ECLI:NL:RBGEL:2026:53

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
520841625
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het vervoeren van 1.587 kilogram cocaïne met een gevangenisstraf van 5 jaar en oplegging van de maatregel kostenverhaal

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het vervoeren van 1.587 kilogram cocaïne. De verdachte, geboren in 1970 en op dat moment gedetineerd, werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. K.C. van de Wijngaart. De tenlastelegging omvatte het opzettelijk vervoeren van een grote hoeveelheid cocaïne, wat in strijd is met de Opiumwet. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met twee medeverdachten betrokken was bij het vervoeren van de cocaïne, die was opgeslagen in een koelcel in een bedrijfsloods. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wetenschap had van de verdovende middelen, gezien zijn eerdere bezoeken aan de opslagbox en de camerabeelden die zijn betrokkenheid bevestigden. De rechtbank achtte de verklaring van de verdachte, dat hij niet op de hoogte was van de inhoud van de dozen, niet geloofwaardig. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van voorarrest, en heeft een maatregel tot kostenverhaal opgelegd van € 500,08 per verdachte, gezien de ernst van de zaak en de impact op de volksgezondheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.208416.25
Datum uitspraak : 6 januari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1970 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat in Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 juli 2025 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 1587 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich samen tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van 1587 kilogram cocaïne.
Het standpunt van de verdediging
De raadvrouw heeft vrijspraak bepleit. Verdachte wist niet en kon niet weten dat in de dozen verdovende middelen zaten zodat hij ook geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het vervoeren hiervan. Hij is maar korte tijd in de loods in [plaats 1] geweest. Toen hij terugkwam van het toilet stonden de pallets met dozen afgedekt met plastic al in de laadbak van de bus. Verdachte heeft dan ook geen moment kennis kunnen nemen van de inhoud van de dozen. De enkele omstandigheid dat hij is aangehouden met een flinke hoeveelheid cocaïne met een grote straatwaarde is onvoldoende voor de conclusie dat hij hiervan wetenschap moet hebben gehad. Hij had de opslagbox, waarin hij spullen voor zijn kapperszaak bewaarde, recent geleidelijk leeggeruimd. Reden waarom hij kort voor het feit een aantal keer in de opslagbox is geweest. Ook anderen hadden een toegangspas van deze ruimte.
Beoordeling door de rechtbank
Verbalisanten zagen tijdens observatie op 8 juli 2025 tussen 13:20 en 18:24 uur het volgende. Verdachte [medeverdachte 1] rijdt in een bestelbus Ford Transit voorzien van kenteken [kenteken 1] met verdachte [medeverdachte 2] als bijrijder het terrein op van [bedrijf] aan de [adres 2] in [plaats 2] . Enige tijd later wordt de Ford het pand binnen gereden naar de eerste verdieping [2] en geparkeerd bij opslagbox nr. 62. [3] Korte tijd later arriveert verdachte [verdachte] in een Iveco bus met open laadbak voorzien van kenteken [kenteken 2] bij het pand. [4] Op camerabeelden is te zien dat een palletwagen bij de laadruimte van de Ford staat en dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dozen, rollen lijkend op verpakkingsfolie en andere goederen uit de Ford laden en opslagbox nr. 62 in dragen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] dragen daarbij oranje handschoenen. Gelet op de manier van tillen, lijken de dozen weinig gewicht te hebben. Ook is op de beelden te zien dat [verdachte] naar en in opslagbox nr. 62 loopt en met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] praat, die verder gaan met uitladen. [verdachte] rijdt de elektrische steekwagen die achter de Ford staat de opslagbox in. [medeverdachte 1] pakt twee zwarte en cilindervormige objecten (lijkend op zwarte folie) uit de laadruimte van de Ford en loopt daarmee naar de voorzijde van de Ford. Zo’n