ECLI:NL:RBGEL:2026:5280

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
C/05/459966
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 7:942 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens verjaring van uitkering onder verzuimverzekering

WOG en Achmea sloten in maart 2017 een verzuimverzekeringsovereenkomst waarbij WOG verzekerd was voor loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid van werknemers. Na melding van arbeidsongeschiktheid van een werknemer keerde Achmea uit tot februari 2019, waarna zij stopte met uitkeren en terugvordering instelde wegens betwisting van het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

De rechtbank Noord-Nederland wees de terugvorderingsvordering van Achmea af, en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verwierp het hoger beroep van Achmea. WOG vorderde vervolgens betaling van een restantuitkering over de periode februari tot september 2019, maar Achmea verweerde zich met het verjaringsverweer.

De rechtbank oordeelt dat de vorderingen maandelijks opeisbaar waren en dat de verjaringstermijn van drie jaar per maand is aangevangen vanaf het moment van opeisbaarheid. WOG was bekend met de opeisbaarheid toen Achmea stopte met uitkeren, waardoor de vordering in 2022 verjaard was. WOG heeft onvoldoende gesteld dat de verjaring is gestuit. De vordering wordt daarom afgewezen en WOG wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering van WOG wordt afgewezen wegens verjaring en WOG wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/459966 / HZ ZA 25-345
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
DE WERELDBAZAR OG B.V.,
te Bad Nieuweschans,
eisende partij,
hierna te noemen: WOG,
advocaat: mr. M. Schuring,
tegen
ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V.,
te Apeldoorn,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Achmea,
advocaat: mr. A. Robustella.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 februari 2026
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben op 8 maart 2017 een verzuimverzekeringsovereenkomst gesloten. Op grond van de verzuimverzuimverzekeringsovereenkomst was WOG verzekerd voor de schade die zij leed als gevolg van de loondoorbetalingsverplichting bij arbeidsongeschiktheid van één of meer van haar werknemers voor maximaal 104 weken.
2.2.
De heer [de werknemer] (hierna te noemen: “ [de werknemer] ”) is door mevrouw [de bestuurder] (hierna te noemen: “ [de bestuurder] ”), destijds bestuurder van WOG, als werknemer aangemeld voor de verzuimverzekering.
2.3.
Op 6 september 2017 heeft WOG aan Achmea kenbaar gemaakt dat [de werknemer] arbeidsongeschikt was. Achmea heeft over de periode van 6 september 2017 tot
19 februari 2019 een bedrag van € 102.529,62 aan WOG uitgekeerd voor de arbeidsongeschiktheid van [de werknemer] .
2.4.
Achmea heeft bij brief van 11 april 2019 (productie 3 bij conclusie van antwoord) aangekondigd de verzuimverzekering stop te zetten omdat er volgens haar geen arbeidsovereenkomst tussen WOG en [de werknemer] bestond. Achmea heeft daarbij tevens aanspraak gemaakt op terugbetaling van de verstrekte uitkeringen, voor een bedrag van
€ 102.529,62.
2.5.
Achmea heeft WOG, [de bestuurder] en [de werknemer] in rechte aangesproken voor betaling van € 102.529,62, vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten (hierna: “de terugvorderingsprocedure”). Bij vonnis van 3 augustus 2022 heeft de rechtbank Noord-Nederland de vordering van Achmea afgewezen.
2.6.
Achmea heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep bij arrest van
29 oktober 2024 en herstelarrest van 17 december 2024 verworpen.
2.7.
WOG heeft bij e-mail van 6 november 2024 (productie 6 bij dagvaarding) Achmea verzocht om een overzicht te maken van aan haar toekomende uitkeringen uit hoofde van de verzuimverzekeringsovereenkomst.
2.8.
Bij e-mail van 5 februari 2025 (productie 8 bij dagvaarding) heeft WOG aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van € 38.105,84 (€ 64.767,37 inclusief wettelijke rente) omdat Achmea volgens haar tot 6 september 2019 had dienen uit te keren onder de verzuimverzekering. Bij e-mail van 11 februari 2025 (productie 9 bij dagvaarding) heeft Achmea aan WOG kenbaar gemaakt dat zij niet tot betaling overgaat.

