Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:534

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
06/950630-10.tbs.2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:10 SvArt. 5 EVRMArt. 5:1 lid 2 Wet forensische zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek TBS-verlenging na onrechtmatige plaatsing in gesloten setting

Betrokkene is veroordeeld tot TBS met verpleging van overheidswege, waarvan de verpleging op 3 februari 2025 voorwaardelijk werd beëindigd. Betrokkene verbleef toen in een forensisch beschermd wonen (FBW) locatie, met de bedoeling dit verblijf voort te zetten. Na een incident in juli 2025 werd betrokkene echter teruggeplaatst in een gesloten klinische setting (CTP/FPC Veldzicht) met beveiligingsniveau 3, zonder dat daar een rechterlijke beslissing aan ten grondslag lag.

De rechtbank constateert dat deze plaatsing niet strookt met de voorwaarden van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging, die enkel ambulante behandeling voorschrijven. De huidige situatie impliceert feitelijke vrijheidsbeneming, wat alleen door de rechter kan worden opgelegd. De reclassering adviseert verlenging van de TBS-maatregel, maar pleit niet voor hervatting van klinische verpleging, terwijl de hoofdbehandelaar en psycholoog een resocialisatietraject met intensieve monitoring prefereren.

De rechtbank acht het noodzakelijk nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een herstart van de TBS met voorwaardelijk beëindigde verpleging, passend binnen een FBW of soortgelijke setting, en niet in een gesloten klinische omgeving. De behandeling van de verlengingsvordering wordt heropend en een nieuwe zitting gepland, waarbij ook een medewerker van de Dienst Individuele Zaken wordt gehoord.

Uitkomst: De rechtbank heropent het onderzoek en beveelt nader onderzoek naar passende verblijfsmogelijkheden binnen een FBW of soortgelijke instelling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats: Arnhem
Parketnummer: 06/950630-10
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Beslissing van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 6:6:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1987,
thans verblijvende in het Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) Veldzicht te Balkbrug ,
raadsvrouw: mr. L. Schouten, advocaat in Amsterdam.

1.1. Procedure

1.1
Betrokkene is op 16 december 2011 bij arrest van het gerechtshof Arnhem veroordeeld tot 2 jaren gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Deze maatregel is ingegaan op 21 januari 2012 en het laatst verlengd bij beslissing van de rechtbank van 3 februari 2025.
1.2
Bij beslissing van 3 februari 2025 is de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigd.
1.3
Bij vordering van 10 december 2025, ingekomen op 11 december 2025, heeft de officier van justitie gevorderd dat deze maatregel wordt verlengd voor de duur van twee jaren.
1.4
De rechtbank heeft verder kennis genomen van de volgende processtukken:
- het adviesrapport van de reclassering van 28 november 2025, waarin wordt geadviseerd de terbeschikkingstelling met voorwaarden te verlengen met twee jaren;
- een afschrift van de voortgangsverslagen;
- het advies van psycholoog S. Labrijn van 23 november 2025, waarin wordt geadviseerd de terbeschikkingstelling met voorwaarden te verlengen met twee jaren.
1.5
Ter zitting van 9 januari 2026 zijn gehoord:
- betrokkene;
- zijn raadsvrouw;
- de deskundige J. van Teijlingen, hoofd behandelaar bij FPC Veldzicht ;
- de deskundige E. de Haan, reclasseringswerker en tweede toezichthouder bij Tactus reclassering;
- de deskundige B. de Jong, reclasseringswerker bij Tactus reclassering;
- de deskundige S. Labrijn, GZ-psycholoog en pro-justitia-rapporteur, en
- de officier van justitie, mr. J.G. Kolkman.

