ECLI:NL:RBGEL:2026:5224

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
ARN 24/8656
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.17 WnbArt. 3.18 WnbArt. 2.9 Aanvullingswet natuur Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit bestrijding halsbandparkiet wegens onvoldoende motivering

De rechtbank Gelderland heeft op 3 juli 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over het besluit van het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland om de halsbandparkiet te bestrijden. Eisers, Stichting Fauna4Life en Stichting Animal Rights, voerden aan dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom bestrijding noodzakelijk is ter voorkoming van belangrijke schade aan fruitteelt en ter bescherming van de boomklever.

De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen bestaat. De gebruikte rapporten uit 2010 en 2015 toonden slechts incidentele schade aan, en recente cijfers over schade werden niet overlegd. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de bestrijding noodzakelijk is ter bescherming van de boomklever, omdat het negatieve effect op deze inheemse soort niet overtuigend was aangetoond.

De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het de halsbandparkiet betreft en liet het besluit voor het overige in stand. Het college moet opnieuw beslissen en het griffierecht en proceskosten aan eisers vergoeden. De uitspraak benadrukt het belang van een gedegen motivering bij het verlenen van opdrachten tot bestrijding van invasieve exoten.

Uitkomst: Het besluit tot bestrijding van de halsbandparkiet wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8656

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen
Stichting Fauna4Life, uit Amstelveen, en
Stichting Animal Rights, uit Den Haag, eisers
(gemachtigde: mr. C.M. van de Ven),
en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland

(gemachtigden: mr. H.E.J. Kemerink op Schiphorst en S. Essink).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Stichting Faunabeheereenheid Gelderland, uit Arnhem.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de opdracht tot het bestrijden van verschillende (invasieve) exoten. Eisers zijn het er niet mee eens dat de halsbandparkiet (Psittacula krameri) op deze lijst staat. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit waarbij de opdracht tot bestrijding is gegeven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de opdracht tot het bestrijden van de halsbandparkiet niet goed heeft gemotiveerd. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat waar deze zaak over gaat. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij geeft de rechtbank eerst aan wat het toetsingskader is. Daarna gaat de rechtbank onder 5 in op de vraag of het college opdracht mocht geven tot het bestrijden van de halsbandparkiet. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de opdracht noodzakelijk is ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en of de opdracht noodzakelijk is ter bescherming van fauna. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2024 heeft het college aan de Stichting beheereenheid Gelderland (FBE) de opdracht gegeven tot het bestrijden van verschillende invasieve exoten.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens Stichting Animal Rights, de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college en [persoon B] en [persoon C] namens de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Met het besluit van 12 september 2019 is aan de FBE de opdracht verleend voor het bestrijden van verschillende invasieve exoten.
3.1.
Op 6 november 2023 heeft de FBE een verzoek tot aanvulling van de opdracht gedaan. Op 23 november 2023 heeft de FBE dit verzoek aangepast. Op 12 augustus 2024 heeft het college een ontwerpbesluit op de aanvraag genomen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Met het besluit van 15 oktober 2024 heeft het college de opdracht voor het bestrijden van invasieve exoten gewijzigd en aangevuld met twaalf soorten. Daarvan staan tien soorten op de Unielijst [1] . Twee soorten, het sikahert [2] en de halsbandparkiet staan niet op de Unielijst. Dit is het besluit dat nu ter beoordeling voorligt. De beroepsgronden richten zich alleen tegen de opdracht voor zover die ziet op het bestrijden van de halsbandparkiet.
3.2.
In het besluit van 15 oktober 2024 heeft het college over de halsbandparkiet opgenomen:
“Staat niet op de unielijst maar komt op dit moment wel al voor als exoot in Gelderland. Te verwachten is dat deze exoot schade gaat veroorzaken in fruitteelt. En een negatief effect heeft op inheemse diersoorten zoals de boomklever.”
