ECLI:NL:RBGEL:2026:5184

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
05/005857-26
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36d SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met hakbijl in winkelcentrum Nijmegen

Op 7 januari 2026 heeft verdachte in het winkelcentrum Dukenburg te Nijmegen het slachtoffer meerdere malen met een hakbijl geslagen, onder meer op het hoofd, wat een hoofdwond veroorzaakte. De rechtbank acht bewezen dat verdachte met vol opzet handelde en het slachtoffer van het leven wilde beroven.

De verdediging voerde noodweer, noodweerexces en psychische overmacht aan, maar deze verweren werden verworpen omdat de aanval van het slachtoffer ophield toen verdachte de hakbijl pakte en verdachte daarna aanvallend handelde. Er was geen sprake van een situatie waarin verdachte geen weerstand kon bieden.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van vijf jaar op, met aftrek van voorarrest, en een contactverbod van drie jaar. De hakbijl werd verbeurd verklaard en messen onttrokken aan het verkeer. De civiele vorderingen van het slachtoffer werden deels toegewezen, met een schadevergoeding van € 6.548,94 inclusief smartengeld, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en contactverbod voor poging tot doodslag met een hakbijl.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/005857-26
Datum uitspraak : 1 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] (Turkije),
wonende aan het [adres] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. R.B. Schmidt, advocaat in Noordwijk.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 januari 2026 te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, een of meerdere malen met een (hak)bijl, althans een scherp en/of puntig vuurwerp, op/tegen het hoofd en/of op/tegen (overige) delen van het bovenlichaam en/of in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gehakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 7 januari 2026 te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een of meerdere malen met een (hak)bijl, althans een scherp en/of puntig vuurwerp, op/tegen het hoofd en/of op/tegen (overige) delen van het bovenlichaam en/of in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gehakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnota, op het standpunt gesteld dat uit de gedragingen van verdachte niet kan worden afgeleid dat hij opzet had op de dood van het slachtoffer. Evenmin kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte een (eventuele) kans op de dood bewust heeft aanvaard. Daarnaast dient verdachte (voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt) te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft daartoe een beroep gedaan op psychische overmacht in samenhang bezien met noodweer en noodweerexces.
Op specifieke standpunten van de verdediging zal – voor zover relevant – hierna worden ingegaan.
Beoordeling door de rechtbank
De bewijsmiddelen
Op 7 januari 2026 heeft er in het winkelcentrum Dukenburg in Nijmegen en de daarin gelegen Albert Heijn supermarkt (hierna: AH) een incident plaatsgevonden tussen verdachte en aangever [slachtoffer] (hierna: slachtoffer).
Verbalisant [verbalisant 1] , in vrije tijd in het winkelcentrum, liep omstreeks 15:35 uur richting de uitgang toen hij voor de bibliotheek direct aan de buitenzijde van de schuifdeuren van het winkelcentrum geschreeuw hoorde. Hij zag twee mannen die daar met elkaar aan het vechten waren. Ook zag hij dat twee andere personen het doel hadden hen uit elkaar te halen. Toen hij op korte afstand van hen kwam, zag hij dat één van de twee vechtende personen (naar later bleek: verdachte) een bijl tevoorschijn haalde en met die bijl in de richting van het slachtoffer probeerde te slaan. Vervolgens zag hij dat het slachtoffer direct op hoge snelheid wegrende in de richting van de AH. Hij zag dat de verdachte op hoge snelheid achter het slachtoffer aanrende en hierbij slaande bewegingen met de bijl maakte. In en bij de AH zag hij dat de verdachte trachtte om door middel van slaande bewegingen met de bijl in de richting van het slachtoffer, het slachtoffer te verwonden. Vervolgens zag hij dat het slachtoffer terug in de richting van de bibliotheek rende en dat de verdachte wederom achter het slachtoffer aanrende en hierbij een slaande beweging maakte met de rode bijl in de richting van het slachtoffer. Vervolgens zag hij dat er diverse omstanders tegelijkertijd op de verdachte doken en deze op de grond controleerden en fixeerden. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verder verklaard dat hij in het tijdsbestek en de afstand van de achtervolging tussen de verdachte en slachtoffer de verdachte zeker vijf keer een gerichte slaande beweging had zien maken in de richting van het slachtoffer en zijn aanval bleef voortzetten. Toen het incident zich afspeelde in en bij de AH zag hij dat er paniek heersten onder de omstanders doordat diverse omstanders probeerden te vluchten. Ook hoorde hij hierbij krijsende geluiden. [2]
Het incident is (grotendeels) vastgelegd door camerabeelden van een Geldmaat in het winkelcentrum met onder andere zicht op de uitgang en daarnaast door camerabeelden in de AH en camerabeelden van groente- en fruithandel Goudreinet. Verdachte en het slachtoffer hebben ter terechtzitting bevestigd dat zij op deze beelden te zien zijn. [3]
De beelden zijn door de politie uitgekeken. In chronologische volgorde is hierover onder meer het volgende gerelateerd.
