ECLI:NL:RBGEL:2026:5220

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/05/466610 / KZ ZA 26-59
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:460 BWArt. 2 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering voortzetting zorgovereenkomst na agressief gedrag patiënt

Eiser, sinds 2018 onder behandeling bij GGNet voor psychische stoornissen, woonde vanaf 2020 op een GGNet-woonlocatie. Door herhaald agressief en grensoverschrijdend gedrag, waaronder vernielingen en bedreigingen, ontstond een onveilige situatie voor medewerkers en medepatiënten. GGNet gaf meerdere waarschuwingen en probeerde passende alternatieven te vinden.

Na diverse klachtenprocedures en bindend advies van de geschillencommissie, waarin GGNet niet tekortgeschoten werd geacht, werd het verblijf van eiser beëindigd. Eiser verhuisde naar een andere instelling, maar ook daar ontstonden problemen, waarna de onderaannemingsovereenkomst werd beëindigd. Eiser keerde terug naar GGNet, waar opnieuw incidenten plaatsvonden, leidend tot onmiddellijke beëindiging van het verblijf en ontzegging van toegang.

Eiser vorderde in kort geding voortzetting van de zorgovereenkomst, stellende dat geen gewichtige reden voor opzegging bestond en dat zorgvuldigheidseisen niet waren nageleefd. De rechtbank oordeelde dat het agressieve gedrag en de onveilige situatie een gewichtige reden vormden, dat GGNet voldoende inspanningen had verricht voor alternatieven, en dat onmiddellijke beëindiging gerechtvaardigd was. De vordering werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de zorgovereenkomst wordt afgewezen vanwege agressief gedrag en voldoende inspanningen van GGNet voor alternatieve zorg.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/466610 / KZ ZA 26-59
Vonnis in kort geding van 1 juli 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. W.G.E.B. den Hartog,
tegen
STICHTING GGNET,
te Warnsveld,
gedaagde partij,
hierna te noemen: GGNet,
advocaat: mr. M.S. Bugter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de producties van [de eiser]
- de conclusie van antwoord
- de producties van GGNet
- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026
- de spreekaantekeningen van [de eiser]
- de spreekaantekeningen van GGNet
- de aanhouding op verzoek van partijen voor schikkingsonderhandelingen
- de brief van 27 mei 2026 van GGNet
- de brief van 18 juni 2026 van [de eiser] , waarin namens partijen gevraagd wordt om vonnis te wijzen.

2.De feiten

2.1.
GGNet is een instelling voor geestelijke gezondheidszorg die zich onder meer bezighoudt met de behandeling en begeleiding van mensen met psychiatrische en psychische problematiek.
2.2.
[de eiser] wordt sinds juni 2018 door GGNet behandeld voor meerdere psychische stoornissen. De zorgindicatie van [de eiser] schrijft verblijf in een instelling met behandeling voor.
2.3.
Vanaf januari 2020 heeft [de eiser] gewoond op De Meent, een woon-/zorglocatie van GGNet.
2.4.
Op 15 februari 2022 heeft GGNet een schriftelijke officiële waarschuwing gegeven aan [de eiser] wegens overtreding van de huisregels (productie 2 van GGNet). In de brief staat dat [de eiser] zich in de voorafgaande weken ernstig had misdragen richting medewerkers van De Meent, waarbij hij sleutels en een telefoon van hen had afgenomen en geweigerd terug te geven, en daarnaast agressie had geuit richting medewerkers en materiaal van de Meent, waardoor schade is ontstaan. Ook is [de eiser] erop gewezen dat GGNet maatregelen zou moeten nemen ten aanzien van zijn verblijf, indien hij zich opnieuw niet aan de huisregels zou houden.
2.5.
In september 2023 heeft [behandelaar] , coördinerend behandelaar bij GGNet, een aanvraag consultatie gedaan bij het Centrum voor Consultatie en Expertise (hierna: CCE). Daarna zijn er tot maart 2025 er meerdere gesprekken geweest tussen consulenten van het CCE en [de eiser] , enkele van zijn begeleiders en behandelaren.
2.6.
Vanaf november 2023 zijn er (meer) problemen in de samenwerking met [de eiser] ontstaan, waarbij zijn behandeling stagneerde. Er zijn vanaf die periode meerdere GGNet Incident Meldingen (GIM) gedaan over agressie door [de eiser] .