vijfentwintig minuten na hun aankomst rijden de drie verdachten in de Ford Transit en de Iveco bus achter elkaar het terrein van [bedrijf] af, [5] waarna zij via een gezamenlijke tussenstop bij een tankshop in Nieuwegein naar een bedrijfsloods aan de [adres 3] in [plaats 1] rijden. Te zien is dat de open laadbak van de Iveco bus onderweg naar [plaats 1] leeg is. [6] Nadat de roldeur van de loods in [plaats 1] door een vierde persoon voor hen wordt geopend, rijden de drie verdachten met de voertuigen naar binnen waarna de roldeur wordt gesloten. Zo’n twintig minuten later rijden de drie verdachten met de voertuigen het pand uit. In de open laadbak van de Iveco bus staan drie pallets met dozen afgedekt met plastic. De verdachten rijden vervolgens gezamenlijk terug naar [plaats 2] . De Ford Transit met [medeverdachte 1] als bestuurder en verdachte als bijrijder houdt stil voor het toegangshek van [bedrijf] , waarna zij door de politie worden aangehouden. Even later wordt [verdachte] rijdend in de Iveco bus aangehouden ter hoogte van Hooglandblok nabij [plaats 2] . [7]
Bij de hierop volgende doorzoeking van de Ford Transit trof de politie in de laadruimte 20 dozen aan opgestapeld op een pallet met daarin totaal 400 ingesealde pakketten met witte blokken. [8] De blokken hadden een nettogewicht van totaal 39.8300,00 gram. [9] Uit onderzoek van het NFI blijkt dat de blokken cocaïne bevatten. [10] Bij doorzoeking van de Iveco bus trof de politie in de laadbak 3 pallets aan met lading ingewikkeld in plastic, soortgelijk aan het plastic van een rol aangetroffen in de Ford. De rechtbank begrijpt dat verbalisant doelt op de zwarte folie die eerder op de dag bij de opslagbox (stashplek) in de Ford is geplaatst), 20 ingesealde dozen per pallet met in totaal 60 dozen. In de dozen zaten in totaal 1194 pakketten met witte blokken, soortgelijk aan de pakketten aangetroffen in de Ford. De blokken voelden koud/gekoeld en nat aan en roken naar vis. [11] De blokken hadden een nettogewicht van totaal 1.188.925,50 gram. [12] Uit onderzoek van het NFI blijkt dat de blokken cocaïne bevatten. [13]
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen staat vast dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] 1.587 kilogram cocaïne heeft vervoerd vanaf [plaats 1] .
Wetenschap en opzet verdachte
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte wetenschap had van de verdovende middelen in de dozen.
Vast staat dat verdachte de opslagbox nr. 62 sinds enige tijd huurde, dat hiervan twee toegangspassen waren en dat verdachte in het bezit was van pas [toegangspas 1] . [14] Ook staat vast dat verdachte op 19 juni 2025 , 21 juni 2025 en op 5 juli 2025 in de opslagbox was. Op camerabeelden die door de politie zijn beschreven is te zien dat verdachte op 21 juni 2025 samen met de twee medeverdachten dozen uit de opslagbox in de auto zet en dat zij in de opslagbox latex handschoenen dragen. [15]
In het dossier bevindt zich het volgende tapgesprek tussen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van 29 juni 2025, 17:40 uur:
[medeverdachte 2] vraagt wat [medeverdachte 1] aan het doen is. [medeverdachte 1] zegt "Effe naar dinges, ik [de rechtbank begrijpt
: weet] niet hoeveel aantallen er nog over zijn, ik moet even kijken, daarvoor moet ik even daar naar toe". [16]
Uit de verkeersgegevens telefonie blijkt dat het nummer van [medeverdachte 1] zich na dit gesprek
vanuit Rotterdam verplaatste naar [plaats 2] . Daar maakte het nummer gebruik van een cellid met een theoretische dekkingsgebied waarin het bedrijf [bedrijf] is gevestigd. [17] Op camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 1] om 18:15 uur bij opslagbox 62 staat. [18] Uit de inloggegevens gekoppeld aan de twee toegangspassen volgt dat [medeverdachte 1] voor het betreden van de box, net als op 8 juli 2025, gebruik maakte van pas [toegangspas 2] . [19] Gelet op de inhoud van het tapgesprek, bezien in onderlinge samenhang met de verkeersgegevens en de camerabeelden, concludeert de rechtbank dat het gesprek betrekking heeft op de voorraad die aanwezig zou zijn in opslagbox nr. 62 en dat [medeverdachte 1] deze voorraad op 29 juni 2025 is gaan checken.