2.De standpunten

2.1
De officier van justitie heeft ter zitting de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar gehandhaafd, nu aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan.
2.2
De raadsvrouw heeft primair gepleit voor beëindiging van de maatregel. Subsidiair is bepleit over te gaan tot een verlenging van de tbs met één jaar, met zodanige wijziging van de voorwaarden dat betrokkene zal worden opgenomen in een FBW of soortgelijke instelling. Daarbij is gewezen op artikel 5:1 tweede Pro lid van de Wet forensische zorg, op basis waarvan de rechtbank kan bepalen dat een FBW een afdoende beveiligingsniveau biedt. In het geval van een verlenging van de tbs met 2 jaar is meer subsidiair bepleit ook dan over te gaan tot wijziging van de voorwaarden op de manier zoals voorgesteld door de verdediging.

3.De beoordeling

Indexdelict
3.1
De terbeschikkingstelling is opgelegd vanwege een poging tot doodslag en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Dat betekent dat wat in ieder geval de poging tot doodslag betreft de maatregel is opgelegd in verband met een misdrijf dat gericht was tegen of gevaar veroorzaakte voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel is dus niet gemaximeerd.
Stoornis
3.2
Uit de rapporten blijkt dat betrokkene lijdt aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met gemengde antisociale, narcistische en borderline persoonlijkheidstrekken, alsook een stoornis in middelengebruik (alcohol, cannabis), in remissie binnen een gereguleerde omgeving. De stoornissen zijn nog altijd aanwezig.
Verloop van de maatregel
3.3
De verpleging van overheidswege is bij beslissing van 3 februari 2025 voorwaardelijk beëindigd. Die beslissing bevat de volgende overweging:
“De samenwerking met de behandelaren is positief en betrokkene heeft stabiliteit op alle leefgebieden opgebouwd. Betrokkene wil zich richten op zijn werk en een zelfstandige woonomgeving. Weliswaar heeft betrokkene pas sinds december proefverlof toegekend gekregen, maar uit de toelichting van de deskundigen blijkt dat betrokkene in de praktijk al veel langer zelfstandig functioneert alsof er proefverlof was verleend, waarbij het recidiverisico steeds laag is geweest. Uit de toelichting van de deskundigen blijkt verder dat betrokkene inmiddels voldoende inzicht in zijn financiën heeft gegeven en een reëel financieel plan heeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat het, gelet op de toelichting op zitting van de kliniek en de reclassering, verantwoord is om de dwangverpleging onder de door de reclassering geformuleerde voorwaarden voorwaardelijk te beëindigen.”
3.4
Betrokkene verbleef ten tijde van deze beslissing in het kader van transmuraal verlof bij de forensisch beschermd wonen locatie van Transfore in [plaats] . De rechtbank gaat er van uit dat het de bedoeling was dit verblijf vooralsnog voort te zetten.
De feitelijke gang van zaken nadien
3.5
In het verlengingsadvies van de reclassering van 28 november 2025 (p.11) wordt een passage uit de ontslagbrief van FBW Transfore geciteerd:
“In de periode voorafgaand aan de voorwaardelijke beëindiging verliep het traject van patiënt over het algemeen redelijk stabiel. Hij maakte op een constructieve manier gebruik van zijn vrijheden, hield zich aan de gemaakte afspraken en toonde zich betrokken bij zijn behandeling. Er was sprake van een geleidelijke opbouw in zelfstandigheid, waarbij patiënt stappen zette richting resocialisatie. Ook het contact met het behandelteam en sociotherapie verliep grotendeels werkbaar, ondanks dat er af en toe sprake was van spanningen of misverstanden. Al met al was er sprake van een gematigd positieve ontwikkeling, waarbij patiënt liet zien in staat te zijn om binnen de kaders van het traject te functioneren.