2.7.
In een door GGNet opgesteld overzicht, getiteld “
Abstract verloop zorg en behandeling” (productie 3 van GGNet), is opgenomen dat het agressieve gedrag van [de eiser] toenam, dat [de eiser] afspraken met begeleiders en behandelaren niet nakwam en met een deel van de begeleiders geen contact wilde. Ook staat daarin dat geprobeerd is de woonomgeving van [de eiser] prikkelarm te maken door zo min mogelijk andere patiënten bij hem op de gang te laten verblijven, maar dat het inmiddels zo was dat de kamers op de gang leeg werden gehouden, waardoor er geen plek was voor andere patiënten. Aan [de eiser] is medegedeeld dat hij op afspraken met begeleiders en behandelaren moest verschijnen, dat hij hen en de andere patiënten moest respecteren en geen grensoverschrijdend gedrag mocht vertonen. Gemeld is ook dat als hij zich hieraan niet zou houden, de behandeling zou stoppen en hij met ontslag zou gaan. Ook is vermeld dat er meerdere voorstellen zijn gedaan door de begeleiders om praktische ondersteuning en contact te realiseren. Er is een brievenbus naast de kamer van [de eiser] geplaatst, waarin de post en de medicatie van [de eiser] werd gelegd, omdat [de eiser] persoonlijk contact vermeed door angst en paniek.
2.8.
Bij e-mailbericht van 25 april 2024 van de psychiater en de teammanager is aan [de eiser] medegedeeld dat zijn verblijf op de Meent per 1 juli 2024 zou stoppen. Als reden is gegeven dat zij niet in staat waren om [de eiser] de behandeling te geven die hij nodig had.
2.9.
Op 16 mei 2024 heeft [de eiser] bij de Klachtencommissie van GGNet een klacht ingediend tegen verschillende medewerkers van GGNet (productie 5 van GGNet). De klacht houdt – kort gezegd – in dat [de eiser] geen goede zorg ontving op basis van artikel 2 Wet Pro kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz) en dat het gedwongen ontslag neerkwam op een beëindiging van de behandelingsovereenkomst, wat alleen bij een gewichtige reden kan, en daarvan was volgens [de eiser] geen sprake. Ook heeft GGNet zich volgens [de eiser] niet gehouden aan de zorgvuldigheidseisen bij opzegging, die zijn opgenomen in de KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst.
2.10.
De medewerkers tegen wie de klacht was ingediend hebben verweer gevoerd bij de klachtcommissie (productie 6 van GGNet).
2.11.
Op 18 juni 2024 heeft de Klachtencommissie een uitspraak gedaan (productie 7 van GGNet) en daarin de klachten van [de eiser] ongegrond verklaard. Met betrekking tot de klacht over het ontbreken van goede zorg overweegt de commissie dat uit het dossier blijkt dat er door het behandelteam steeds is geprobeerd om [de eiser] tegemoet te komen in zijn wensen en eisen en hierbij rekening is gehouden met zijn angsten en problematiek. Maar na het vertrek van voor klager bekende en vertrouwde medewerkers liet hij steeds minder mensen toe en uitte zich meer en meer boos en agressief (verbaal en fysiek) richting bekende en onbekende medewerkers. De commissie constateert dat de spanningen tussen klager en veel medewerkers uit het team een zware wissel hebben getrokken op het gehele team en ook op de afdeling, de medepatiënten. Hierdoor bestond er naar het oordeel van de commissie geen basis (meer) voor een bestendig uitvoerbaar behandelplan en uiteindelijk ook voor verdere behandeling. Volgens de commissie is er ruimschoots tijd, zorg en aandacht besteed aan [de eiser] . De commissie zag betrokkenheid van de medewerkers (en het gehele behandelteam) bij het zoeken naar passende hulpverlening voor klager en zag geen aanwijzingen dat verweerders tekortgeschoten zijn of onzorgvuldig hebben gehandeld.
Met betrekking tot de klacht over het gedwongen ontslag overweegt de commissie dat de medewerkers van GGNet zich voldoende hebben ingespannen om een geschikte vervolgplek voor [de eiser] te vinden door drie alternatieve woonplekken voor te stellen. Dat deze opties niet voldoen aan de wensen en eisen van [de eiser] , kan de medewerkers niet worden verweten. De commissie ziet geen aanwijzingen voor onprofessioneel, foutief of onzorgvuldig handelen door de medewerkers ten aanzien van de beslissing om het verblijf te beëindigen per 1 juli 2024.