Op stream 5 van de camerabeelden van de Geldmaat is het slachtoffer omstreeks 15:37 uur te zien bij de geldautomaat. Om 15:39:09 uur komt verdachte in beeld gelopen met een rugzak op zijn rug en een dichtgevouwen paraplu in zijn hand. Hij loopt in de richting van de uitgang. Te zien is dat slachtoffer, nog staand bij de geldautomaat, zijn hele lichaam naar rechts in de richting van de verdachte draait. De verdachte lijkt te schrikken en zijn looprichting aan te passen door niet tussen de geldautomaat en een bankje te lopen, maar links daarvan. Te zien is dat er over en weer iets wordt geroepen en dat verdachte in de richting van de uitgang loopt. [4]
Op stream 4 van de camerabeelden van de Geldmaat (met zicht op de uitgang) is iets na 15:39:13 uur te zien dat het slachtoffer met zijn rechterhand en duim een beweging maakt in de richting van de uitgang, terwijl verdachte doorloopt maar wel met het slachtoffer communiceert. Om 15:39:22 uur is te zien dat verdachte ter hoogte van de uitgang zijn rugzak in zijn handen neemt, terwijl hij richting het slachtoffer kijkt en doorloopt naar de uitgang. Vervolgens is te zien dat het slachtoffer hard achter verdachte aanloopt in de richting van de uitgang. Om 15:39:27 uur is te zien dat het slachtoffer buiten het winkelcentrum de verdachte heeft ingehaald en dat er een ruzie ontstaat waarbij beide mannen elkaar vastpakken.
Om 15:39:49 uur is te zien dat het slachtoffer weer in de richting van de toegangsdeur loopt
en blijft kijken in de richting van de verdachte. Als het slachtoffer net weer in het
winkelcentrum loopt draait hij zich weer om en rent op de verdachte af. Buiten grijpt het slachtoffer de verdachte weer vast. Een man probeert beide mannen uit elkaar te halen. Te zien is dan dat het slachtoffer zich omdraait en hard het winkelcentrum weer in komt lopen. Ook is te zien dat verdachte buiten iets verliest, mogelijk de rugzak, en hard achter het slachtoffer aan naar binnen rent. [5] Op stream 5 is te zien dat de verdachte op dat moment in zijn rechter hand een op een bijl gelijkend voorwerp vast heeft. [6]
De rechtbank heeft op de camerabeelden waargenomen dat om 15:39:54 uur te zien is dat verdachte zijn tas in zijn hand heeft terwijl het slachtoffer, zoals hiervoor beschreven, vanaf 15:39:49 uur (weer) naar buiten komt en richting verdachte rent. Om 15:39:56 uur heeft verdachte de tas op de grond laten vallen. Te zien is dat het slachtoffer om 15:39:57 uur van de verdachte af rent, terug het winkelcentrum in, en verdachte direct achter hem aan rent met de hakbijl in zijn hand. [7] De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte om 15:39:56 uur de hakbijl al uit zijn tas heeft gehaald.