Daarbij heeft het college verwezen naar een risicobeoordeling van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over de halsbandparkiet van 12 november 2015. [3]
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Voor aanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2024 blijft op grond van het overgangsrecht het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip totdat de besluiten op die aanvragen onherroepelijk worden. [4]
4.1.
De aanvraag tot het aanvullen van de opdracht is ingediend op 6 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing blijft.
4.2.
De opdracht is gebaseerd op artikel 3.18, vierde lid, van de Wnb. Deze bepaling geeft gedeputeerde staten de bevoegdheid om een opdracht te verlenen om de omvang van populaties van dieren te beperken die zijn aan te merken als exoten of verwilderde dieren. Uit artikel 3.18 volgt dat zo’n opdracht kan worden verleend als dit nodig is om de redenen die genoemd zijn in artikel 3.17, eerste lid, onderdelen a, b en c van de Wnb. [5]
4.3.
Volgens artikel 3.17, eerste lid, aanhef en onder a van de Wnb verlenen gedeputeerde staten ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste, vierde en vijfde lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste en vijfde lid, 3.9, tweede lid, of 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, indien deze beperking nodig is in geval van vogels:
(…)
(…)
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, of
ter bescherming van flora en fauna.
Mocht het college opdracht geven tot het bestrijden van de halsbandparkiet?
5. De vraag die ter beoordeling aan de rechtbank voorligt is of het college opdracht mocht geven tot het bestrijden van de halsbandparkiet. Aan een dergelijke opdracht moet de bescherming van wettelijke belangen (in dit geval artikel 3.17, eerste lid en onder a, van de Wnb) ten grondslag liggen. De beroepsgronden zien op de vraag of de opdracht noodzakelijk is ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en of de opdracht noodzakelijk is ter bescherming van fauna.
Voorkomen van belangrijke schade aan gewassen (fruitteelt)
5.1.
Volgens eisers stelt het college zich ten onrechte op het standpunt dat met de opdracht belangrijke schade aan fruitteelt wordt voorkomen. In de aanvraag wordt enkel de verwachting van schade genoemd. Dat is volgens eisers onvoldoende om de opdracht te verlenen. Volgens eisers blijkt uit het rapport van SOVON uit 2010 [6] juist dat een schademelding door halsbandparkieten tot dan toe nooit is gemeld en dat het waarschijnlijk is dat landbouwschade, met name fruitschade, een incidenteel karakter heeft. Hieruit blijkt niet dat sprake is van belangrijke schade. Het college heeft ook niet onderbouwd waarom ingrijpen in de hele provincie, en niet per schadelocatie, nodig is. Ook de risicobeoordeling van BuRO uit 2015 [7] erkent dat nader onderzoek nodig is, met name met het oog op land- en tuinbouwschade. In dit advies staat dat afschot bij grote aantallen papegaaiachtigen niet werken en ongewenst zijn, met name in stedelijke omgeving.
5.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat het niet hoeft te wachten totdat omvangrijke en structurele schade in Gelderland is opgetreden. Bij exotenbeheer is preventief optreden juist van belang. De beschikbare gegevens laten zien dat de halsbandparkiet een gevestigde en toenemende soort in Nederland is. Het college verwijst in dit kader in beroep naar de ‘Update broedvoorkomen Halsbandparkiet in Nederland’ uit 2026 waaruit onder andere blijkt dat de verspreiding van de waarnemingen in broedtijd tot in het westen van Gelderland vrijwel aaneengesloten is en dat het aantal broedparen verder is toegenomen, ook buiten stedelijk gebied. Ook verwijst het college naar eerder genoemde risicobeoordeling van BuRO, waarin is beoordeeld wat de risico’s zijn voor onder meer economie en landbouw. Juist omdat het op dit moment nog om beperkte of beginnende schade gaat, is een preventieve en locatiegerichte opdracht volgens het college verdedigbaar. Tijdens de zitting heeft het college ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 april 2026. [8] Uit deze uitspraak volgt dat het college niet het bestaan van de schade hoeft af te wachten en dat de ontheffing op voorhand mag worden verleend, juist om te voorkomen dat ernstige schade optreedt. Tenslotte benadrukt het college dat de opdracht geen generieke toestemming tot afschot zonder aanleiding is, maar dat de uitvoering is gekoppeld aan recente meldingen, locatiegegevens en machtigingen. Daarmee is geborgd dat het instrument wordt ingezet waar de aanwezigheid van de soort concreet is vastgesteld en waar optreden noodzakelijk wordt geacht.
