ECLI:NL:RBGEL:2026:5365

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/05/467673 / KZ ZA 26-78
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 1:265f lid 2 BWArtikel 16 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op verspreiding beeldmateriaal minderjarige en handhaving contactregeling

De rechtbank Gelderland behandelde een kort geding over het contact tussen een minderjarig kind en haar moeder na een turbulente voorgeschiedenis met beschuldigingen van seksueel misbruik door de vader en opa. Het kind is uit huis geplaatst bij de vader en vervolgens bij de grootmoeder vaderszijde. De vader vorderde onder meer begeleid contact en een verbod op verspreiding van beeldmateriaal waarin het kind spreekt over het vermeende misbruik.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het contact tussen moeder en kind niet hoeft te worden gewijzigd naar begeleid contact, omdat het contact goed verloopt en het kind geniet van het contact. Wel is een schriftelijke aanwijzing gegeven dat moeder geen beeld- en geluidsopnames mag maken of verspreiden over het vermeende misbruik, en worden wekelijkse gesprekken met het kind aanbevolen.

De moeder en haar partner zijn verboden om beeldmateriaal van het kind, waarin zij spreekt over het vermeende misbruik en herkenbaar is, te maken, delen of verspreiden, onder dreiging van een dwangsom. De vordering om de film offline te halen werd afgewezen wegens onbepaaldheid en afhankelijkheid van derden. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Het contact tussen moeder en kind blijft ongewijzigd, maar moeder en partner worden verboden beeldmateriaal van het kind over vermeend seksueel misbruik te verspreiden onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Team familie en jeugd
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/467673 / KZ ZA 26-78
Vonnis in kort geding van 6 juli 2026
in de zaak van
[naam vader],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. A.C.M. Scharenborg,
tegen

1.[naam moeder] ,

en
2.
[naam partner v. moeder],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: de moeder en haar partner,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 juni 2026, met bijlagen;
- de conclusie van antwoord van 4 juni 2026, met bijlagen;
- de brief, met bijlagen, namens de vader van 9 juni 2026;
- de brief, met bijlagen, namens de moeder en haar partner van 10 juni 2026;
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij aanwezig waren:
  • partijen, bijgestaan door hun advocaten (voor de moeder en haar partner was mr. J. Koenen digitaal aanwezig als waarnemer);
  • een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)
  • een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, regio midden, hierna: de GI, als informant;
  • mevrouw [pleegmoeder] , pleegmoeder, als informant.
1.2.
De mondelinge behandeling van 11 juni 2026 heeft plaatsgevonden op de zittingslocatie Arnhem.
1.3.
Na de mondelinge behandeling zijn – zoals besproken op de mondelinge behandeling – de volgende stukken binnengekomen:
  • de brief, met bijlagen, van de GI van 18 juni 2026;
  • de schriftelijke aanwijzing van de GI van 25 juni 2026.

2.De feiten

2.1.
Uit het huwelijk van de ouders is geboren het minderjarige kind:
-
[naam kind], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [het kind] .
2.2.
Deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 mei 2022 de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Het huwelijk is op [echtscheidingsdatum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
2.3.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [het kind] .
2.4.
Bij beschikking van 18 augustus 2022 heeft de kinderrechter [het kind] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 17 november 2022 is deze omgezet in een gewone ondertoezichtstelling en die is daarna meerdere keren verlengd, voor het laatst bij beschikking van 28 oktober 2025 tot 9 november 2026.
2.5.
Bij beschikking van 12 oktober 2023 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] bij de vader verleend tot 9 november 2023. Bij beschikking van 24 oktober 2023 is deze omgezet naar een gewone machtiging tot uithuisplaatsing tot 9 mei 2024.
Bij beschikking van 30 april 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een voorziening van pleegzorg (netwerkpleeggezin bij oma vaderszijde) verleend tot 9 november 2024. De uithuisplaatsing van [het kind] bij grootmoeder vaderszijde is daarna meerdere keren verlengd, voor het laatst bij beschikking van 23 april 2026 tot 9 november 2026.
2.6.
Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 augustus 2025 is een contactregeling tussen de moeder en [het kind] vastgesteld, die inhoudt dat [het kind] van vrijdagmiddag 14.00 uur/uit school tot zaterdagmiddag 14.00 uur/dan wel tot 24 uur later bij de moeder is. De uitvoering van de contactregeling is onder regie van de GI en het contact is deels begeleid. De GI heeft ook de regie over de uitbreiding van het contact in aard, frequentie en vorm.

3.Het geschil

3.1.
De vader vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat:
I. de omgang tussen de moeder en [het kind] onder volledige begeleiding dient plaats te vinden, in ieder geval voor de duur van de uithuisplaatsing, dan wel andere maatregelen te treffen ter waarborging van de veiligheid en belangen van [het kind] tijdens de omgang met de moeder;
II. de moeder en haar partner verboden wordt om gegevensdragers van [het kind] , waarin zij verklaart over het vermeende seksueel misbruik en/of zij herkenbaar c.q. identificeerbaar is, (verder) te verspreiden, dan wel een verbod op te leggen ter waarborging van rechten en belangen van [het kind] , op straffe van een dwangsom van € 1.000 per overtreding van het op te leggen verbod met een maximum van € 50.000;
III. de moeder en haar partner hun uiterste best dienen te doen om ervoor te zorgen dat de film getiteld “ [naam film] ” offline wordt gehaald.
3.2.
De moeder en haar partner voeren verweer. De moeder en haar partner concluderen tot niet-ontvankelijkheidsverklaring van de vader in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vader. Ook vorderen zij de vader te veroordelen in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat de vader daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de rechter in kort geding fungeert als restrechter in zaken met een spoedeisend karakter. Op grond van artikel 254 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan in
allespoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist, de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen. Van spoedeisendheid kan worden gesproken, wanneer enerzijds onverwijld handelen geboden is en anderzijds de loop van en de beslissing in een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Gelet op het voorlopige karakter van de kort gedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er evenmin plaats voor nadere bewijsvoering.
4.3.
Het voor dit kort geding vereiste spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen en de stellingen van partijen. De vader is dan ook ontvankelijk in zijn vorderingen.
Inhoudelijke beoordeling
Vordering 1: het contact tussen de moeder en [het kind]
4.4.
Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 augustus 2025 is een zorgregeling tussen de moeder en [het kind] vastgesteld. Als uitgangspunt geldt dat een vastgestelde zorgregeling moet worden nagekomen, tenzij er feiten en omstandigheden zijn waaruit volgt dat uitvoering van de zorgregeling niet meer in het belang is van een kind. Die omstandigheden doen zich voor als aangenomen moet worden dat bij handhaving van de zorgregeling de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind ernstig nadeel zal ondervinden of het contact anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind, dan wel er ernstige aanwijzingen zijn dat een ouder niet meer geschikt of in staat is om omgang met het kind te hebben. Het maakt daarbij niet uit dat de zorgregeling is vastgesteld op grond van artikel 1:265f lid 2 BW.
4.5.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat er tussen de ouders sprake is van een turbulente voorgeschiedenis. [het kind] heeft na de echtscheiding van haar ouders bij de moeder (en haar partner) gewoond en er was sprake van een zorgregeling tussen de vader en [het kind] . Uit de stukken en wat op de mondelinge behandeling is besproken volgt dat de ouders meerdere procedures hebben gevoerd over het contact tussen de vader en [het kind] waarin de moeder de vader (en ook opa vaderszijde) beschuldigde van seksueel misbruik en het contact tussen de vader en [het kind] had stop gezet. [het kind] is meerdere keren (lichamelijk) onderzocht door meerdere artsen en er heeft een taxatiegesprek en een second opinion plaatsgevonden, maar er is daarin nooit enig signaal van seksueel misbruik waargenomen. In de tussen de ouders gevoerde procedures is meerdere keren geoordeeld dat er contact moet zijn tussen de vader en [het kind] en de moeder is veroordeeld om de zorgregeling na te komen. De moeder bleef de vader desondanks beschuldigen van seksueel misbruik en bleef [het kind] belasten met onderzoeken naar het vermeende seksueel misbruik. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat [het kind] niet meer bij de moeder (en haar partner) woont. [het kind] is op 12 oktober 2023 met spoed uit huis geplaatst bij de vader en vervolgens op 30 april 2024 uit huis geplaatst bij oma vaderszijde waar zij nu nog steeds woont. Er is sprake van een zorgregeling tussen de moeder en [het kind] . Op dit moment verblijft [het kind] wekelijks bij de moeder van vrijdag 14.00 uur tot zaterdag 14.00 uur. Dit contact wordt al enige tijd niet meer begeleid. De GI heeft de regie over de uitvoering van de zorgregeling.