2.12.
[de eiser] heeft vervolgens een (soortgelijke) klacht ingediend bij de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: de geschillencommissie). GGNet heeft verweer gevoerd tegen de klacht.
2.13.
Bij brief van 14 november 2024 van de teamleider van GGNet is een waarschuwing gegeven aan [de eiser] om zijn gedrag aan te passen naar aanleiding van een incident die dag, waarbij [de eiser] drie keer hard met een bal naar aan andere patiënt heeft gegooid, waardoor die patiënt zich onveilig voelde (productie 10 van GGNet). Daarbij is medegedeeld dat, als [de eiser] zijn gedrag niet zou veranderen, het gevolg kon zijn dat hij (tijdelijk) niet meer op de Meent zou kunnen verblijven.
2.14.
Op 7 januari 2025 heeft de geschillencommissie een uitspraak gedaan (een bindend advies) en daarin de klacht van [de eiser] ongegrond verklaard (productie 11 van GGNet). De commissie stelt vast dat een situatie is ontstaan waarbinnen GGNet niet kon leveren wat [de eiser] dacht nodig te hebben bij zijn begeleiding. De schuld daarvan is volgens de commissie niet eenzijdig bij GGNet te leggen. De commissie overweegt dat niet is gebleken dat GGNet is tekortgeschoten in het bieden van goede zorg. Verder vindt de commissie het begrijpelijk dat voor [de eiser] de aangezegde verhuizing rauw op het dak is gevallen. De commissie is er niet van overtuigd dat GGNet met de aanzegging alle zorgvuldigheid heeft betracht, maar stelt wel vast dat de zorgaanbieder actief op zoek is gegaan naar passende alternatieven, en dat [de eiser] de aangedragen alternatieven heeft afgewezen. Gelet op inspanningen van GGNet en omdat zij had aangegeven dat [de eiser] kon blijven ter overbrugging naar een nieuwe plek, is de commissie van oordeel dat GGNet niet onzorgvuldig heeft gehandeld bij het beëindigen van het verblijf.
2.15.
Eind 2024 en begin 2025 heeft GGNet een vijftal zorgverleners benaderd voor een verblijfsplek voor [de eiser] . Deze aanvragen zijn afgewezen omdat er – kort gezegd – geen passende woon-/zorgplek was voor [de eiser] .
2.16.
In de eerste maanden van 2025 zijn er incidenten geweest, waarbij [de eiser] met zijn hoofd tegen een muur bonkte, aan het schreeuwen was en de deur van zijn kamer had gebarricadeerd. Ook heeft hij een bloempot richting de kamer van een medepatiënt gegooid.
2.17.
Bij e-mailbericht van 27 maart 2025 heeft het Zilveren Kruis Zorgkantoor (hierna: het zorgkantoor) GGNet laten weten dat het overbruggingsplan, dat concreet beschrijft hoe de continuïteit van zorg werd gewaarborgd totdat een andere aanbieder de zorg zou overnemen, onvolledig was (productie 6 van [de eiser] ). GGNet is verzocht om een volledig en duidelijk overbruggingsplan aan te leveren. Benadrukt werd dat GGNet verantwoordelijk bleef voor de zorgverlening totdat de beëindigingsprocedure correct was afgerond en een vervolgaanbieder de indicatie had overgenomen.
2.18.
Op 28 mei 2025 is [de eiser] verhuisd naar Youngster, een woon-/zorginstelling. In samenspraak met het zorgkantoor hebben GGNet en Youngster een onderaannemingsovereenkomst gesloten. Daarin is opgenomen dat Youngster het wonen inclusief begeleiding van GGNet overnam, en dat GGNet de specialistische GGZ-behandeling van [de eiser] zou voortzetten.
2.19.
Vanaf juli 2025 hebben [de eiser] en zijn rechtsbijstandsverzekeraar klachten geuit bij GGNet over (onder meer) schending van haar zorgplicht en een onjuist behandelplan. Ook heeft [de eiser] eind december 2025 via e-email vele vragen gesteld over zijn behandeling, begeleiding en wonen, waarop door de teamleider van Youngster is gereageerd en de werkwijze is uitgelegd. [de eiser] heeft daarop gereageerd – kort gezegd – dat er is gelogen en dat hij niet serieus genomen werd (producties 17 en 18 van GGNet).