Na het verkrijgen van de voorwaardelijke beëindiging was er aanvankelijk sprake van opluchting bij patiënt. Hij ervoer meer vrijheid en minder toezicht, wat hem in eerste instantie ruimte gaf. Tegelijkertijd leidde deze verandering ook tot overmoed en een afname in structuur, wat resulteerde in impulsief gedrag en een terugval in middelengebruik. De samenwerking met het behandelteam kwam onder druk te staan, en er ontstonden spanningen in de dagelijkse begeleiding. Deze periode kenmerkte zich door wisselende motivatie, beperkte zelfreflectie en een toename van gedragsmatige ontregeling.”
3.6
Na een escalatie die volgens de FBW en de reclassering uitmondde in bedreigend gedrag en interventie door de politie in juli 2025, heeft TBW Transfore in [plaats] het verblijf van betrokkene beëindigd en is betrokkene overgeplaatst naar CTP/FPC Veldzicht. Betrokkene heeft hier overigens een andere kijk op en er is uiteindelijk geen aangifte gedaan.
3.7
Vervolgens is betrokkene geplaatst bij CTP Veldzicht, in één van de HAT-woningen op het kliniekterrein, met beveiligingsniveau 3.
Het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging
3.8
In het gebruikelijke tbs-traject is de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging, na eerdere verloven en/of proefverlof, de laatste stap in de resocialisering en ook, in beginsel, een noodzakelijke stap om de maatregel te kunnen beëindigen. Doorgaans wordt hieraan invulling gegeven door betrokkene zoveel mogelijk vrijheid te verlenen en eigen verantwoordelijkheid te geven als verantwoord is (gezien diens psychische gesteldheid en capaciteiten) en anderzijds een dusdanig kader van toezicht en risicomanagement te scheppen als noodzakelijk is voor de veiligheid van de samenleving. De kliniek is uit beeld (betrokkene wordt daar uitgeschreven) en de reclassering wordt verantwoordelijk voor toezicht en begeleiding; van behandeling is amper nog sprake, afgezien soms van medicamenteuze behandeling.
3.9
Betrokkene verblijft momenteel bij CTP Veldzicht met beveiligingsniveau 3. Hij is daar geplaatst na een incident op 7 juli 2025 in zijn FBW-locatie waarna Transfore het verblijf heeft beëindigd.
3.1
Niet duidelijk is wat de wettelijke grondslag is voor deze plaatsing.
3.11
Duidelijk is wel dat het hier in ieder geval niet gaat om een ‘crisisplaatsing’ voor maximaal (2 x) zeven weken, daarover is iedereen het eens (voorwaarde onder 3). Er is immers geen sprake van voorgenomen terugkeer naar de aangewezen woonplek en betrokkene verblijft hier al enkele maanden. Bovendien kan dat alleen met hetzij instemming van betrokkene, hetzij toestemming van de rechter.
3.12
De officier van justitie heeft gewezen op de vijfde voorwaarde van de voorwaardelijke beëindiging verpleging. Deze luidt, voor zover van belang:
“Betrokkene laat zich behandelen indien de reclassering dit nodig acht door Transfore of een soortgelijke instelling of zorgverlener, te bepalen door de reclassering. …”
3.13
Deze voorwaarde ziet in ieder geval tekstueel op
behandelingbij Transfore en niet op
verblijf, zoals door de officier van justitie en de raadsvrouw gesteld. De door de rechtbank destijds geformuleerde voorwaarden zijn immers één op één overgenomen uit het maatregelrapport van de reclassering van 20 november 2024, waar dezelfde voorwaarde is geformuleerd op p. 4, onder het kopje “ambulante behandeling”. Hieruit volgt dat deze voorwaarde evident ziet op ambulante behandeling en niet kan worden gezien als grondslag voor gedwongen verblijf binnen een gesloten setting van een FPC/CPT. De opgelegde ambulante woonbegeleiding (onder 6) spoort ook niet met een gedwongen verblijf in de gesloten setting van een FPC. De stelling van het openbaar ministerie dat dit de grondslag is voor het verblijf in CPT Veldzicht moet daarom worden verworpen.
3.14