4.6.
De vader vordert in dit kort geding te bepalen dat het contact tussen de moeder en [het kind] weer onder volledige begeleiding dient plaats te vinden, in ieder geval voor de duur van de uithuisplaatsing, dan wel andere maatregelen te treffen ter waarborging van de veiligheid en belangen van [het kind] tijdens het contact met de moeder. De aanleiding is dat de vader op 18 mei 2026 is gebeld door de pleegzorgwerker van Entrea Lindenhout, mevrouw [zorgwerker] . Zij had online beelden gevonden van [het kind] op social media(YouTube, Instagram, Facebook, Spotify en TikTok) die belastend zijn voor [het kind] , de vader en opa vaderszijde. De online beelden betreffen een film, gemaakt door ‘ [accountnaam betrokkene 2] ’ met als titel “ [naam film] ”. In deze film worden beeld- en geluidsfragmenten van [het kind] en verslagen van de voormalige kindbehartiger en GZ-psycholoog van [het kind] getoond. De stemmen van [het kind] , de moeder en haar partner zijn daarin te horen. In de online beelden worden door de moeder en haar partner suggestieve vragen gesteld aan [het kind] over het vermeend seksueel misbruik door de vader en opa vaderszijde en worden die vragen door [het kind] beantwoord. Ook worden er foto’s van de vader en opa vaderszijde getoond. Naar aanleiding daarvan heeft de vader de GI verzocht om te bepalen dat het contact tussen de moeder en [het kind] voortaan weer begeleid zal zijn. Omdat de GI daartoe niet overgaat, vordert de vader dit nu in dit kort geding.
4.7.
De vader brengt in de stukken en op de mondelinge behandeling naar voren dat hij en zijn vader jarenlang door de moeder en haar partner zijn beschuldigd van seksueel misbruik. [het kind] is naar aanleiding daarvan meerdere keren onderzocht. In de verschillende onderzoeken is geconcludeerd dat seksueel misbruik onwaarschijnlijk was. De moeder en haar partner bleven echter vasthoudend in hun overtuiging. Na de spoeduithuisplaatsing van [het kind] hebben zij spijt betuigd, maar zij handelen daar – zo blijkt nu - niet naar. De moeder en haar partner hebben de beeld- en geluidsfragmenten, foto’s en verslagen die online staan gedeeld met [betrokkene 1] ( [accountnaam betrokkene 1] ) en [betrokkene 2] ( [accountnaam betrokkene 2] ). [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] hebben de film gemaakt en op social media geplaatst. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben de moeder gesproken en hebben van haar het beeld- en geluidsmateriaal, de foto’s en de verslagen van de hulpverlening ontvangen, zo blijkt uit de verklaringen die van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn overgelegd. Over de foto’s en videobeelden die online staan, merkt de vader op dat deze deels onherkenbaar zijn gemaakt, maar dat het – voor iedereen die hen kent - duidelijk is dat het om [het kind] , de vader en opa vaderszijde gaat. Het is de vader niet gelukt om de film offline te laten halen. De vader is geschokt door de film, niet alleen door de herkenbare beelden en stemmen maar ook door wat [het kind] vertelt en de indringende manier waarop zij wordt ondervraagd door de moeder en haar partner over het vermeende seksueel misbruik. De vader leidt hieruit af dat de moeder en haar partner het vermeende seksueel misbruik niet kunnen loslaten. [het kind] dient daartegen beschermd te worden. De ouders hebben het gezamenlijk gezag over [het kind] . De moeder had kunnen weten dat de vader het niet eens was met plaatsing van deze beelden online van [het kind] . De moeder heeft de belangen van [het kind] geschaad door haar handelen. Ook belast zij [het kind] . Er is volgens de vader een onaanvaardbaar risico dat de moeder (en haar partner) [het kind] opnieuw zullen belasten met het voeren van gesprekken over het vermeende seksueel misbruik en het maken van film- en geluidsopnames hiervan. Om die reden meent de vader dat het contact tussen [het kind] en de moeder weer begeleid moet plaatsvinden. Hij wil dat de veiligheid van [het kind] gewaarborgd is.