Op de camerabeelden van Goudreinet is om 15:40:04 uur te zien dat het slachtoffer in beeld komt rennen met verdachte rennend achter hem aan. Om 15:40:05 uur is te zien dat verdachte een bijl in zijn hand heeft. [8]
Op videobestand 1 van de camerabeelden van de AH is te zien dat - op 3 minuten en 13 seconden - het slachtoffer via de uitgangpoortjes bij de zelfscankassa de AH in komt rennen en dat verdachte 3 seconden later achter hem aan komt rennen met een hakbijl in zijn rechterhand. Op 3 minuten en 25 seconden is te zien dat verdachte de bijl in de lucht brengt en hiermee in de richting van het slachtoffer dreigt. Vervolgens is te zien dat het slachtoffer een paal met een ronde voet (afzetpaal) in zijn handen pakt en met deze paal achteruit richting de uitgang loopt met de paal in de lucht en de ronde kant aan de bovenzijde. Verdachte loopt nog steeds zijn richting op, waarbij hij de hakbijl in zijn rechterhand omhoog houdt en daarmee dreigende bewegingen maakt in de richting van het slachtoffer. Met gebogen arm houdt verdachte de bijl in de lucht waarbij de bijl ter hoogte van zijn eigen hoofd is waarmee hij een dreigende houding richting het slachtoffer aan neemt. Op 3 minuten en 35 seconden is te zien dat het slachtoffer met de paal op het hoofd van verdachte slaat. Daarop voelt verdachte met zijn linkerhand aan zijn hoofd, daar waar hij geraakt is. Ongeveer een halve seconde later loopt verdachte wederom richting het slachtoffer.
Op videobestand 2 van de camerabeelden van de AH is te zien dat op 3 minuten en 43 seconden het slachtoffer achteruit blijft lopen, weg van verdachte, met de paal in zijn hand terwijl verdachte die nog steeds de bijl in de lucht houdt en richting het slachtoffer loopt.
Het slachtoffer probeert, terwijl hij nog steeds weg beweegt van verdachte, nog een keer met de paal te slaan richting verdachte. Verdachte haalt vervolgens met de hakbijl uit naar het slachtoffer waarbij hij met de bijl de paal raakt. Hierop laat het slachtoffer de paal vallen en haalt verdachte nogmaals uit met de hakbijl richting het slachtoffer terwijl het slachtoffer weg probeert te komen. Het lijkt erop dat hij het slachtoffer niet raakt en tijdens het wegrennen van het slachtoffer haalt verdachte nogmaals uit in de richting van het slachtoffer. Daarbij raakt hij het slachtoffer aan de voorkant van het lichaam waarna het slachtoffer op de grond valt ter hoogte van de uitgang van de zelfscanpoortjes. Op videobestand 1 is op dit moment te zien dat verdachte ter hoogte van de winkelkarretjes de bijl hoog in de lucht zwaait, het slachtoffer vastpakt en met kracht met de hakbijl in de richting van het gezicht van het slachtoffer slaat. Vervolgens is te zien dat het slachtoffer weer opstaat en weg rent (het beeld uit) en dat verdachte er met de hakbijl in zijn hand achteraan rent. [9]
Vervolgens is op de camerabeelden van Goudreinet het volgende te zien:
Om 15:40:44 draaiden de omstanders die bij de ingang van de AH stonden snel om en renden van de ingang weg. Er kwamen ook mensen de AH uit rennen. Om 15:40:50 komen het slachtoffer en de verdachte in beeld, met hun gezicht richting deze camera. Het slachtoffer liep nog steeds voorop en de verdachte volgde hem. De verdachte hield zijn rechterhand omhoog en maakte een slaande beweging richting het slachtoffer. Om 15:40:53 maakte de verdachte nog een keer een slaande beweging richting het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer kwam ten val. De verdachte hield met zijn linkerhand de jas van het slachtoffer vast terwijl hij zijn rechterhand opnieuw omhooghield. Vervolgens kwam de verdachte ten val en viel over het slachtoffer heen, waarbij zijn lichaam een draai maakte. De verdachte en het slachtoffer lagen allebei op de grond. Vanaf 15:40:56 kwamen er meerdere omstanders om hen heen staan. De
verdachte werd weggetrokken bij het slachtoffer vandaan en werd omlaag gehouden. [10]
Door getuige [getuige 1] is van hetgeen voor Goudreinet heeft plaatsgevonden een filmpje gemaakt. [11] Over de beelden is het volgende gerelateerd:
“Ik zag dat de verdachte een slaande beweging maakte richting het hoofd van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachte het slachtoffer met zijn linkerhand vasthield. Ik zag dat het slachtoffer probeerde afstand te creëren
tussen hem en de verdachte. Ik zag dat het slachtoffer dit deed met zijn linker hand en arm. Ik zag dat de bijl tegen het hoofd van het slachtoffer aan kwam. Ik zag dat dit ter hoogte van de linker zijde was van het slachtoffer. Ik zag dat dit ter hoogte was van de nek, schedel of hals. (…) Ik zag dat de verdachte nogmaals uithaalde richting het slachtoffer dit met dezelfde slaande beweging. Ik zag dat het slachtoffer ten val komt. Hierdoor belanden beiden op de grond. Ik zag dat de verdachte het slachtoffer vast bleef houden.”
