dat de gemiddelde pensioenleeftijd in de bouw in 2021 wat lager is dan het gemiddelde over alle sectoren, zowel voor werknemers als voor zelfstandigen. Voor zelfstandigen is de gemiddelde pensioenleeftijd over alle sectoren 68,3 jaar in 2021 en voor zelfstandigen in de bouw is dat 68,1 jaar (verschil van 73 dagen). Omdat voor zelfstandigen in de bouw de gemiddelde pensioenleeftijd niet veel afwijkt van de gemiddelde pensioenleeftijd over alle sectoren verwacht ik voor de bouwnijverheid qua verdeling geen grote afwijking met de percentages in tabel 1.
2) Wat is thans de gemiddelde leeftijd waarop zelfstandigen in de bouw met pensioen gaan?
In de bouwnijverheid was de gemiddelde pensioenleeftijd voor werknemers in 2021 65,5 jaar en voor zelfstandigen was dat 68,1 jaar. In 2024 is de gemiddelde pensioenleeftijd voor werknemers in de bouwnijverheid gestegen naar 65,9 jaar. Voor zelfstandigen is dat voor 2024 nog niet bekend (…).
3) Is er een tendens waar te nemen in de gemiddelde leeftijd waarop in de bouw wordt gestopt met werken en zo ja, kunt u die tendens aan de hand van statistische gegevens schetsen?
(…)
Voor zelfstandigen stijgt de gemiddelde leeftijd van 64,6 jaar in 2002 naar 68,1 jaar in 2022. In 20 jaar een stijging van 3,5 jaar en per jaar gemiddeld 0,175 jaar (64 dagen).
(…)
Waar in de jaren 2002-2011 de pensioenleeftijd van zelfstandigen nauwelijks toenam steeg de pensioenleeftijd van werknemers gestaag door, mede vanwege het feit dat deze pensioenleeftijd bij aanvang in 2002 van werknemers veel lager was dan die van zelfstandigen (werknemers 60,5 jaar, zelfstandigen 64,6 jaar). De pensioenleeftijd voor zelfstandigen beweegt zich in die periode in de buurt van de AOW-leeftijd van 65 jaar. Werknemers konden in die jaren gebruik maken van allerlei regelingen om vervroegd met pensioen te gaan (onder andere de VUT-regeling). Deze regeling is met ingang van 2016 afgeschaft en vanaf dat moment neemt de gemiddelde pensioenleeftijd van werknemers toe.
In de jaren 2012-2016 neemt zowel de pensioenleeftijd van werknemers als ook die van zelfstandigen toe. Vanaf 2013 wordt de AOW-leeftijd geleidelijk verhoogd van 65 jaar naar 67 jaar, wat een verklaring is voor de geconstateerde stijgingen in de pensioenleeftijden.
4) Maakt het voor de beantwoording van de hiervoor bedoelde vragen verschil,
a. a) of de betrokkene wel of niet gedeeltelijk lichamelijk beperkt/minder belastbaar is,
(…)
Bij zzp-ers in de bouw gaf in 2018 circa 47% van de ondervraagden aan niet tot de pensioenleeftijd het werk te kunnen volhouden vanwege een te zware lichamelijke belasting. In 2022 is dat aandeel gedaald tot circa 32%.
Uit bovenstaande blijkt dat het uitvoerende werk in de bouw fysiek zwaar is en vaak een belangrijke reden is van vervroegde uitstroom voor de pensioendatum. Indien betrokkene gedeeltelijk lichamelijk minder beperkt/minder belastbaar is zullen deze fysiek zware werkomstandigheden aannemelijk een verlagend effect hebben op zijn pensioenleeftijd. De tijd waarmee de pensioendatum wordt vervroegd is lastig aan te geven en hangt samen met de mate van zijn verminderde belastbaarheid.
b) of de betrokkene al dan niet pensioen heeft opgebouwd
Uit (…) blijkt dat van de ondervraagde zzp’ers in 2022 een kleine meerderheid (55%) een pensioenvoorziening aanhoudt en 52% een verzekeringsvoorziening voor langdurige ziekte heeft. Uit (…) in 2023 blijkt dat het aantal zzp’ers dat voor een premie arbeidsongeschiktheidsverzekering betaald in de jaren 2011-2023 geleidelijk is gedaald van 23,3% in 2011 naar 15,7% in 2023. Het aantal zzp’ers die premie betaalde voor een lijfrente (pensioenvoorziening) daalde ook van 13,3% in 2013 naar 9,5% in 2023.