4.8.
De moeder en haar partner brengen in de stukken en op de mondelinge behandeling naar voren dat er geen noodzaak is om terug te gaan naar een begeleide zorgregeling. Begeleid contact is eerder positief afgesloten. De moeder en haar partner betwisten dat de veiligheid van [het kind] bij hen thuis in het geding is. Er is geen verband tussen de film en de veiligheid van [het kind] bij de moeder. Het beeld- en geluidmateriaal is drie jaar oud en daarmee niet recent opgenomen. De moeder geeft aan dat zij de film- en geluidsopnames destijds op advies van de zedenpolitie heeft gemaakt. De moeder heeft via via contact gekregen met [betrokkene 1] . De moeder dacht dat [betrokkene 1] een professional was op het gebied van kinderen. De moeder heeft haar hart gelucht bij [betrokkene 1] en het beeld- en geluidmateriaal gedeeld met [betrokkene 1] omdat [betrokkene 1] zich zorgen maakte over de situatie van [het kind] . [betrokkene 1] heeft [betrokkene 2] er daarna bij betrokken, waarna zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] de beelden op eigen initiatief hebben geplaatst op diverse social media kanalen. De moeder en haar partner wisten niet dat zij dit zouden doen en hebben hier ook geen toestemming voor gegeven. Zij zijn niet blij met wat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gedaan hebben en het vertrouwen in hen is beschadigd. Het handelen van de moeder in het verleden is voortgekomen uit de zorgen die zij had over het seksueel misbruik door de vader en opa vaderszijde. De moeder vindt dat er nooit goed onderzoek is gedaan. De moeder geeft aan dat zij het vermeende seksueel misbruik heeft losgelaten. Dit speelt geen rol meer in het contact dat zij heeft met [het kind] . De zorgregeling loopt goed en er zijn geen signalen dat de moeder [het kind] belast of dat [het kind] iets heeft meegekregen van de online beelden. Er is dan ook geen sprake van onveiligheid van [het kind] bij de moeder en haar partner thuis.
4.9.
De GI brengt op de mondelinge behandeling naar voren geschokt te zijn over het feit dat de beelden van [het kind] online zijn gedeeld. Er is naar aanleiding hiervan een stopbrief naar de moeder gestuurd. Binnenkort is er een andere GI betrokken bij [het kind] en de ouders, omdat er een verzoek ligt tot vervanging van de GI waarmee de vader al heeft ingestemd en de moeder nog instemming moet verlenen. De GI vermoedt dat de moeder dit moment daarom heeft aangegrepen om het seksueel misbruik weer naar voren te brengen. Dat maakt de betrouwbaarheid van de moeder moeilijk in te schatten, zeker omdat ze eerder aangaf spijt te hebben van de beschuldigingen richting de vader en opa vaderszijde. Over de zorgregeling merkt de GI op dat deze goed verloopt. Er zijn geen signalen dat het minder goed zou gaan met [het kind] bij de moeder (en haar partner) thuis. De huidige zorgregeling met overnachting kan niet worden uitgevoerd als het contact tussen moeder en [het kind] weer begeleid moet zijn. [het kind] geniet van het contact met de moeder en de GI wil dit [het kind] niet afnemen. Er zijn op dit moment geen signalen dat er nieuwe film- en/of geluidsopnames worden gemaakt door de moeder (en haar partner) over het vermeende seksueel misbruik. De GI heeft de zorgregeling daarom niet gewijzigd naar aanleiding van wat er is gebeurd. Desondanks vindt de GI het handelen van de moeder (en haar partner) wel heel erg zorgelijk.
4.10.