Bij doorzoeking van de opslagbox op 8 juli 2025 bleek dat de ruimte (circa 600 cm diep en 350 cm breed) was ingericht als zogeheten stashlocatie voor verdovende middelen. In de opslagbox lagen onder meer handschoenen, een kom met een witte stof die positief indicatief is getest op cocaïne, een weegschaal, jammers, 3 hoge kluizen die nagenoeg leeg waren, dozen, verpakkingsmateriaal, rollen tape en 10 lege sporttassen. [20] De inhoud van het tapgesprek van 29 juni 2025 leidt de rechtbank tot de conclusie dat de opslagbox in ieder geval al op 29 juni 2025 gebruikt werd als voorraadplek voor verdovende middelen. Nu verdachte hierna nog in de opslagbox is geweest, kan het niet anders dan dat hij heeft gezien - en dus wist - dat deze gebruikt werd als stashplek voor verdovende middelen.
Op 8 juli heeft hebben verdachten samen goederen, kennelijk bedoeld om later de cocaïne in te verpakken, uit de Ford in de opslagbox gedragen. Hierop zijn zij gezamenlijk naar de loods in [plaats 1] gereden waar zij de cocaïne hebben ingeladen. De verklaring van verdachte dat hij niet aanwezig was bij het laden van de pallets omdat hij toen naar de wc was, acht de rechtbank niet geloofwaardig nu verdachten zo’n twintig minuten binnen zijn geweest en het laden en afdekken van de pallets met in totaal 80 dozen geruime tijd in beslag moet hebben genomen. Vervolgens zijn verdachten samen teruggereden naar [plaats 2] met de bedoeling de cocaïne op te slaan in de opslagbox waarvan alleen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een toegangspas hadden. Zowel bij verdachte als bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is een enorme hoeveelheid cocaïne aangetroffen. Dit vraagt om een aannemelijke verklaring die verdachte niet heeft gegeven. In het licht van de bewijsmiddelen hecht de rechtbank dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij geen weet had van de verdovende middelen in de dozen en niet wist dat zijn opslagbox werd gebruikt als stashplek. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat in de opslagbox in het geheel geen kappersspullen zijn gevonden. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de verklaring van verdachte dat hij in de opslagbox was om (haar)producten voor zijn kapperszaak op te halen.
Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat de dozen verdovende middelen bevatten. Ook wist verdachte dat het ging om een zo grote hoeveelheid dat hiervoor twee bedrijfswagens nodig waren. De cocaïne bevond zich in de gezamenlijke machtssfeer van verdachten. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het vervoeren van 1587 kilogram cocaïne.
Partiële vrijspraak
De rechtbank ziet geen bewijs voor de handelingen ‘afleveren’ en ‘verstrekken’ zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks8 juli 2025 te [plaats 1] en/of [plaats 2] ,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,
opzettelijk heeft
afgeleverd en/of verstrekt en/ofvervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer1587 kilogram
, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
Bij bewezenverklaring heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat gelet op uitspraken in soortgelijke zaken een gevangenisstraf van 2 tot 4 jaar passend is.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft op 8 juli 2025 samen met de twee medeverdachten een grote hoeveelheid, van in totaal 1.587 kilogram, cocaïne vervoerd. De cocaïne was verdeeld over twee bedrijfswagens en had een straatwaarde van zo’n 20 miljoen Euro. De pakketten cocaïne lagen opgeslagen in een koelcel in een bedrijfsloods in [plaats 1] waar deze door verdachten zijn ingeladen in de voertuigen. Verdachten zijn hierna samen teruggereden naar een opslagbox in [plaats 2] die gebruikt werd als stashplek om de grote hoeveelheid cocaïne op te slaan in kluizen. Verdachte vervoerde daarbij 3 pallets met dozen volgepakt met cocaïne onbeschaamd in een voertuig met open laadbak. De opslagbox werd gehuurd door verdachte. Gezien de grote hoeveelheid was de cocaïne bestemd voor verdere verspreiding en grootschalige (internationale) handel. Door zijn handelen heeft verdachte een forse bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging van de volksgezondheid. Met de handel in cocaïne wordt veel geld verdiend en de hele keten van productie, transport en verkoop gaat gepaard met ondermijnende criminaliteit. Daarbij wordt het gebruik van geweld vaak niet geschuwd. Verdachte heeft zich niet laten weerhouden door deze negatieve gevolgen voor de maatschappij en had alleen oog voor eigen financieel gewin. Extra kwalijk vindt de rechtbank dat verdachte de door hem gehuurde opslagbox gebruikte en/of ter beschikking stelde voor criminele doeleinden.