5.3.
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat aan het vereiste van belangrijke schade is voldaan, als is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade. Bij de invulling van het begrip "belangrijke schade" en bij het bepalen van een concrete dreiging daarvan, komt het college beoordelingsruimte toe. Niet vereist is dat de belangrijke schade zich al heeft voorgedaan. Uit het enkele gegeven dat een schadeveroorzakende diersoort en schadegevoelige gewassen in een gebied voorkomen, kan niet de conclusie worden getrokken dat belangrijke schade zich in die gebieden voordoet. Daarbij komt aan de schadehistorie belangrijke betekenis toe. [9]
Uit de, ook door het college genoemde, uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026 [10] volgt dat het voor het college mogelijk is om een concrete dreiging van ernstige schade aannemelijk te maken met verwijzing naar opgetreden schade in situaties die vergelijkbaar zijn. Van het college kan niet worden gevergd dat eerst het ontstaan van die schade wordt afgewacht. Ook kan niet van haar worden vereist dat zij een theoretisch onderzoek laat uitvoeren naar de mogelijkheden van het ontstaan van schade binnen de grenzen van de provincie, terwijl er specifieke gegevens beschikbaar zijn van schade veroorzaakt door dezelfde dieren in andere delen van Nederland waar de omstandigheden vergelijkbaar zijn. Daarbij moet het college wel motiveren waarom de situaties vergelijkbaar zijn met die in haar provincie. [11]
5.4.
Het college heeft ter onderbouwing van het bestreden besluit gebruik gemaakt van een rapport van SOVON uit 2010 [12] en een risicoanalyse van BuRO uit 2015 [13] . Het rapport van SOVON benoemt onder andere dat landbouwschade door de halsbandparkiet in Nederland niet wordt uitbetaald en daarom niet systematisch wordt geregistreerd door het Faunafonds. Er is nooit een schademelding door halsbandparkieten gemeld, waardoor het waarschijnlijk lijkt dat landbouwschade, met name fruitschade, op het moment van het opstellen van het rapport een incidenteel karakter heeft. Ook staat in het rapport dat eventuele schade vooral zal optreden in fruitgaarden in of nabij stedelijk gebied, waarbij wordt opgemerkt dat de gebieden met veel fruitteelt buiten de huidige verspreiding van de halsbandparkiet liggen. In de risicoanalyse van BuRO uit 2015 wordt benoemd dat er in Nederland en omringende landen op dat moment slechts sprake is van incidentele fruitschade bij commerciële fruittelers, in of nabij stedelijk gebied. Ook wordt benoemd dat toenemende land- en tuinbouwschade in de toekomst reëel is, omdat de populaties zich verder verspreiden en dat dit risico het grootst is voor de halsbandparkiet. In deze risicoanalyse wordt ook verwezen naar een inventarisatie van landbouwschade door parkieten uitgevoerd door het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) in 2014 [14] . Hierin werden elf schadegevallen genoemd, vooral in de provincie Zuid-Holland, en incidenteel in Utrecht en Noord-Holland. Er was één schadegeval in de provincie Gelderland.
5.5.