De Raad brengt op de mondelinge behandeling naar voren dat het schokkend is dat de beelden van [het kind] online staan. Ook is het feit dat de beelden door de moeder (en haar partner) gemaakt zijn, schokkend. Daar begint het mee. Het legt enorm veel druk op een kind om een dergelijk filmpje te maken en haar te bevragen op de manier die de moeder (en haar partner) hebben gedaan. Het kind wordt daarmee in een bepaalde hoek gezet. Dit soort gesprekken moeten worden gevoerd door een professional en niet door een ouder zelf. De Raad merkt op dat de moeder bagatelliseert hoe groot de impact is van het delen van het filmpje van [het kind] . Zij lijkt de gevolgen van haar handelen niet te overzien. Het zou een goed signaal zijn als de moeder aangifte zou doen tegen de personen die de beelden online hebben geplaatst. De Raad vindt dat de moeder (en haar partner) geen gesprekken met [het kind] moeten voeren die gaan over het vermeende seksueel misbruik. Ook moeten de moeder (en haar partner) hiervan geen film- en geluidsopnames maken. Over het contact tussen de moeder en [het kind] hebben oma vaderszijde en de vader naar voren gebracht dat het best goed gaat met [het kind] . De Raad hoort ook wel signalen dat [het kind] klem zit, bijvoorbeeld dat ze niet vrijuit vertelt bij oma vaderszijde wat zij bij de moeder heeft gedaan. Voor [het kind] zou het goed zijn als zij een neutrale plek heeft waar zij vrijuit kan vertellen wat er in haar omgaat. De jeugdbeschermer of pleegzorgwerker zou deze rol op zich kunnen nemen. Deze gesprekken moeten wekelijks plaatsvinden enkele dagen na het contact tussen [het kind] en de moeder.
Ten aanzien van het contact tussen de moeder en [het kind] adviseert de Raad dat de uitvoering onder regie van de GI is en moet blijven. Er moeten wel heel duidelijke afspraken worden gemaakt met de moeder (en haar partner). Er moeten geen film- en geluidsopnames meer worden gemaakt en gedeeld over het vermeende seksueel misbruik. Ook moet er niet meer worden gesproken met [het kind] over het vermeende seksueel misbruik. De Raad adviseert dat dit gebeurt in de vorm van een schriftelijke aanwijzing van de GI aan de moeder. De Raad adviseert het verzoek om het contact begeleid te laten plaatsvinden af te wijzen.
4.11.
De voorzieningenrechter zal, alles afwegende, de vordering van de vader afwijzen. Zij volgt daarmee het advies van de Raad. De voorzieningenrechter stelt vast dat het goed gaat met [het kind] . Dit is op de mondelinge behandeling bevestigd door oma vaderszijde, de vader en de moeder. Zowel oma vaderszijde als de vader en de moeder hebben op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij geen verandering hebben gezien in het gedrag of de gemoedstoestand van [het kind] sinds de beelden online staan of in de periode ervoor. Het contact tussen de moeder en [het kind] verloopt goed. [het kind] geniet van het contact met de moeder en weet niets van de online beelden en deze procedure.
4.12.
Op de mondelinge behandeling is naar aanleiding van het raadsadvies gesproken over het geven van een schriftelijke aanwijzing door de GI aan de moeder met als inhoud dat de moeder geen beeld- en/of geluidsopnames van [het kind] mag maken waarin met [het kind] gesproken wordt over het vermeende seksueel misbruik en geen beeld- en geluidsmateriaal van [het kind] of andere documenten die betrekking hebben op het vermeende seksueel misbruik met derden mag delen. De GI heeft toegezegd dit direct na de mondelinge behandeling op te pakken en de moeder heeft aangegeven dat zij zich hieraan zal committeren. De voorzieningenrechter heeft de schriftelijke aanwijzing na de mondelinge behandeling ontvangen van de GI. Ook heeft de GI laten weten dat de moeder inmiddels heeft ingestemd met het verzoek tot vervanging van de GI.
4.13.