Verder is gerelateerd dat er op het filmpje veel verschillende gillende personen te horen zijn. [12]
Getuige [getuige 2] heeft het volgende verklaard over de situatie in de AH:
“Ik zag dat de man met de hakbijl slaande bewegingen aan het maken was in de richting van het slachtoffer. Ik zag dat de man met de hakbijl richting de rug van het slachtoffer sloeg. Ik zag de man het slachtoffer raakte op zijn rug. Ik zag dat de man het slachtoffer raakte met de scherpe kant van de hakbijl op zijn rug. De man was echt aan het inhakken op het slachtoffer. Hoe vaak de man het slachtoffer met de hakbijl heeft geraakt durf ik niet te zeggen. Ik gooide de fles wijn richting het hoofd van de man met de hakbijl. Ik miste. Ik dacht op dat moment alleen maar aan het uitschakelen van de man. Ik was bang dat hij het slachtoffer anders dood zou maken. (…)[buiten de AH:]
Ik zag dat de man met de hakbijl bleef slaan in de richting van het slachtoffer. Nogmaals. De man wilde het slachtoffer echt dood maken.” [13]
Het letsel van het slachtoffer is onderzocht op 20 januari 2026. In het rapport staat vermeld dat op de bovenzijde van de schedel aan de linker zijde van het midden een in een rechte lijn verlopende huidverwonding zichtbaar is die tekenen van wondgenezing vertoont zoals korstvorming en indroging. Op 4 plaatsen zijn licht wijkende (breedte ongeveer 2 mm) wondranden zichtbaar. De totale lengte van de verwonding bedraagt ongeveer 4 cm. [14] Aangever heeft verklaard dat zijn en jas en pet schade hebben geleden door de hakbijl. Een foto van de pet, waarop aan de linkerzijde vóór een snede te zien is waardoor de fotograaf zijn vinger steekt, bevindt zich in het procesdossier, evenals foto’s van beschadigingen aan de jas. [15]
Verdachte heeft verklaard dat hij buiten het winkelcentrum door het slachtoffer werd geslagen. Het slachtoffer, ter terechtzitting gehoord, heeft verklaard dat het kan zijn dat hij verdachte buiten, buiten het beeld van de camerabeelden, heeft geslagen
Verdachte heeft verder verklaard dat hij de hakbijl sinds drie-vier weken in zijn rugzak bij zich had omdat hij een conflict had met het slachtoffer en bang voor hem was. Verdachte had de bijl gekocht bij de Praxis om zichzelf te beschermen. [16] De hakbijl is door de politie onderzocht. Verbalisant herkent deze als een handbijl, met bovenop de steel een metalen bijlblad. Het bijlblad heeft een scherpe, zilverkleurige snede. Op de bij dit proces-verbaal behorende foto is te zien dat de bijl iets minder 40 centimeter lang is. [17]
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 7 januari 2026 in Nijmegen het slachtoffer meerdere malen heeft geslagen met een hakbijl, waarbij één keer op zijn rug, één keer aan de voorkant van zijn lichaam en één keer op zijn hoofd. Bij die laatstbedoelde slag heeft het slachtoffer een hoofdwond opgelopen. Verder blijkt dat hij meerdere malen in de richting van het (boven)lichaam van het slachtoffer heeft geslagen.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden hoe het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd. Aan verdachte is primair een poging tot doodslag tenlastegelegd. Daarbij is de vraag of de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om de aangever van het leven te beroven. Voor vol opzet op de dood is vereist dat de verdachte daadwerkelijk de bedoeling had de aangever van het leven te beroven.
