Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.[naam gedaagde sub. 1] ,
2.
[naam gedaagde sub. 2],
3.
[naam gedaagde sub. 3],
4.
[naam gedaagde sub. 4],
5.
[naam gedaagde sub. 5],
6.
ROBERT NORMAN [gedaagde sub. 6],
7.
[naam gedaagde sub. 7],
8.
[naam gedaagde sub. 8],
9.
[naam gedaagde sub. 9],
1.De procedure
2.De feiten
) overgaan (…) in de stand en de staat, waarin het zich thans bevindt, met alle daartoe behorende en daarop rustende, heersende en lijdende erfdienstbaarheden, rechten en plichten, geheel zoals het tot nu toe heeft toebehoord aan (…verkoper, rb
), die tot generlei vrijwaring zal gehouden zijn, behoudens die voor uitwinning. Partijen zullen terzake van over- of ondermaat generlei rechtsvordering tegen elkander hebben.
Omschrijving van de aangewezen kadastrale grenzen” vermeld:
“Grens afgepaald door middel van 1x spijker, 1x rood krijtstreep, 1x piket, 1x ijzeren buis, 1x rode verfstip op beton en 1x bestaande steen.”
3.Het geschil
primair:
4.De beoordeling
“een ter plaatse kennelijk aangeduid en afgepaald gedeelte”betreft en dat de haag, die toen er toen al stond, de erfgrens vormde. Gedaagden betwisten dat de grens van het perceel van [de eiser in conventie] door de haag werd gevormd, juist omdat in de leveringsakte staat dat het perceel is “afgepaald” en de haag daarin niet wordt genoemd. Gedaagden onderbouwen hun betwisting met verklaringen van de vorige eigenaren van het buurperceel die stellen dat de haag op hun perceel stond.
“afgepaald gedeelte”in de akte gaat de rechtbank ervan uit dat de erfgrens destijds is gemarkeerd door een daartoe aangebrachte markering (zoals door spijkers, piketpalen, buizen en/of stenen). Niet duidelijk is waar die markering heeft gestaan. [de eiser in conventie] heeft op vragen daarover ter zitting geen duidelijk antwoord gegeven en uit stellingen van partijen of overgelegde foto’s is dat evenmin gebleken. Dat de haag er in 1957 al was en een logische erfgrens was, zoals [de eiser in conventie] stelt en volgens hem blijkt uit de door hem als productie 29 overgelegde foto’s, betekent nog niet dat de haag ook als zodanig is bedoeld en aangewezen bij de splitsing. Op de zitting heeft de advocaat van [de eiser in conventie] zich afgevraagd waarom de haag zou zijn geplant als deze niet als erfafscheiding is bedoeld. De haag – die er kennelijk in 1957 al was – is echter niet als erfafscheiding geplant. In 1957 waren het perceel van [de eiser in conventie] en het buurperceel immers nog niet gesplitst, zodat de haag toen niet als erfafscheiding diende en dat de haag bij splitsing als erfafscheiding is aangewezen wordt zonder deugdelijke onderbouwing – die ontbreekt – niet gevolgd. Dat geldt te meer nu mevrouw [naam 1] , de vorige eigenaresse van het buurperceel en de dochter van hiervoor genoemde [de verkoper] , op 29 maart 2025 het volgende heeft verklaard:
Hierbij verklaar ik (…) dat mijn moeder [naam 2] , de toenmalige eigenaresse van [adres] te [woonplaats] , de heg (afscheiding) heeft laten planten.
“op eigen terrein om mandeligheid te voorkomen”.Bij verklaring van 16 maart 2026 hebben de heer en mevrouw [naam 1] hier aan toegevoegd dat het hek bewust op eigen grond is geplaatst om zo onderhoud van het eigen terrein en het hek goed te kunnen doen (productie van 17 maart 2026 van [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] ).
“Naar mijn weten hebben de buren niet aangegeven dat ze het er niet mee eens waren, anders had ik dit op het relaas aangegeven.”Dat door of namens [de eiser in conventie] bezwaren zijn geuit tijdens de meting of formeel bezwaar is gemaakt tegen de daaropvolgende kennisgeving van de kadastrale registratie (kaart) heeft [de eiser in conventie] niet onderbouwd, zodat daarvan niet is gebleken. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de kadastrale kaart en constateert op grond daarvan dat [de eiser in conventie] bij de levering van zijn perceel geen eigenaar is geworden van de strook grond.
“onrechtmatige toestand”impliceert dat sprake moet zijn van een continue inbreuk. Er kan dus pas sprake zijn van bevrijdende verjaring indien blijkt dat gedurende ten minste 20 jaar continue inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht op de strook grond door [de eiser in conventie] .