3.Het geschil

3.1.
WOG vordert na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Achmea te veroordelen om aan WOG te betalen een bedrag van € 38.105,84, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) vanaf 19 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Achmea in de proceskosten.
3.2.
Achmea voert verweer. Achmea concludeert tot afwijzing van de vordering van WOG, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van WOG in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
WOG stelt dat zij recht heeft op uitkering voor de volledige periode van 104 weken arbeidsongeschiktheid van [de werknemer] uit hoofde van de verzuimverzekeringsovereenkomst. Omdat Achmea slechts heeft uitgekeerd over de periode 6 september 2017 tot
19 februari 2019, maakt WOG in deze procedure aanspraak op de uitkering over de periode 19 februari 2019 tot 6 september 2019. Achmea betwist dat WOG aanspraak kan maken op een uitkering over deze periode. Het meest verstrekkende verweer van Achmea is dat de vordering van WOG verjaard is. Subsidiair voert Achmea aan dat WOG geen schade heeft geleden omdat het UWV een Ziektewetuitkering heeft uitgekeerd aan WOG en dat het door WOG gevorderde bedrag niet is gespecificeerd.
De vordering van WOG is in beginsel verjaard
4.2.
Artikel 7:942 BW Pro bevat een specifieke verjaringsregeling voor vorderingen uit verzekeringsovereenkomsten. Op grond van artikel 7:942 lid 1 BW Pro verjaart een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering door verloop van drie jaren na aanvang van de dag volgende op die waarop de tot uitkering gerechtige met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Voor het aanvangen van de verjaringstermijn tegen de verzekeraar, is dus vereist dat de vordering opeisbaar is en dat de tot uitkering gerechtigde bekend is met die opeisbaarheid. De vordering jegens de verzekeraar is opeisbaar wanneer zich een verzekerd schadegeval voordoet. Ten aanzien van de over de periode van 19 februari 2019 tot 6 september 2019 niet-uitgekeerde (maandelijkse) termijnen, is de rechtbank van oordeel dat dit op zichzelf staande vorderingen op de verzekeraar zijn, die telkens maandelijks opeisbaar zijn geworden in de maanden februari tot en met september 2019.
4.3.
Ten aanzien van de bekendheid met de opeisbaarheid geldt dat niet in is geschil dat WOG reeds op 6 september 2017 de arbeidsongeschiktheid van [de werknemer] aan Achmea heeft gemeld teneinde aanspraak te maken op een uitkering onder de verzuimverzekering en dat Achmea hiervoor over de periode van 6 september 2017 tot 19 februari 2019 een bedrag van € 102.529,62 aan WOG heeft uitgekeerd. Derhalve was WOG naar het oordeel van de rechtbank bekend met het feit dat zij ter zake de arbeidsongeschiktheid van [de werknemer] een opeisbare vordering had op Achmea toen Achmea stopte met uitkeren op
19 februari 2019, waardoor de verjaringstermijn direct bij de opeisbaarheid van de niet-uitgekeerde maandelijkse termijnen is aangevangen. WOG heeft tijdens de mondelinge behandeling betoogd dat onder omstandigheden de benadeelde pas geacht kan worden voldoende zekerheid te hebben over zijn vordering wanneer hij kennis heeft gekregen van een juridisch advies of een rechterlijk oordeel. Zodanige omstandigheden zijn echter niet door WOG gesteld, noch zijn deze gebleken. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit standpunt van WOG.
4.4.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de verjaringstermijnen van de vorderingen van WOG op Achmea uit hoofde van niet-uitgekeerde termijnen, op grond van artikel 7:942 lid 1 BW Pro telkens zijn aangevangen in de maanden februari 2019 tot september 2019. Dit brengt mee dat de vorderingen van WOG, behoudens erkenning of stuiting, in de maanden februari tot september 2022 zijn verjaard.
WOG heeft de verjaring niet gestuit
4.5.
WOG stelt dat zij de verjaring heeft gestuit, zodat haar vordering niet verjaard is. Op grond van artikel 7:942 lid 2 BW Pro wordt de verjaring gestuit door een schriftelijke mededeling waarbij aanspraak wordt gemaakt op uitkering. In dat geval vangt een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren aan op de dag volgende op die waarop de verzekeraar de aanspraak erkent of ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen. WOG stelt dat met de dagvaarding van Achmea van 2 augustus 2021 in de terugvorderingsprocedure, het instellen van hoger beroep op 13 oktober 2022 en de memorie van grieven van 14 februari 2023 nieuwe verjaringstermijnen zijn aangevangen omdat Achmea telkens ondubbelzinnig heeft aangegeven dat zij van oordeel is dat aan WOG geen uitkering toekwam. Voor een geslaagd beroep op stuiting in de zin van
artikel 7:942 lid 2 BW Pro is voorafgaand aan de erkenning of weigering door de verzekeraar een schriftelijke mededeling van de verzekerde vereist, waarbij aanspraak wordt gemaakt op uitkering. De processtukken van Achmea in de terugvorderingsprocedure zijn daarmee op zichzelf onvoldoende om stuiting als bedoeld in artikel 7:942 lid 2 BW Pro aan te nemen.
4.6.
Nu WOG zich op de rechtsgevolgen van stuiting van de verjaring beroept, ligt het op haar weg om feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat Achmea voor het einde van de verjaringstermijn bij een schriftelijke mededeling in kennis is gesteld van een aanspraak op de uitkering over de periode 19 februari 2019 tot 6 september 2019. WOG stelt in dat kader dat zij bij conclusie van antwoord van 5 januari 2022 (productie 10 bij dagvaarding) en bij memorie van grieven van 25 april 2023 (productie 11 bij dagvaarding) voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij het standpunt van Achmea betwistte en daarmee aanspraak heeft gemaakt op uitkering. In de terugvorderingsprocedure lag – kort gezegd – de vraag voor of Achmea over de periode van 6 september 2017 tot en met 19 februari 2019 ten onrechte het bedrag van € 102.529,62 heeft uitgekeerd aan WOG voor de arbeidsongeschiktheid van [de werknemer] . Het bestrijden van de terugvordering van de uitkering over de periode van 6 september 2017 tot en met 19 februari 2019, kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank niet als schriftelijke mededeling van aanspraak op de uitkering over de periode van 19 februari 2019 tot 6 september 2019. Het door WOG gevoerde verweer in de terugvorderingsprocedure is daarom geen stuitingshandeling in de zin van artikel 7:942 lid 2 BW Pro. WOG heeft pas schriftelijk aanspraak gemaakt op het restant van de uitkering bij brief van 6 november 2024, maar toen was haar vordering reeds verjaard. WOG heeft de verjaring van haar aanspraak op het restant van de uitkering daarom niet tijdig gestuit, zodat haar vordering is verjaard. De vordering van WOG zal daarom worden afgewezen.
De proceskosten
4.7.
WOG is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Achmea worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.856,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vordering van WOG af,
5.2.
veroordeelt WOG in de proceskosten van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als WOG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft beslissing 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.C. Boesberg en in het openbaar uitgesproken op
3 juni 2026.
JV/FB