De rechtbank is van oordeel dat uit de gedragingen van verdachte kan worden afgeleid dat hij met vol opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehandeld en overweegt daartoe het volgende.
Verdachte had een hakbijl in zijn tas bij zich in verband met een (enkele maanden daarvoor ontstaan) conflict met het slachtoffer. Bij het zien van het slachtoffer haalt hij direct de rugzak van zijn rug en, toen hij de mogelijkheid kreeg, haalde hij deze hakbijl ook uit zijn tas. Gedurende bijna 60 seconden heeft hij het slachtoffer dreigend met een hakbijl achtervolgd. Nadat verdachte door het slachtoffer in de AH met het afzetpaaltje op zijn hoofd werd geslagen begon en bleef verdachte slaan in de richting van het slachtoffer en het slachtoffer achtervolgen. Verdachte ging door met slaan, ook nadat het slachtoffer op de grond was gevallen en weer opstond om te vluchten. Verdachte heeft het slachtoffer alles bij elkaar drie keer geraakt: één keer op zijn rug, één keer aan de voorkant van zijn lichaam en één keer op zijn hoofd. De achtervolging is niet door verdachte zelf beëindigd. Hij ging door met dreigen en daarna slaan tegen het slachtoffer ondanks dat hij een paal tegen zijn hoofd kreeg, er een fles wijn in de richting van zijn hoofd werd gegooid en ondanks gillend en van de situatie vluchtend publiek. Een getuige beschrijft de slaande bewegingen van verdachte als ‘inhakken’. Verdachte heeft in ieder geval tijdens de achtervolging voldoende tijd gehad om de gevolgen van zijn voorgenomen handelen te overzien. Desondanks heeft hij het slachtoffer onder meer op zijn hoofd geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is, en dat op vrij eenvoudige wijze door zo te slaan met een hakbijl vitale delen hadden kunnen worden geraakt zoals de hersenen en/of (slag)aders en aldus dodelijk letsel toegebracht had kunnen worden. De hakbijl met het scherpe bijlblad is daarnaast moeilijk anders dan met kracht te hanteren. Naar algemene ervaringsregels is een hakbijl namelijk zo ontworpen is dat de kop/ het blad daarvan zwaar (en scherp) is en werkt als een hefboom. Hierdoor is relatief weinig kracht nodig om met een hakbijl grote verwondingen en daarmee potentieel dodelijk letsel te veroorzaken, ook aan het hoofd. De gedragingen van verdachte, in het bijzonder het (met het oog op het conflict met het slachtoffer) kopen en voorhanden hebben van een hakbijl, de lange achtervolging door het winkelcentrum, de hoeveelheid slaande bewegingen richting het hoofd en bovenlichaam van het slachtoffer, de kracht en intensiteit van de slagen en het door de verdachte gehanteerde wapen, zijn naar het oordeel van de rechtbank zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat daaruit vol het opzet kan worden afgeleid. Er is geen sprake van contra-indicaties die een andere conclusie rechtvaardigen. Dat verdachte ‘alleen’ wilde dreigen en/of wilde afschrikken zoals hij heeft verklaard, wordt weersproken door zijn gedrag.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte opzettelijk heeft gepoogd om het slachtoffer van het leven te beroven. Daarmee is het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks7 januari 2026 te Nijmegen
, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven,
een ofmeerdere malen met een (hak)bijl,
althans een scherp en/of puntig vuurwerp, op/tegen het hoofd en
/ofop/tegen (overige) delen van het bovenlichaam en
/ofin de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gehakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit en de strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer, noodweerexces dan wel psychische overmacht toekomt. Hij heeft uit zelfverdediging gehandeld.