2.20.
Op 6 februari 2026 heeft Youngster de onderaannemingsovereenkomst met GGNet beëindigd, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden (productie 19 van GGNet). Als reden wordt in de brief aangegeven dat Youngster zich niet meer kan verenigen met de aanpak rondom [de eiser] . Later heeft Youngster een nadere toelichting gegeven op haar besluit (productie 19 van GGNet). Daarin staat onder meer dat er sprake was van aanhoudende spanning en structurele problemen in de emotieregulatie bij [de eiser] , dat er onvoldoende afstemming en regie plaatsvond, dat er verschillende behandelplannen naast elkaar bestonden en dat zich meerdere incidenten en escalaties hebben voorgedaan richting medebewoners waarbij sprake was van verbaal en fysiek agressief gedrag. Er was sprake van een structureel onveilige zorgsituatie, waarbij de veiligheid van GGNet, medewerkers en medebewoners niet langer kon worden gewaarborgd.
2.21.
Op 17 maart 2026 heeft GGNet de brief met de opzegging van Youngster aan [de eiser] toegezonden en [de eiser] gevraagd om toestemming voor het gebruik van zijn gegevens voor het aanmelden bij een andere zorgaanbieder. [de eiser] heeft daarop aangegeven dat hij geen antwoord had gekregen op al zijn vragen en dat hij weigerde de toestemming te geven (productie 20).
2.22.
Op 7 april 2026 heeft er een incident plaatsgevonden, waarbij [de eiser] agressief reageerde op de begeleiding van Youngster en spullen naar de begeleiding heeft gegooid. Naar aanleiding van deze situatie heeft Youngster besloten het verblijf van [de eiser] met onmiddellijke ingang te beëindigen.
2.23.
Op 16 april 2026 is [de eiser] verhuisd naar een kamer bij GGNet in het Regionaal GGZ Centrum (RGC) in Zutphen. [de eiser] heeft daar, aanvankelijk voor de duur van twee maanden, een kamer gekregen op een gang waar geen andere cliënten verbleven.
2.24.
In de periode 18 tot en met 20 april 2026 hebben er verschillende incidenten plaatsgevonden, waarbij [de eiser] zich als gevolg van paniek en stress agressief en dreigend richting het personeel heeft geuit. Ook heeft hij daarbij de afdelingsdeuren gebarricadeerd met spanbanden en de ramen in de deuren afgeplakt. Daarop heeft het personeel de politie ingeschakeld, die de afgrendeling heeft opengebroken. [de eiser] heeft toen dwangmedicatie gekregen en is overgebracht naar een gesloten afdeling van GGNet in Warnsveld.
2.25.
Bij brief van 22 april 2026 heeft GGNet [de eiser] medegedeeld dat zijn verblijf per direct werd beëindigd in verband met zijn gedragingen, waaronder ernstige vernielingen, bedreigingen van personeel en verstoringen van de orde op de afdeling (productie 15 van [de eiser] ). In de brief staat ook dat bij herhaling was gebleken dat het niet mogelijk was om met [de eiser] constructieve afspraken te maken. Verder deelt GGNet mee dat zij ervoor zal zorgen dat medisch noodzakelijke zorg door kon gaan en ook de gesprekken met Cecelia Karr in het kader van therapie. Ook heeft GGNet bij haar brief een lijst met adressen van sociale opvang gevoegd en heeft zij aangegeven dat zij met het Zorgkantoor in overleg zou gaan over de ontstane situatie.
2.26.
Ook op 22 april 2026 heeft GGNet [de eiser] bij brief laten weten dat hem met onmiddellijke ingang de toegang tot het terrein van GGNet werd ontzegd (productie 15 van [de eiser] ). [de eiser] is toen ingetrokken bij zijn ouders.
2.27.
Bij brief van 22 april 2026 heeft de advocaat van [de eiser] gereageerd op de brieven van 22 april 2026 van GGNet (productie 16 van [de eiser] ). In de brief stelt de advocaat dat geen sprake kan zijn van beëindiging van de zorgovereenkomst, omdat een gewichtige reden daarvoor ontbreekt. Ook is aangevoerd dat GGNet haar zorgplicht niet heeft nageleefd omdat er geen schriftelijke waarschuwing is gegeven en er geen passend alternatief is aangeboden.