Indien betrokkene zelf pensioen heeft opgebouwd zou hem dat de mogelijkheid geven (afhankelijk van de omvang van de opgebouwde pensioenvoorziening) om de datum dat hij met pensioen kan gaan te vervroegen. Betrokkene zou met ingang van 30 september 2034 recht hebben op een AOW-uitkering, thans nog een kleine 9 jaar te gaan. Dus zal het aanwezig zijn van een pensioenvoorziening de mogelijkheid bieden de pensioendatum te vervroegen, omdat dit dan ook de financiële mogelijkheden biedt om deze keuze te maken. Gezien de fysiek zware belasting van het uitvoerende werk in de bouw is het aannemelijk te veronderstellen dat bij de aanwezigheid van een pensioenvoorziening hiervan gebruik wordt gemaakt voor vervoegde uittreding. De tijd waarmee de pensioenvoorziening wordt vervroegd is afhankelijk van de hoogte van de pensioenvoorziening en de vaste lasten/kosten levensonderhoud van betrokkenen. Ik kan dan ook de mate waarin de pensioendatum wordt vervroegd door het al dan niet aanwezig zijn van een pensioenvoorziening, niet aangeven.
c) of de zelfstandige het werk allemaal zelf doet, of daarvoor ook anderen inschakelt, al dan niet als zelfstandige(n)?
Het antwoord op deze vraag komt er in essentie op neer of er een statistisch verschil is tussen de pensioendatum van zzp-ers en zelfstandigen met personeel in de bouw.
(…)
Tabel 4: aantallen zelfstandigen met en zonder personeel in de leeftijdscategorieën 55 tot 65 jaar, 65 tot 75 jaar en 75 jaar en ouder (…) in 2023
55 tot 65 jaar
65 tot 75 jaar
> 75 jaar
Totaal ouder dan 55 jaar
zzp (…)
33,6
9,8
1,0
44,4
zzp (…) %
76%
22%
2%
100%
zmp (…)
5,8
1.1
0,2
7,1
zmp (…) %
82%
15%
3%
100%
Het aandeel van de zzp-ers in 2023 die vanaf 65 jaar nog werkt bedraagt 24%. Het aandeel zmp-ers (zelfstandigen met personeel) die vanaf 65 jaar nog werkt bedraagt 18%. Een lager percentage zmp-ers is dus nog actief vanaf 65 jaar en ouder dan bij zzp-ers (18% versus 24%).
Het inschakelen van personeel heeft statistisch gezien een verlagend invloed op de pensioendatum in de bouw nijverheid. Over de mate waarmee het inschakelen van personeel de pensioendatum verlaagt heb ik geen statistische data kunnen achterhalen.
5) Indien onvoldoende statistische gegevens uit de bouwsector over zelfstandigen voorhanden zijn om alle vragen te beantwoorden, wilt u dan aangeven in hoeverre de cijfers over werknemers toepasbaar zijn en, zo mogelijk, op basis van wel toepasbare, al dan niet gecorrigeerde cijfers de hiervoor bedoelde vragen beantwoorden? Wilt u een eventuele correctie zo veel mogelijk gedocumenteerd toelichten?
Bij veel vragen heb ik naast de statistische gegevens van zelfstandigen in de bouw ook de statistische gegevens van werknemers in de bouw toegevoegd. Bij vragen waar geen statistische gegevens over zelfstandigen beschikbaar zijn, heb ik waar mogelijk de statistische gegevens van werknemers gebruikt bij de beantwoording.
2.3.
[de eiser] betoogt dat op basis van doorrekening van de gegevens uit het deskundigenbericht volgt dat hij, bij voortzetting van de geconstateerde stijgende trend met betrekking tot de gemiddelde pensioenleeftijd van zelfstandigen in de bouw, zou doorwerken tot 70,2 jaar. Volgens [de eiser] volgt uit het deskundigenbericht van Eshuis niet dat zijn letsel aan die verwachte looptijd zou hebben afgedaan en volgt dat evenmin uit het medische deskundigenbericht van Van der Zwan. Verder stelt [de eiser] dat hij slechts over een marginaal aanvullend pensioen beschikt en geen lijfrentekapitaal van enige betekenis heeft opgebouwd en dat hij dus niet beschikt over een pensioenvoorziening die tot vervroegde uittreding zou hebben geleid. Hij handhaaft zijn standpunt dat hij in de hypothetische situatie zou hebben doorgewerkt tot het bereiken van de 70-jarige leeftijd.
