ECLI:NL:RBGEL:2026:522

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
11855268
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:678 BWArt. 93 sub c RvArt. 156 lid 3 RvArt. 157 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onterecht ontslag op staande voet en toekenning van vergoedingen aan werknemer

De werknemer was werkzaam als kok op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 juli 2024 tot 31 december 2026. De werkgever beëindigde de samenwerking op 6 augustus 2025 per direct met een ontslag op staande voet, stellende dat de werknemer slechts op papier in dienst was zonder daadwerkelijk arbeid te verrichten.

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is omdat een dringende reden ontbreekt. De werkgever heeft onvoldoende bewijs geleverd voor de stelling dat sprake was van een schijnconstructie. De werknemer heeft na aanvang van de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk werkzaamheden verricht.

De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding tot het einde van de arbeidsovereenkomst, een billijke vergoeding wegens het onterecht ontslag en het achterstallig loon over de periode juni tot augustus 2025. Tevens worden wettelijke rente en een wettelijke verhoging toegewezen. De proceskosten worden aan de werkgever opgelegd.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is onterecht en de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding, billijke vergoeding en achterstallig loon.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 11855268 \ HA VERZ 25-127
Beschikking van 14 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. G.J. Gerrits ,
tegen
[naam verweerder] H.O.D.N. [verweerder],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. J. Wagenmakers

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 november 2025, waar beide partijen en hun gemachtigden zijn verschenen. De gemachtigde van [verweerder] heeft ter zitting een verweerschrift voorgedragen en overhandigd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.
1.3.
Vervolgens is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat door hem daadwerkelijk uitvoering is gegeven aan de inhoud van de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] heeft in dat kader op 20 november 2025 een akte genomen, waarop [verweerder] op 26 november 2025 bij antwoordakte heeft gereageerd.
1.4.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Tot 1 juni 2024 werd [verweerder] (mede) gedreven voor rekening en risico van [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] .
2.2.
Per 1 juni 2024 zijn de activiteiten van [verweerder] overgedragen aan mevrouw [naam] (hierna: [naam] ), de partner van [verweerder] .
2.3.
Tussen [naam] en [verzoeker] is een arbeidsovereenkomst gesloten voor bepaalde tijd, ingaande op 1 juli 2024 en lopende tot 31 december 2026, voor 24 uur per week. De functie van [verzoeker] is kok met een loon van € 1.484,26 bruto per maand, te vermeerderen met 8,85% vakantietoeslag. Er is in de arbeidsovereenkomst geen tussentijds opzegbeding opgenomen. Op deze arbeidsovereenkomst is de Horeca-cao (hierna: de cao) van toepassing.
2.4.
Kort na aanvang van de arbeidsovereenkomst is [verzoeker] vrijgesteld van werk met behoud van loon.
2.5.
Per 1 mei 2025 zijn de activiteiten van [verweerder] door [naam] overgedragen aan [verweerder] .
2.6.
Vanaf 1 juni 2025 heeft [verzoeker] geen loon meer ontvangen.
2.7.
Op 6 augustus 2025 heeft [verweerder] de samenwerking met [verzoeker] beëindigd. Voor zover hier van belang, heeft [verweerder] op die dag het volgende aan [verzoeker] geschreven:
“Hierbij bevestig ik dat ik de samenwerking tussen ons per direct beëindig.
Bij het aangaan van de afspraken met mevrouw [naam] , ben ik ervan uitgegaan dat er sprake zou zijn van een oprechte werkrelatie, waarin u daadwerkelijk werkzaamheden zou verrichten binnen mijn onderneming. met de verwachting dat u zou voldoen aan de verantwoordelijkheden die horen bij een dienstverband.
Tot mijn grote teleurstelling bleek al snel dat u geen werkzaamheden verrichtte en werd voor mij duidelijk dat er feitelijk sprake was van een constructie waarbij jij mogelijk slechts op papier in dienst bent, zonder arbeid te verrichten. Dit is in strijd met de afspraken en verwachtingen die ik heb als werkgever en ondernemer.
Ik wens op geen enkele manier betrokken te zijn bij een constructie die niet in overeenstemming is met wet- en regelgeving. Ik neem dan ook afstand van alle (mondelinge of schriftelijke) afspraken tussen ons en beëindig per direct elke vorm van samenwerking of financiële vergoeding.
Indien blijkt dat mijn bedrijfsnaam of identiteit wordt gebruikt om onterecht aanspraken te maken op uitkeringen, toeslagen of andere doeleinden, dan zal ik passende juridische stappen ondernemen om mijn onderneming en reputatie te beschermen.”