Het beroep op noodweer dan wel noodweerexces steunt volgens de raadsman op het volgende. Tussen de familie van verdachte en de familie van het slachtoffer is in de zomer van 2025 een conflict ontstaan. Op 12 november 2025 had het slachtoffer hem met een mes gestoken. Ook werd hij door het slachtoffer bedreigd. Hij was daardoor extreem angstig voor het slachtoffer. Daarbij was het het slachtoffer die op 7 januari 2026 verdachte bedreigde, achter verdachte aan kwam rennen terwijl verdachte juist het winkelcentrum verliet en buiten het winkelcentrum het gevecht begon. Nadat deze confrontatie is beëindigd is het vervolgens slachtoffer die voor de tweede keer de confrontatie opzoekt door opnieuw naar verdachte te rennen, aldus nog steeds de raadsman.
De raadsman heeft ter ondersteuning van het beroep op psychische overmacht aangevoerd dat er, door de maandenlange bedreigingen en het incident op 12 november 2025, op het moment van de aanval een enorme druk op de verdachte stond, waar hij (vooral na de klap op zijn hoofd met de afzetpaal) geen weerstand (meer) aan kon bieden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen geslaagd beroep kan worden gedaan op noodweer, noodweerexces dan wel psychische overmacht.
Beoordeling door de rechtbank
Noodweer(exces)
Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) dient in de eerste plaats sprake te zijn van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte, waartegen hij zich noodzakelijk moest verdedigen.
Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer op verdachte is afgerend, dat verdachte buiten het winkelcentrum door het slachtoffer is geslagen en dat het slachtoffer daarna het winkelcentrum in is gelopen en vervolgens weer op verdachte is afgerend en hem heeft vastgepakt. Verdachte heeft op het moment dat verdachte de tweede keer vanuit het winkelcentrum op hem komt afgerend en hem beetpakt, zijn hakbijl uit zijn rugzak gepakt. Daarop is het slachtoffer vrijwel direct het winkelcentrum ingevlucht.
Hoewel er naar het oordeel van de rechtbank in eerste instantie sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte waartegen verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen op het moment dat slachtoffer hem achterna rende en het gevecht buiten het winkelcentrum begon en daarna nog eens bij het tweede moment waarop het slachtoffer op de verdachte kwam afgerend en hem beetpakte, kwam deze aanval ten einde op het moment dat verdachte de hakbijl uit zijn tas pakte en het slachtoffer direct en met snelheid het winkelcentrum invluchtte. Het handelen van verdachte is vanaf dat moment naar het oordeel van de rechtbank niet verdedigend, maar moet – naar de kern bezien – worden beschouwd als aanvallend.
Daarmee was er vanaf het moment dat verdachte het slachtoffer achterna rende het winkelcentrum in dus geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding meer van het lijf van de verdachte en daarmee dus ook geen noodzaak om zich hiertegen te verdedigen. Er was dan ook geen sprake (meer) van een noodweersituatie en daarmee komt de verdachte ook geen beroep toe op noodweerexces. Deze beide verweren worden verworpen.
Psychische overmacht
Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter moeten onderzoeken of sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer zijn dochter in de zomer van 2025 in Turkije een gebroken neus heeft geslagen. Ook heeft hij verklaard dat hij op 12 november 2025 door het slachtoffer in zijn hand is gestoken en dat hij diverse malen met de dood is bedreigd door het slachtoffer. Het slachtoffer dreigde voor zijn gezicht zijn kinderen te doden en daarna hem. Na die bedreigingen had hij een bijl in zijn tas gestopt om ervoor te zorgen dat het slachtoffer op afstand bleef. Verdachte heeft verder verklaard dat hij op 7 januari 2026 twee keer door het slachtoffer werd aangevallen. De aanvallen gingen gepaard met doodsbedreigingen. Bij de eerste aanval had het slachtoffer hem geslagen. Bij de tweede aanval zag hij dat het slachtoffer een mes in de mouw van zijn jas had zitten. Daarvan werd hij extreem bang en pakte de bijl uit zijn rugzak. Toen het slachtoffer de bijl zag, rende het slachtoffer weg. Verdachte heeft verklaard dat hij achter het slachtoffer aan ging omdat hij angstig was dat het slachtoffer terug zou komen om hem ‘af te maken’. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat, toen hij even later door het slachtoffer werd geslagen met een paal, hij het zwart voor de ogen kreeg. Hij was extreem bang dat hij dood zou gaan. Hij was vanaf dat moment helemaal van de wereld.