2.4.
Achmea stelt dat op basis van doorrekening van de gegevens uit het deskundigenbericht volgt dat de gemiddelde pensioenleeftijd voor zelfstandigen in 2026 68,6 jaar is. Volgens Achmea moet echter rekening worden gehouden met het pre-existente letsel van [de eiser] en moet ervan worden uitgegaan dat hij een pensioenvoorziening heeft opgebouwd en dat hij van Centramed een vergoeding heeft ontvangen, zodat in de hypothetische situatie de pensioenleeftijd van [de eiser] moet worden gesteld op een leeftijd van ten hoogste 62 jaar.
2.5.
De rechtbank overweegt het volgende.
Uit het deskundigenbericht volgt dat in 2021 voor zelfstandigen in alle sectoren de gemiddelde pensioenleeftijd 68,3 jaar was en dat 53% van hen ná het bereiken van de AOW-leeftijd met pensioen ging. Tevens volgt daaruit dat de gemiddelde pensioenleeftijd voor zelfstandigen in de bouwnijverheid in 2021 68,1 jaar is. Ondanks het ontbreken van statische gegevens in de bouw verwacht de deskundige geen grote afwijking van de percentages van tabel 1 voor zelfstandigen in de bouw. Dat betekent dat ook in de bouw ervan kan worden uitgegaan dat 53%, dus iets meer dan de helft, van de zelfstandigen nog doorwerkt na het bereiken van de AOW-leeftijd.
Voor werknemers in de bouw is de gemiddelde pensioenleeftijd ten opzichte van 2021 in 2024 licht gestegen met 4 maanden (van 65,5 naar 65,9 jaar). Voor zelfstandigen in de bouw zijn er geen cijfers over 2024 bekend. Wel is een stijgende trend zichtbaar voor de pensioenleeftijd van zelfstandigen in de bouw over periode 2002 naar 2022 van 3,5 jaar. Dat is per jaar gemiddeld 0,175 jaar. Wanneer die trend wordt doorberekend naar het jaar waarin [de eiser] de AOW-leeftijd bereikt (30 maart 2034) komt dat uit op een pensioenleeftijd van circa 70 jaar (68,1 jaar + (12 x 0,175) 2,1 jaar = 70,2 jaar), zoals [de eiser] heeft berekend. Uitgaande van het verschil tussen de AOW-leeftijd in 2022 van 66 jaar en 7 maanden en de gemiddelde pensioenleeftijd voor zelfstandigen in de bouw van 68,1 jaar, dus een verschil van 1,5 jaar, zou dat, indien in 2034 nog steeds een AOW-leeftijd geldt van 67,5 jaar, betekenen dat [de eiser] op 69 jarige leeftijd met pensioen zou gaan.
Uit het deskundigenbericht volgt dus dat ongeveer de helft van de zelfstandigen in de bouw doorwerkt na het bereiken van de pensioenleeftijd en dat dat in het geval van [de eiser] tot 69 of 70 jaar zou zijn. Het is dan redelijk om dit als uitgangspunt aan te nemen.
2.6.
De vraag die partijen verdeeld houdt is in hoeverre vervolgens rekening moet worden gehouden met het pre-existent letsel van [de eiser] en of hij al dan niet vanwege de aanwezigheid van een pensioenvoorziening eerder zou zijn gestopt met werken.
2.7.
Van der Zwan heeft in het medische deskundigenbericht geen uitsluitsel kunnen geven over de vraag op welke termijn en in welke omvang de klachten en beperkingen van [de eiser] , die veroorzaakt zijn door het ongeval in 1996, zich zonder het ongeval van 2013 zouden hebben kunnen ontwikkelen. Weliswaar had [de eiser] na dat ongeval afwijkingen aan zijn rechterenkel en linkerenkel en -voet met milde klachten, maar desondanks heeft hij daarmee vanaf 2005, dus ongeveer 8 jaar (en niet 13 jaar), weer kunnen werken in zijn onderneming en daarmee het inkomen kunnen verwerven dat hij heeft verworven, zoals volgt uit het medische deskundigenbericht. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel, de goede en kwade kansen afwegend, dat niet voldoende aannemelijk is dat [de eiser] vanwege het pre-existente letsel al vóór het bereiken van zijn AOW-leeftijd op 62-jarige leeftijd zou zijn gestopt met werken. Bovendien is niet gebleken dat hij een zodanige pensioenvoorziening heeft opgebouwd dat hij zich dat had kunnen veroorloven. Dat hij een uitkering heeft ontvangen van Centramed, doet hieraan niet af. Gelet op de hoogte daarvan van € 85.000,00 en de omstandigheid dat dit de schade dekte van de medische fout, inclusief smartengeld, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet aannemelijk dat [de eiser] hiermee over dusdanig vermogen beschikte dat hij reeds op 62-jarige leeftijd had kunnen stoppen met werken.