Over de plaatsing in Veldzicht vermeldt het reclasseringsadvies (p. 5)):
“Betrokkene zijn plaatsing in ctp Veldzicht is tot stand gekomen vanwege een administratieve fout in het systeem van Veldzicht. Veldzicht heeft nooit het forensisch psychiatrisch toezicht afgesloten waardoor de Dienst individuele Zaken (DIZ) hem onder deze noemer geplaatst heeft in ctp Veldzicht.”
3.15
Ter zitting werd duidelijk dat betrokkene buiten zijn verlofkader niet zonder toestemming het terrein van de kliniek kan verlaten. Dit lijkt een zodanige mate van vrijheidsbeneming te impliceren, dat feitelijk sprake is van vrijheidsbeneming. Ook het gegeven dat betrokkene voor verlating van het kliniekterrein afhankelijk is van het daartoe strekkend verlofkader, past eerder bij een tbs met dwangverpleging dan bij een tbs met voorwaardelijk beëindigde dwangverpleging.
3.16
Het is de rechtbank niet bekend of voor dit verlof een machtiging door de minister is verleend na advisering door het Avt, zoals wel gebruikelijk bij tbs met dwangverpleging maar niet bij tbs met beëindigde dwangverpleging. De rechtbank wil hierover graag opheldering en beschikken over een eventueel advies van het Avt en besluit van de minister.
De voorlopige beoordeling van dit alles
3.17
De vraag is hoe dit alles zich verhoudt met het kader van de voorwaardelijk beëindigde verpleging. De raadsvrouw heeft terecht gewezen op vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat alleen de rechter kan besluiten tot vrijheidsbeneming en niet de reclassering (noch enige dienst van het ministerie), welke lijn door de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is door getrokken naar de situatie van terbeschikkingstelling. [1] Opname in een gesloten setting tegen de wens van betrokkene is mogelijk in het kader van tbs met dwangverpleging, maar opname in een gesloten setting in het kader van een tbs met voorwaarden of een tbs met voorwaardelijk beëindigde dwangverpleging kan alleen met instemming van betrokkene. Van die instemming is vooralsnog niet gebleken, integendeel.
3.18
Voorshands lijkt het erop dat het gedwongen verblijf van betrokkene in de gesloten setting van CPT/FPC Veldzicht niet in overeenstemming is met de regels en beginselen van de tbs-wetgeving en systematiek. De raadsvrouw heeft dit verblijf onrechtmatig genoemd en in strijd met artikel 5 EVRM Pro.
Hoe moet het verder?
3.19
Volgens de reclassering was de tbs met dwangverpleging veelal gericht op risicomanagement en niet op behandeling van de onderliggende problematiek, mede door gebrek aan motivatie voor behandeling bij betrokkene. Alleen het bieden van externe structuur en begeleiding, waarvan betrokkene afhankelijk is, is niet voldoende gebleken. Het heeft de psychische problematiek wellicht deels naar de achtergrond kunnen verdringen, maar het is nog altijd aanwezig. Behandeling binnen een klinische setting wordt noodzakelijk geacht, want een alternatief zonder of met minder risicomanagement zou niet voldoende zijn gebleken om de maatschappelijke veiligheid te waarborgen (p.3). Het is opmerkelijk dat dan wordt volstaan met plaatsing naar een HAT woning op het terrein van Veldzicht, waar, naar het zich laat aanzien, nauwelijks behandeling plaatsvindt. Daarvan wordt in ieder geval geen gewag gemaakt in het reclasseringsadvies.
3.2
Opvallend is dat, waar de reclassering van mening is dat het tot dusverre doorlopen klinische traject kennelijk onvoldoende effectief was, waardoor betrokkene, achteraf gezien, klaarblijkelijk niet klaar was voor een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging, kennelijk niet een hervatting van de verpleging adviseert maar plaatsing in een FPA voorstaat voor voortgezette behandeling van de kernproblematiek. Probleem is echter dat betrokkene door verschillende FPA’s is afgewezen wegens zijn voorgeschiedenis van problematisch en gewelddadig c.q. dreigend gedrag (p. 11-12 reclasseringsadvies).