Op de mondelinge behandeling is naar aanleiding van het raadsadvies ook gesproken over het inschakelen van een kindbehartiger of andere professional voor [het kind] om wekelijkse gesprekken met haar te voeren enkele dagen nadat zij bij de moeder is geweest. Dit is belangrijk om zicht te houden op hoe het met [het kind] gaat in de contactmomenten met de moeder. Beide ouders hebben aangegeven dat zij zich kunnen vinden in dit advies. De GI heeft aangegeven dat de pleegzorgwerker, mevrouw [zorgwerker] daarvoor de meest aangewezen persoon is en de ouders hebben daarmee ingestemd. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de GI dit zo snel mogelijk zal inzetten.
4.14.
Op de mondelinge behandeling is verder besproken dat de beeld- en geluidsfragmenten van [het kind] meer dan drie jaar oud zijn. Hierop is [het kind] te zien als een meisje dat een stuk jonger is dan nu. Hiermee staat niet vast dat de moeder recent beeld- en/of geluidsopnames heeft gemaakt van [het kind] waarin met haar gesproken wordt over het vermeende seksueel misbruik. Wel staat vast dat de moeder dit materiaal recent gedeeld heeft met derden.
4.15.
De voorzieningenrechter ziet alles afwegende nu geen noodzaak om het huidige contact tussen de moeder en [het kind] te wijzigen naar begeleid contact. Met de schriftelijke aanwijzing en de inzet van een wekelijkse gesprekken met [het kind] wordt de veiligheid van [het kind] in het contact met de moeder voor nu voldoende gewaarborgd. De voorzieningenrechter vindt het wel belangrijk dat de GI toezicht houdt op de naleving van de schriftelijke aanwijzing en daadwerkelijk actie onderneemt indien de moeder zich niet aan de schriftelijke aanwijzing houdt. Dan lijkt begeleid contact nog de enige manier om de veiligheid van [het kind] te waarborgen.
Vordering 2: verbod verspreiden gegevensdragers [het kind] en dwangsom
4.16.
De vader vordert in dit kort geding ook om de moeder en haar partner te verbieden om gegevensdragers van [het kind] , waarin zij verklaart over het vermeende seksueel misbruik en/of zij herkenbaar c.q. identificeerbaar is, (verder) te verspreiden, dan wel een verbod op te leggen ter waarborging van rechten en belangen van [het kind] , op straffe van een dwangsom. De vader heeft naar voren gebracht dat de moeder de beelden zonder zijn toestemming heeft gemaakt (samen met haar partner) en heeft verstrekt aan derden waarna deze online zijn geplaatst en verspreid. [het kind] is herkenbaar en identificeerbaar te zien en te horen in de film. Haar gezicht is dan weliswaar met een filter onduidelijk gemaakt maar voor mensen die [het kind] kennen (zoals de pleegzorgwerker) is [het kind] alsnog herkenbaar. Dit geldt ook voor de vader en opa vaderszijde die in de film door middel van foto’s te zien zijn. De moeder heeft daarmee in strijd met het recht op privacy en het belang van [het kind] gehandeld. De vader is bang dat de moeder en haar partner nieuw beeld- of geluidsmateriaal opnemen van [het kind] en met derden delen of, al dan niet via derden, verspreiden en hij wil [het kind] hiertegen beschermen. Dit geldt ook voor de vader zelf en opa vaderszijde die in de reacties op de online beelden hatelijke berichten en bedreigingen naar zich toegeworpen krijgen.
4.17.
De moeder en haar partner voeren verweer en stellen dat zij de beelden van [het kind] niet zelf online hebben gezet en ook niet zelf hebben verspreid. Zij hebben op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij zich niet verzetten tegen toewijzing van de vordering en de dwangsom. Zij willen hiermee laten zien dat ook zij [het kind] willen beschermen tegen het verspreiden van beeld- en geluidsmateriaal waarop zij te zien en/of te horen is.
4.18.
De Raad adviseert de vordering toe te wijzen inclusief de dwangsom, omdat de moeder en haar partner niet in het belang van [het kind] hebben gehandeld. Zij hebben gesprekken gevoerd met [het kind] die gaan over het vermeend seksueel misbruik, hiervan opnames gemaakt en deze opnames gedeeld met derden. Dit is schadelijk voor [het kind] .