Nu echter maar ongeveer de helft (53%) van de zelfstandigen in de bouw doorwerkt na het bereiken van de AOW-leeftijd, acht de rechtbank het, eveneens de goede en kwade kansen afwegend, niet waarschijnlijk dat [de eiser] met zijn pre-existente letsel in de hypothetisch situatie zou hebben doorgewerkt ná het bereiken van zijn AOW-leeftijd. Uit het deskundigenbericht volgt dat maar een gering percentage zelfstandigen met personeel nog doorwerkt na het bereiken van de AOW-leeftijd en dat zij eerder met werken stoppen dan zelfstandigen zonder personeel. Dat [de eiser] met inzet van personeel langer zou blijven doorwerken is dan niet aannemelijk. Daarbij komt dat ook de reële kans bestaat dat de pre-existente artrose in de hypothetische situatie op termijn klachten zou hebben kunnen veroorzaken, zoals volgt uit het medisch deskundigenbericht van Van der Zwan. Die gezondheidsklachten zouden ook een beletsel blijven vormen om van de goede marktomstandigheden in de bouw te profiteren. Voorts heeft [de eiser] niet inzichtelijk gemaakt dat hij in het geheel geen pensioenvoorziening heeft opgebouwd. Hij heeft zich niet uitgelaten over de omvang van de opgebouwde lijfrente. De rechtbank kan dus niet beoordelen of dit aspect [de eiser] zou hebben genoopt door te werken na het bereiken van zijn AOW-leeftijd.
2.8.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang, de goede en kwade kansen afwegend, aannemelijk dat [de eiser] in de hypothetische situatie tot aan het bereiken van zijn AOW-leeftijd (thans 67,5 jaar) zou hebben doorgewerkt in zijn onderneming. Dat betekent dat voor de berekening van zijn verlies aan verdienvermogen moet worden gerekend tot 30 maart 2034.
2.9.
In 2.20 van het tussenvonnis van 19 februari 2025 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek aangekondigd om het verlies aan verdienvermogen van [de eiser] te berekenen, nu de bevindingen van [naam] niet bruikbaar zijn. In randnummer 1.1 van de conclusie na deskundigenbericht verzoekt [de eiser] de rechtbank partijen op een later moment in de gelegenheid te stellen nader in te gaan op deze schadepost. Achmea heeft daarover nog geen standpunt ingenomen.
2.10.
De rechtbank kan zich voorstellen dat, nu er duidelijkheid is over het einde van de looptijd van deze schadepost, partijen in staat zijn in onderling overleg tot een berekening van de schade wegens het verlies aan verdienvermogen te komen. Wanneer dat in onderling overleg niet mogelijk blijkt, zal de rechtbank een deskundige benoemen, waarbij vooralsnog kan worden volstaan met één deskundige. Partijen zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld zich in dat geval uit te laten over de persoon en de expertise van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. Het verdient aanbeveling dat partijen ook hierover in overleg treden met elkaar. De rechtbank maakt partijen in dat verband erop attent dat in het Landelijk Register Gerechtelijk Deskundigen is opgenomen drs. M.J. van der Eijk, verbonden aan Van Dalen & Van der Eijk B.V. te Amersfoort (onder nummer D0357). Van der Eijk is deskundig op het gebied van onder meer de berekening van het verlies aan verdienvermogen bij zelfstandig ondernemers.
De rechtbank zal de zaak dus naar de rol verwijzen voor uitlating partijen.
2.11.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 19 augustus 2026voor het nemen van een akte door beiden partijen tegelijk over wat is vermeld onder 2.10,
3.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk één week voor de onder 3.2. genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
592