2.28.
Bij brief van 23 april 2026 heeft GGNet gereageerd met onder meer de mededeling dat er geen sprake is van een formele beëindiging van de behandelingsovereenkomst, maar van een beëindiging van het verblijf bij GGNet (productie 17 van [de eiser] ). GGNet concludeert in haar brief dat de zorg onuitvoerbaar is en dat haar zorgplicht de grens heeft bereikt.
2.29.
Op 23 april 2026 heeft de advocaat van [de eiser] op laatstgemelde brief gereageerd en gesteld dat GGNet de behandelingsovereenkomst moet nakomen, omdat een gewichtige reden voor opzegging ontbreekt en de zorgvuldigheidseisen niet zijn nageleefd (productie 18 van [de eiser] ).
2.30.
In reactie daarop heeft GGNet op 24 april 2026 aangegeven dat zij in gesprek was met het zorgkantoor over het vervolg en dat de continuïteit van zorg gewaarborgd zou worden, in die zin dat de noodzakelijke behandelcontacten en medicatieverstrekking voortgezet zouden worden.
2.31.
Bij brief van 7 mei 2026 heeft GGNet [de eiser] medegedeeld dat zij voornemens was om de zorg stop te zetten en dat zij daarvoor een verzoek zou indienen bij het zorgkantoor (productie 22 van GGNet).

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis GGNet zal veroordelen:
1. tot nakoming van de behandelingsovereenkomst, in het bijzonder door de zorg en het verblijf waarop [de eiser] op grond van zijn zorgprofiel GGZ-7B is aangewezen voort te zetten totdat een passend alternatief is gerealiseerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat GGNet in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 500.000,00,
2. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[de eiser] legt aan de vordering – samengevat – ten grondslag dat een gewichtige reden voor opzegging van de behandelingsovereenkomst ontbreekt en dat de beëindiging van de behandelingsovereenkomst niet voldoet aan de zorgvuldigheidseisen.
3.3.
GGNet voert verweer. GGNet concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
[de eiser] heeft spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, omdat hij op grond van zijn zorgindicatie zorg en begeleiding nodig heeft en hij die niet of onvoldoende krijgt.
4.3.
De zorgovereenkomst tussen partijen is een geneeskundige behandelingsovereenkomst, waarop artikel 7:460 BW Pro van toepassing is. Op grond van dit artikel kan de behandelingsovereenkomst alleen worden opgezegd als daarvoor gewichtige redenen bestaan. Wat onder “gewichtige redenen” moet worden verstaan, hangt blijkens de toelichting van de wetgever af van de omstandigheden van het geval. In de KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst worden bij de vijf meest voorkomende gewichtige redenen onder meer genoemd: de patiënt vertoont zeer onheus of agressief gedrag en de arts heeft een ernstig conflict met de patiënt en/of de patiënt wil niet meewerken aan de behandeling. Zijn er gewichtige redenen dan geldt dat alvorens tot (eenzijdige) beëindiging kan worden overgegaan, een aantal zorgvuldigheidseisen in acht dient te worden genomen. Zo moet er voldoende gewaarschuwd zijn voor opzegging, dient er een redelijke termijn te zijn gegeven om de behandeling elders voort te zetten, moet gepoogd zijn het gedrag te corrigeren en moet er voor alternatieve hulpverlening zijn gezorgd.
4.4.
Aangenomen wordt dat GGNet voornemens is de zorgovereenkomst met [de eiser] te beëindigen. Dit blijkt uit de brief van 7 mei 2026 aan [de eiser] , waarin GGNet aangeeft dat zij de zorg wil stopzetten en daarvoor een verzoek heeft ingediend bij het zorgkantoor (productie 22 van GGNet). Dat kan in principe alleen op grond van gewichtige redenen zoals hiervoor is aangegeven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de eiser] aangevoerd dat hij niet meer bij GGNet kan en wil verblijven. In de brief van 18 juni 2026 – van na de zitting – van de advocaat van [de eiser] aan de rechtbank staat dat [de eiser] per 19 juni 2026 zelfstandig zou gaan wonen in een particuliere huurwoning in [plaatsnaam] . Nu [de eiser] een andere woonplek heeft gevonden, heeft hij geen belang meer bij het deel van de vordering dat ziet op het regelen van een passende woonplek door GGNet.
4.5.