Het slachtoffer heeft – ter zitting als getuige, onder ede – ontkend dat hij de dochter van verdachte een gebroken neus heeft geslagen, dat hij verdachte gestoken heeft in november 2025 en dat hij ook geen bedreigingen aan het adres van verdachte geuit heeft.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer op 7 januari 2026 een mes bij zich had. Naast de verklaring van verdachte bevat het politiedossier geen aanknopingspunten dat er door het slachtoffer een mes getrokken zou zijn of zou zijn getoond aan verdachte.
De rechtbank is verder van oordeel dat - zelfs als de overige elementen uit het door verdachte geschetste scenario aannemelijk worden geacht - daarmee geen sprake is geweest van een op dat moment van buiten komende drang waaraan verdachte geen weerstand kon en behoefde te bieden op het moment dat hij buiten het winkelcentrum door het slachtoffer voor de tweede keer werd aangevallen. Het conflict zou volgens verdachte namelijk pas enkele maanden geleden (in de zomer van 2025) ontstaan zijn. Dit geschil en de door verdachte gestelde gebeurtenissen in de periode na de zomer van 2025 zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig van aard en/of intensiteit dat aannemelijk is geworden dat de wilsvrijheid van verdachte daardoor was aangetast. Dit brengt mee dat verdachte na het tonen van de hakbijl simpelweg niet achter het slachtoffer aan had mogen gaan met de hakbijl omdat het slachtoffer overduidelijk wegvluchtte.
Daarom wordt het beroep op psychische overmacht ook verworpen.
Aangezien geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten, zijn het feit en de verdachte strafbaar.

6.De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Verder is verzocht aan verdachte een contactverbod met slachtoffer als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen voor de duur van drie jaar, met 7 dagen hechtenis per overtreding met een maximum van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht alle feiten en omstandigheden die zijn aangevoerd ten aanzien van het beroep op noodweer(exces) en het beroep op psychische overmacht te betrekken bij een op te leggen straf. De raadsman heeft verder verzocht rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte nooit eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen, dat geen sprake is psychische of agressie problematiek en dat geen sprake is van een verhoogd risico op herhaling. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden en een substantiële taakstraf passend zou zijn en hij verzoekt verdachte zo snel mogelijk in vrijheid te stellen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich op 7 januari 2026 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn ex-zwager. Na een woordenwisseling ontstond tussen hen een vechtpartij. Daarna is verdachte met een hakbijl gedurende 58 seconden achter het slachtoffer aangerend. Hij heeft meerdere malen met de bijl richting het bovenlichaam en het hoofd van het slachtoffer geslagen en ingehakt. Hierbij is het slachtoffer geraakt op zijn hoofd. Het feit is gepleegd in een winkelcentrum en de daarin gelegen supermarkt. Ondanks diverse pogingen van omstanders (en het slachtoffer) om verdachte tegen te houden en te doen stoppen, bleef verdachte achter het slachtoffer aanrennen met de hakbijl. Een wijnfles, een stalen afzetpaaltje en krijsende en vluchtende omstanders weerhielden verdachte er niet van om door te gaan. Pas toen verdachte samen met het slachtoffer op de grond viel konden omstanders verdachte vastgrijpen en in bedwang houden. Dat het incident geen fatale afloop heeft gehad, is een gelukkige omstandigheid die niet is te danken aan het handelen van de verdachte. Verdachte heeft met dit handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en pijn en letsel bij het slachtoffer veroorzaakt. Van slachtoffers van dergelijke geweldsincidenten is bekend dat zij daarnaast een dergelijke gebeurtenis als zeer traumatisch kunnen ervaren en dat zij nog lang last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid. Het incident vond bovendien plaats midden op de dag in een (druk bezocht) winkelcentrum waardoor het winkelend publiek getuige is geweest van het feit. Een dergelijk geweldsdelict veroorzaakt angst en onrust in de samenleving en zeker bij de personen die daarvan getuige zijn.