Met de verwijzing naar de hiervoor genoemde rapporten heeft het college niet voldoende gemotiveerd dat er sprake is van een concrete dreiging van belangrijke schade. In het rapport van het CLM worden weliswaar elf schadegevallen genoemd, maar dit is niet voldoende om te spreken van belangrijke schade. Met de aanvullende rapportage van SOVON uit maart 2026 [15] heeft het college dit gebrek niet gerepareerd. Uit deze aanvullende rapportage blijkt weliswaar dat de halsbandparkiet zich verspreidt, maar niet welke schade dit met zich brengt. Tijdens de zitting is door de derde-partij naar voren gebracht dat er inmiddels wel cijfers zijn waaruit blijkt dat er een concrete dreiging van belangrijke schade is. Landelijk zou het gaan om € 36.000 schade veroorzaakt door halsbandparkieten in de periode 2019 – heden, waarvan € 1.200 in de provincie Gelderland. Deze cijfers zijn echter niet overgelegd. Het college heeft op zitting ook niet aangeboden deze te overleggen. De rechtbank kan deze informatie daarom niet bij haar beoordeling betrekken. Dit betekent dat de beroepsgrond slaagt en dat het beroep gegrond is. In overweging 6 gaat de rechtbank in op de gevolgen hiervan.
Bescherming van fauna (de boomklever)
5.6.
Eisers voeren aan dat het college ten onrechte uitgaat van een negatief effect op inheemse diersoorten zoals de boomklever. Een dergelijk negatief effect is niet aangetoond. Eisers verwijzen naar informatie van de Vogelbescherming, waaruit blijkt dat concurrentie met kauwtjes, spechten en uilen om beschikbare broedholten slechts in geringe mate een rol lijkt te spelen en er landelijk gezien geen sprake is van concurrentie met de boomklever. Ook SOVON acht de concurrentie niet aannemelijk, ook omdat de halsbandparkiet vooral in stedelijk gebied voorkomt en de boomklever een voorkeur heeft voor grote bosgebieden. Eisers hebben de Vogelbescherming gevraagd om een toelichting en hebben deze bij hun beroepschrift gevoegd. In deze toelichting geeft de Vogelbescherming nogmaals aan dat het niet aannemelijk is dat er concurrentie van halsbandparkieten op inheemse soorten zal optreden die op populatieniveau zal leiden tot problemen voor die inheemse soorten. Volgens de Vogelbescherming is er daarom geen reden om aan te nemen dat het doden van halsbandparkieten nodig is om fauna te beschermen.
5.7.
Het college stelt zich op het standpunt dat artikel 3.18 van de Wnb niet verlangt dat eerst volledige wetenschappelijke zekerheid bestaat over concrete populatieschade. Uit het rapport van SOVON uit 2010 blijkt dat ecologische schade kan optreden door nestconcurrentie met holenbroeders en boomholtebewonende vleermuizen. Daarbij vermeldt SOVON dat nader onderzoek nodig is om de omvang van dit effect in Nederland vast te stellen. Die onzekerheid betekent volgens het college echter niet dat het college geen preventieve maatregel mag treffen, maar wel dat de maatregel proportioneel en gericht moet zijn. De gegeven opdracht maakt gericht optreden mogelijk en is daarmee volgens het college proportioneel. De opdracht verplicht niet tot gebiedsdekkend of structureel afschot en bevat daarnaast uitvoeringsvoorwaarden die voorkomen dat zwaarder wordt ingegrepen dan nodig. De opdracht heeft bovendien weliswaar het werkgebied van de FBE als geografisch kader, maar de feitelijke inzet vindt plaats aan de hand van concrete meldingen. Er is dus geen sprake van een onbegrensde opdracht tot het doden van halsbandparkieten.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de opdracht bijdraagt aan het belang tot bescherming van de boomklever. De verwijzing door het college naar het rapport van SOVON ter onderbouwing hiervan is niet voldoende. In het rapport van SOVON is hierover opgenomen dat de verrichtte studies verschillende uitkomsten laten zien. Het is niet uitgesloten dat er een zekere mate van nestconcurrentie met andere holenbroeders, zoals de boomklever, zal optreden. Het eventueel optreden van die effecten is echter afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de dichtheden van zowel de halsbandparkieten als de beschikbare nestplaatsen en de soorteigenschappen zoals dominantie, broedperiode, de capaciteit om zelf gaten te maken, de grootte van de nestingang en de habitatkeuze. Ook staat in het rapport dat de studie waarin concurrentie om nestplaatsen het meest aannemelijk wordt gemaakt, laat zien dat het niet waarschijnlijk is dat halsbandparkieten inheemse holenbroeders in hoge mate of zelfs volledig zullen verdringen. Het is onduidelijk of sprake is van de in het rapport benoemde factoren waarvan het eventueel optreden van de effecten afhankelijk is. Dat, zoals het college in beroep stelt, sprake is van overlap tussen de leefgebieden van de boomklever en de halsbandparkiet is onvoldoende onderbouwd. Daarvoor is de enkele verwijzing naar de aanvullende rapportage van SOVON van maart 2026 onvoldoende. Weliswaar blijkt hieruit dat het aantal broedparen is toegenomen buiten het stedelijk gebied, maar niet dat zij zich daarmee begeven op het leefgebied van de boomklever zoals omschreven in het rapport van SOVON (zandgronden en grote bosgebieden buiten de steden) en ook niet in die mate dat zij daarmee de boomklever verdringen of dat de kans hierop bestaat.