3.21
Hoofdbehandelaar J. van Teijlingen van CTP Veldzicht en NIFP-rapporteur Labrijn zien dat anders. Zij achten plaatsing in een FPA weinig zinvol vanwege ontbrekende motivatie en een ontbrekende behandelvraag, gegeven de ervaringen uit het verleden. Betrokkene zal dan meer behandeldruk ervaren wat alleen maar demotiverend werkt. Labrijn geeft vanuit gedragskundige optiek de voorkeur aan een resocialisatietraject, waarbij vrijheden en verantwoordelijkheden geleidelijk aan worden opgebouwd en zeer goed gemonitord worden. Bij oplopende spanningen en hieruit voortvloeiend verkilling/verharding, zal hieraan aandacht besteed moeten worden. Het opnieuw starten van een dergelijk traject, waarbij betrokkene bovendien traumabehandeling krijgt, en waarbij er geïnvesteerd wordt in een goed contact met betrokkene, hij intensief gevolgd/gemonitord wordt (ook met het oog op het zich onthechten), waarbij de uitbreiding van verantwoordelijkheden volgens lijnen der geleidelijkheid verloopt, heeft de meeste kans van slagen. Bij (lichte) incidenten zou betrokkene niet weggestuurd moeten worden, maar moeten werken aan herstel van de werkrelaties.
3.22
De rechtbank acht het van belang dat nader onderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheden voor een herstart van de tbs met voorwaardelijk beëindigde dwangverpleging zoals deze ooit bedoeld is. Dus niet resulterend in een quasi-klinische opname in een CTP/FPC met een regime zoals wordt gehanteerd bij tbs met dwangverpleging, zoals thans het geval is. Die fase van behandeling heeft al twaalf jaren geduurd. Als een vervolg in deze richting uiteindelijk onafwendbaar blijkt te zijn, kan het openbaar ministerie een vordering tot hervatting van de verpleging indienen.
3.23
Op dit moment is de rechtbank er echter niet van overtuigd dat de mogelijkheden voor een behandeling c.q. resocialisatie buiten een klinische setting uitgeput zijn.
3.24
Gestreefd moet worden naar het vinden van een verblijfplek voor betrokkene conform de geldende voorwaarden. Zoals hiervoor overwogen (3.4) moet worden aangenomen dat hierbij het bedoeling was betrokkene te huisvesten in een Forensisch Beschermd Wonen locatie.
3.25
De behandeling van de verlengingsvordering wordt daarom heropend om die mogelijkheden te laten onderzoeken. De rechtbank geeft de officier van justitie de opdracht om de mogelijkheden in kaart te brengen en te adviseren op de volgende verlengingszitting, die over ongeveer 3 maanden gepland zal worden. Die volgende zitting dient plaats te vinden op een vrijdag in de locatie Arnhem.
3.26
De rechtbank hecht er waarde aan ook een medewerker van de Dienst Individuele Zaken van het ministerie te horen over de gang van zaken en de mogelijkheden voor een herstart van de terbeschikkingstelling met beëindigde dwangverplaatsing en plaatsing in een forensisch beschermd wonen of soortgelijke instelling.
De beslissing
De rechtbank:
heropent het onderzoek en bepaalt dat dit zal worden hervat op een nader te bepalen datum over ongeveer drie maanden op een vrijdag in de locatie Arnhem;
geeft opdracht aan de officier van justitie om de mogelijkheden in kaart te brengen voor een verblijfplek voor betrokkene dat ofwel een FBW is, ofwel een soortgelijke plek conform de huidige voorwaarden;
gelast de oproeping van betrokkene, zijn raadsvrouw, de deskundigen en een medewerker van DIZ voor de volgende zitting.
Deze beslissing is gegeven door mr. Y. Rikken, voorzitter, mr. M.E. Snijders en mr. F.J.H. Hovens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 januari 2026.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (PK) 15 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10739.