4.19.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de stukken en wat op de mondelinge behandeling is besproken voldoende is komen vast te staan dat de moeder en haar partner gesprekken met [het kind] hebben gevoerd over het vermeende seksueel misbruik en hiervan opnames hebben gemaakt. Ook is voldoende komen vast te staan dat de moeder en haar partner die opnames hebben gedeeld met derden. De voorzieningenrechter acht het handelen van de moeder en haar partner schadelijk voor [het kind] . Het maken van dit soort beeld- en geluidsfragmenten maakt een vergaande inbreuk op de belangen van [het kind] (waaronder het recht op privacy [1] ), zeker als de beelden daarna worden gedeeld met derden en online worden verspreid. [het kind] is nu nog jong, maar zij draagt de online beelden de rest van haar leven met zich mee en dat is belastend. De voorzieningenrechter is, net als de Raad, van oordeel dat de moeder en haar partner de beelden nooit hadden moeten maken. Dat de zedenpolitie dit heeft geadviseerd, is volstrekt ongeloofwaardig. Ook hadden de moeder en haar partner de beelden nooit moeten delen met derden. Zij hebben daarmee welbewust het risico genomen dat deze derden de beelden via social media zouden verspreiden. De voorzieningenrechter ziet dan ook net als de Raad de noodzaak om [het kind] hiertegen te beschermen.
4.20.
De voorzieningenrechter zal de vordering gelet op het voorgaande toewijzen, in zoverre dat het de moeder en haar partner verboden wordt om gegevensdragers van [het kind] , waarin zij verklaart over het vermeende seksueel misbruik en/of zij herkenbaar c.q. identificeerbaar is, te maken, (met derden) te delen en (via derden) te verspreiden. Ook de dwangsom die eraan is verbonden zal de voorzieningenrechter toewijzen.
Vordering 3: zich inspannen dat de film offline wordt gehaald
4.21.
De vader vordert de moeder en haar partner te veroordelen om al het mogelijke te doen (zich in te spannen) om het platform dan wel de plaatser(s) van de video zover te krijgen de film “ [naam film] ” offline te halen.
4.22.
De vader brengt naar voren dat hij verwacht dat de moeder en haar partner [betrokkene 1] de opdracht geven om de film en de daarbij geplaatste berichten/reacties op haar social media kanalen staan te verwijderen. Ook verwacht de vader dat de moeder en haar partner [betrokkene 2] opdracht geven om datzelfde te doen op zijn social media kanalen.
4.23.
De moeder en haar partner geven aan dat zij zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] hebben gevraagd de beelden offline te halen. [betrokkene 1] heeft dat inmiddels gedaan, maar [betrokkene 2] weigert dat te doen. Ze overwegen om aangifte te doen tegen [betrokkene 2] .
4.24.
De voorzieningenrechter zal de vordering afwijzen omdat deze te onbepaald is en niet voor toewijzing vatbaar is. Het is immers afhankelijk van het gedrag van derden, die geen procespartij zijn in deze procedure, of de film offline wordt gehaald. Dit neemt niet weg dat de moeder en haar partner in strijd hebben gehandeld met het recht op privacy en het belang van [het kind] . De moeder en haar partner hadden zich ervan dienen te onthouden om beeld- en geluidsfragmenten van [het kind] te delen met derden en dienen al het mogelijke te doen om deze beeld- en geluidsfragmenten en de daarbij geplaatste berichten/reacties offline te krijgen, al dan niet door middel van het doen van aangifte bij de politie.
Proceskosten
4.25.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat, gelet op de (familie)relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen zullen worden gecompenseerd. Gelet op de (familie)relatie tussen partijen bepaalt de voorzieningenrechter dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt de moeder en haar partner om gegevensdragers van [het kind] , waarin zij verklaart over het vermeende seksueel misbruik en/of zij herkenbaar c.q. identificeerbaar is, te maken, (met derden) te delen en (verder) (via derden) te verspreiden, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per overtreding van het op te leggen verbod, tot een maximum van
€ 50.000 is bereikt;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af;
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Koopman en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.

Voetnoten

1.Dit is vastgelegd in artikel 16 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).