Hiermee heeft het college niet voldoende gemotiveerd waarom de opdracht om de halsbandparkiet te bestrijden noodzakelijk is ter bescherming van, in dit geval, de boomklever. Daarbij is ook van belang welke mate van bescherming voor de boomklever nodig is. Tijdens de zitting heeft het college aangegeven dat dit samenhangt met de staat van instandhouding. Dit blijkt echter niet uit het bestreden besluit. Ook deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond, omdat zowel het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen als de bescherming van fauna niet voldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dit ziet op de bestrijding van de halsbandparkiet en laat het bestreden besluit voor het overige in stand. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, omdat zij niet beschikt over de nieuwe informatie die nodig is voor de motivering van het besluit. Dit betekent dat het college opnieuw moet beslissen op de aanvraag voor zover het de halsbandparkiet betreft.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Ook moet het college een proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt conform de Bijlage bij het Besluit proceskosten € 1.868 omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 15 oktober 2024, voor zover dit ziet op de bestrijding van de halsbandparkiet;
  • laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 371 aan eisers moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Lijst van 3 augustus 2016, voor het laatst gewijzigd op 7 augustus 2025. Deze lijst, met soorten waarvan de negatieve effecten zodanig zijn dat gezamenlijk optreden op het niveau van de Europese Unie gewenst is, hoort bij EU-verordening 1143/2014 (Verordening betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten).
2.Sinds 7 augustus 2025 staat ook het sikahert op de Unielijst.
3.Ministerie van Economische Zaken, Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (BuRO), Advies van BuRO over halsbandparkiet, grote Alexanderparkiet en monniksparkiet van 12 november 2015.
4.Artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet.
5.Artikel 3.18, vierde lid, van de Wnb gelezen in samenhang met artikel 3.18, eerste lid, van de Wnb.
6.SOVON-onderzoeksrapport 2010/10, De Halsbandparkiet, Monniksparkiet en Grote Alexanderparkiet in Nederland: risicoanalyse en beheer, [persoon D], [persoon E], [persoon F] en [persoon G].
7.Ministerie van Economische Zaken, Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (BuRO), Advies van BuRO over halsbandparkiet, grote Alexanderparkiet en monniksparkiet.
8.Uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2097.
9.Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4116, r.o. 12.4 en 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1827, r.o. 4.2.
10.Uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2097.
11.Idem.
12.SOVON-onderzoeksrapport 2010/10, De Halsbandparkiet, Monniksparkiet en Grote Alexanderparkiet in Nederland: risicoanalyse en beheer, [persoon D], [persoon E], [persoon F] en [persoon G].
13.Ministerie van Economische Zaken, Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (BuRO), Advies van BuRO over halsbandparkiet, grote Alexanderparkiet en monniksparkiet.
14.Landbouwschade door halsbandparkieten, Schade-inventarisatie en risicoschatting, CLM-856; 2014.
15.SOVON, Update broedvoorkomen Halsbandparkiet in Nederland, 12 maart 2026.