Gezien de grote hoeveelheid cocaïne die verdachte heeft vervoerd, ligt wat de rechtbank betreft een forse gevangenisstraf in de rede. Deze straf beoogt niet alleen te voorkomen dat verdachte opnieuw een dergelijk feit pleegt, maar is er ook op gericht anderen ervan te weerhouden zich in te laten met het criminele drugscircuit. Voor drugstransporten van deze omvang zijn geen concrete LOVS-oriëntatiepunten beschikbaar zodat de rechtbank bij het bepalen van de straf aansluiting zoekt bij de straffen die in min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd. Die liggen doorgaans lager dan de strafeis van de officier van justitie.
Verdachte is eenmaal eerder veroordeeld voor een Opiumwetfeit maar dat is zo lang geleden dat de rechtbank dit niet meeweegt in deze zaak. Het bewezenverklaarde ziet op één rit en één dag. Verdachte was een schakel in een groter geheel. Alles overwegend komt de rechtbank tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De maatregel kostenverhaal (artikel 13d van de Opiumwet)
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte en de twee medeverdachten de maatregel kostenverhaal wordt opgelegd voor een bedrag van elk € 500,08.
Bij bewezenverklaring heeft de raadsvrouw verzocht de maatregel niet hoofdelijk op te leggen maar de kosten evenredig te verdelen over de verdachten.
De rechtbank stelt vast dat aan de vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. Cocaïne levert een ernstig gevaar op voor de volksgezondheid. In het dossier zit een factuur van 16 juli 2025 van de kosten voor vernietiging van de onder verdachten in beslag genomen cocaïne. Totaal gaat het om een bedrag van € 1.500,25 dat door de Staat is betaald.
De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook toewijzen. De totale kosten zullen evenredig worden verdeeld over verdachte en de twee medeverdachte, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De rechtbank legt dus aan alle drie de verdachten de maatregel kostenverhaal op voor een bedrag van € 500,08. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 dagen gijzeling worden toegepast, zonder dat daardoor de betalingsverplichting van verdachte vervalt.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 13d van de Opiumwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ter vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet, een bedrag van € 500,08;
 bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd bij niet-betaling op 20 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.W. van de Sande, voorzitter, mr. H.C. Leemreize en
mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 januari 2026.
De voorzitter, mr. Gerritsen en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie-eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 202509031602.ZDS BASGITAAR, gesloten op 4 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van observatie p. 329-330.
3.Proces-verbaal van bevindingen p. 334.
4.Proces-verbaal van observatie p. 330.
5.Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden [bedrijf] tijdens OT aktie p. 334-335.
6.Relaasp-v algemeen dossier p. 6.
7.Proces-verbaal van bevindingen p. 330-332.
8.Proces-verbaal van bevindingen p. 348, p. 350-351.
9.Proces-verbaal van bevindingen p. 361.
10.Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen p. 375-384 gelezen in onderlinge samenhang met het rapport van het NFI p. 387.
11.Proces-verbaal van bevindingen p. 348, p. 352-353.
12.Proces-verbaal van bevindingen p. 361.
13.Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen p. 365-374 gelezen in onderlinge samenhang met het
14.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 december 2025 en proces-verbaal van bevindingen p. 275.
15.Proces-verbaal van bevindingen p. 489 en 491 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 december 2025.
16.Tapgesprek p. 316, gelezen in onderlinge samenhang met proces-verbaal bevindingen p. 543, 547 en proces-verbaal van bevindingen p. 570-571.
17.Proces-verbaal van bevindingen p. 308.
18.Proces-verbaal van bevindingen Onderzoek camerabeelden [bedrijf] p. 490.
19.Proces-verbaal van bevindingen p. 308 en p. 448.
20.Proces-verbaal van bevindingen p. 403-407 in onderlinge samenhang met proces-verbaal zaaksdossier