In laatstgemelde brief van 18 juni 2026 staat ook dat de behandelindicatie van [de eiser] in een woonindicatie moet worden omgezet. Totdat een zorgaanbieder is gevonden die bereid is thuiszorg aan [de eiser] te leveren, wil [de eiser] dat Cecelia Karr , zijn psycholoog bij GGNet, hem blijft behandelen en dat [naam] in onderaanneming door GGNet wordt ingehuurd voor zijn begeleiding. Voor zover [de eiser] hiermee bedoeld te stellen dat de zorgovereenkomst moet worden voortgezet, geldt dat GGNet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter daartoe niet gehouden kan worden. Zoals hiervoor onder de feiten is weergegeven, hebben zich meerdere incidenten en escalaties voorgedaan waarbij [de eiser] verbaal en fysiek agressief gedrag heeft vertoond. Aan [de eiser] is meerdere malen medegedeeld dat hij op afspraken met begeleiders en behandelaren moest verschijnen, dat hij hen en de andere patiënten moest respecteren en geen grensoverschrijdend gedrag mocht vertonen. Gemeld is ook dat als hij zich hieraan niet zou houden, de behandeling zou stoppen en hij met ontslag zou gaan. Desondanks was sprake van een aanhoudende onveilige zorgsituatie, waarbij de veiligheid van GGNet, medewerkers en medebewoners niet langer kon worden gewaarborgd. Terecht heeft GGNet naar het oordeel van de voorzieningenrechter besloten tot een beëindiging van het verblijf, en uiteindelijk, de zorgverlening. De omstandigheid dat er een relatie bestaat tussen het gedrag van [de eiser] – naar eigen zeggen zijn paniekreactie – en zijn psychische problematiek maakt dat niet anders. Weliswaar heeft GGNet enig onaangepast gedrag dat is gerelateerd aan de problematiek van haar patiënten te dulden, maar het herhaaldelijk gebruiken van geweld en uiten van agressie is niet acceptabel, gelet op de impact die dat heeft op de andere patiënten en de medewerkers. [de eiser] stelt ook dat er afspraken zijn geschonden door GGNet en dat hij heeft gevraagd om werkende afspraken. GGNet en Youngster hebben aangegeven daarmee met [de eiser] aan de slag te willen gaan, maar door de ontstane onveilige woon- en zorgsituatie is dat niet gebeurd.
4.6.
GGNet heeft ter zitting aangeboden dat, zolang de behandelindicatie nog niet is omgezet, de begeleiding door Cecelia Karr kan worden voortgezet. Dit is – gelet op de vertrouwensband tussen [de eiser] en Karr – wellicht een goede optie, maar dit kan niet worden afgedwongen door [de eiser] omdat GGNet, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, terecht heeft aangegeven de zorgovereenkomst te willen beëindigen. Verder kan gelet hierop niet van GGNet worden verwacht dat zij – zoals [de eiser] wenst – [naam] , die op geen enkele wijze verbonden is aan GGNet, in onderaanneming inhuurt voor de begeleiding van [de eiser] .
4.7.
GGNet heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende inspanningen verricht bij het zoeken naar een passend alternatief. Zij heeft diverse zorginstellingen benaderd of [de eiser] daar terecht kon, maar doordat de begeleiding en zorg niet aansloot bij de behoeften van [de eiser] , [de eiser] zijn toestemming voor het verstrekken van zijn gegevens weigerde en/of niet akkoord ging met bepaalde alternatieve instellingen, heeft dat niet tot resultaat geleid.
4.8.
[de eiser] voert aan dat GGNet geen opzegtermijn heeft gehanteerd. Gelet op de incidenten die zich in april 2026 hebben voorgedaan en de waarschuwingen die [de eiser] ook in de periode daarvoor al meerdere keren had gekregen over de consequenties als hij zich niet aan de aanwijzingen van GGNet hield, heeft GGNet het verblijf van [de eiser] met onmiddellijke ingang mogen beëindigen. Nu GGNet heeft aangegeven dat de medisch noodzakelijke zorgverlening wordt voortgezet totdat de behandelindicatie is omgezet, kan niet worden geconcludeerd dat GGNet onzorgvuldig heeft gehandeld.
4.9.
Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van [de eiser] om de behandelingsovereenkomst voort te zetten zal worden afgewezen.
4.10.
[de eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GGNet worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,
5.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
sa/kh