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding van € 5.000,00 toe te kennen en verzoekt om [verweerder] te veroordelen tot betaling van het achterstallig loon van
€ 3.489,74 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, een vergoeding van € 27.207,04 bruto wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding van € 592,27 bruto. Tot slot verzoek [verzoeker] om [verweerder] in de proceskosten te veroordelen.
3.2.
[verzoeker] legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Van een dringende reden voor het ontslag op staande voet is geen sprake. Daar komt nog bij dat het ontslag niet onverwijld is verleend. [verzoeker] berust echter in het ontslag en maakt aanspraak op een transitievergoeding, een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en uitbetaling van het achterstallig loon.
3.3.
[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. De tussen [verzoeker] en [naam] gesloten arbeidsovereenkomst was “fake” en [verzoeker] heeft misbruik gemaakt van de omstandigheden. [naam] was bereid maandelijks een overnamevergoeding te betalen, maar [verzoeker] drong aan op een arbeidsovereenkomst. [verweerder] meent dat hij de dupe is geworden van het handelen van [verzoeker] . Voor zover het tot een veroordeling zou komen, is de hoogte van de gevorderde gefixeerde schadevergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus [verweerder] .
3.4.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
De kantonrechter acht zich bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen nu aan de vorderingen een schriftelijke arbeidsovereenkomst ten grondslag is gelegd (artikel 93 sub c Rv Pro). Deze arbeidsovereenkomst heeft te gelden als een onderhandse akte op grond van artikel 156 lid 3 Rv Pro, die op grond van artikel 157 lid 2 Rv Pro dwingend bewijs oplevert. Dit betekent dat behoudens tegenbewijs, ervan moet worden uitgegaan dat [verzoeker] en [naam] hetgeen daarin is opgenomen, zijn overeengekomen, te weten een arbeidsovereenkomst voor de periode 1 juli 2024 tot en met 31 december 2026.
4.2.
[verweerder] heeft in dat kader aangevoerd dat sprake zou zijn van een “fake” arbeidsovereenkomst, omdat er feitelijk sprake was van een constructie waarbij [verzoeker] slechts op papier in dienst was, zonder arbeid te verrichten. Dit wordt door [verzoeker] betwist. [verzoeker] zou na 1 juli 2024 nog daadwerkelijk arbeid hebben verricht. Het had op de weg van [verweerder] gelegen nader te onderbouwen dat sprake was van een zogenaamde schijnconstructie. Nu hij dit heeft nagelaten, is hij er niet in geslaagd tegenbewijs te leveren. Dit brengt met zich dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en de kantonrechter bevoegd is.
Ontslag op staande voet
4.3.
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van het achterstallig loon, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding.
4.4.
Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW Pro is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen op grond van een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden voor de werkgever als dringende redenen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer beschouwd, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
De kantonrechter dient bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen. Daarbij dient de aard en de ernst van de dringende reden afgewogen te worden tegen de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de werknemer.
4.5.
De toetsing of het ontslag al dan niet terecht is gegeven kan in beginsel alleen plaatsvinden op basis van hetgeen feitelijk aan de werknemer is meegedeeld en niet op basis van later aangevoerde feiten of omstandigheden. Verder dient de opzegging onverwijld na het ontdekken van de als dringende reden te beschouwen handeling plaats te vinden, onder gelijktijdige mededeling van de dringende reden. Daarbij fixeert de medegedeelde reden in beginsel de ontslagreden.
4.6.
[verweerder] heeft [verzoeker] op 6 augustus 2025 schriftelijk medegedeeld dat hij op staande voet ontslagen is, omdat het voor hem duidelijk werd dat er feitelijk sprake was van een constructie waarbij [verzoeker] slechts op papier in dienst was, zonder arbeid te verrichten.
4.7.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat een dringende reden daarvoor ontbreekt. De genoemde reden is geen dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW Pro.
Vergoedingen
4.8.
Nu van een geldig ontslag op staande voet geen sprake is en [verzoeker] heeft berust in het einde van de arbeidsovereenkomst, wordt toegekomen aan de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding.
4.9.
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van
€ 592,27 bruto wordt toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is.
De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 6 september 2025.
4.10.
Ook de gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen als verzocht. Partijen zijn geen tussentijds opzegbeding overeengekomen. Daarom is [verweerder] in beginsel als gefixeerde schadevergoeding verschuldigd het loon tot de overeengekomen einddatum, te weten 31 december 2026. De kantonrechter zal die vergoeding niet matigen, nu door [verzoeker] onbetwist is gesteld dat het sluiten van de arbeidsovereenkomst onderdeel was van de overname(som) van de activiteiten binnen [verweerder] . Indien de kantonrechter de vergoeding wel zou matigen, wordt achteraf de “overnamesom” aangepast. Niet gesteld of gebleken is dat de overnamesom op een hoger bedrag is gesteld omdat [verzoeker] nog werkzaamheden ten behoeve van [verweerder] zou verrichten.
De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 6 augustus 2025.
4.11.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt eveneens toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.12.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 500,00 bruto. Daarbij is in aanmerking genomen dat de inkomensschade van [verzoeker] nihil is, omdat hij via de gefixeerde schadevergoeding zijn volledige loon, tot de einddatum van zijn de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (31 december 2026), ontvangt.
Achterstallig loon
4.13.
Het gevorderde achterstallig loon over de periode 1 juni 2025 tot
6 augustus 2025 ten bedrage van € 3.489,74 bruto wordt eveneens toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente worden toegewezen als verzocht.
Proceskosten
4.14.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 87,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] , binnen twee dagen na dagtekening van deze beschikking, te betalen:
  • € 592,27 bruto ter zake de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 september 2025 totdat alles is betaald,
  • € 27.207,04 bruto ter zake de gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 augustus 2025 totdat alles is betaald,
  • € 500,00 bruto ter zake de billijke vergoeding,
  • € 3.489,74 bruto ter zake het achterstallig salaris over 1 juni 2025 tot 6 augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente over die wettelijke verhoging, zulks met ingang van de dag van opeisbaarheid totdat alles is betaald.
5.2.
veroordeelt [verzoeker] [verweerder] in de proceskosten van € 1.036,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [1] ,
5.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
44356 \ 61525

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.