Adviezen
In het psychiatrisch NIFP-trajectconsult staat vermeld dat er geen aanwijzingen worden gezien voor een psychiatrisch toestandsbeeld in engere zin, zoals een psychose of een stemmingsstoornis. Ook staat vermeld dat op basis van de anamnese en het psychiatrisch onderzoek geen aanwijzingen worden gezien voor onderliggende psychopathologie, zoals persoonlijkheidsproblematiek, ontwikkelingsstoornis of een verstandelijke beperking.
In het reclasseringsadvies van 18 mei 2026 staat vermeld dat er geen specifieke risicofactoren zijn geconstateerd die van invloed zijn geweest op het ten laste gelegde en dat het een eenmalige daad uit angst lijkt te zijn geweest. De reclassering schat de kans op herhaling en op letsel laag in. De reclassering adviseert oplegging van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, namelijk een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met aangever.
De op te leggen straf
Verdachte heeft ter terechtzitting spijt betuigd. De rechtbank heeft ter terechtzitting ook een indruk gekregen van het verschil in karakters tussen verdachte en het slachtoffer en de dynamiek tussen. Op basis daarvan is de spanning van verdachte bij confrontatie met het slachtoffer voor de rechtbank wel invoelbaar. Desalniettemin is sprake van een ernstig feit en verdachte had anders moeten handelen. Een andere straf dan een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf is dan ook niet passend. De rechtbank is verder (anders dan de reclassering) van oordeel dat het risico op herhaling aanzienlijk is, aangezien sprake is van een langer lopend familie conflict dat nog niet is opgelost.
Voor de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank ook gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De rechtbank zal alles afwegend een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar opleggen met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Deze straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank voornoemde straf naar haar oordeel passender is gelet op andere uitspraken in min of meer vergelijkbare zaken.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafvordering
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer. Er is sprake van een langer lopend familieconflict en het risico op herhaling is aanzienlijk.
De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis betreft zeven dagen per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
Voorlopige hechtenis
Het verzoek van de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt, gelet op vorenstaande bewezenverklaring en strafoplegging, afgewezen.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

7.De beoordeling van de civiele vorderingen

( a)
De vordering van [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het bewezenverklaarde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.147,12 aan materiële schade en € 30.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade is aangevoerd dat nog geen sprake is van een definitieve diagnose. Verder is aangevoerd dat sprake is van eigen schuld van aangever waardoor het vraagstuk van een verdeling van aansprakelijkheid tussen partijen aan de orde is. Ten aanzien van de materiele schade is aangevoerd dat er schadeposten zijn opgevoerd die geen verband houden met het tenlastegelegde of met verdachte, te weten de kosten voor de mobiele telefoon en de kosten voor huishoudelijke hulp. De vordering levert naar het oordeel van de verdediging een onevenredige belasting van het strafgeding op en zou moeten worden voorgelegd aan de civiele rechter.
Overweging van de rechtbank
Eigen schuld
Voor zover een beroep is gedaan op eigen schuld aan de zijde van aangever, stelt de rechtbank dat de gestelde gedragingen van aangever in het voortraject in het niet vallen bij het bewezenverklaarde feit, namelijk de poging tot doodslag op aangever zoals bewezen verklaard. De rechtbank verwerpt dit verweer dan ook.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de schadeposten, te weten de kosten voor de jas (€ 120,-), de kosten voor de pet (€7.99), de medische kosten (€ 381,10), de kilometervergoeding (€ 21,19) en de parkeerkosten (€ 18,66) niet inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft deze schadeposten (totaal € 548,94) kan worden toegewezen.
De rechtbank overweegt dat er geen causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde feit en de gevorderde schade voor de telefoon van in totaal € 989,95. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de telefoon van de partner van benadeelde was en verdachte (daarom) zelf geen schade heeft geleden. De rechtbank zal om die reden dit deel van de vordering afwijzen.
De schadepost van de gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp is betwist en naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één of meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Door de poging tot doodslag heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen, te weten een wond op de hoofdhuid, die geresulteerd heeft in een litteken dat zich bevindt links op het voorhoofd/ bovenop het hoofd. Aan de hand van de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat dit litteken op 20 januari 2026 ongeveer 4 centimeter lang was. Recente(re) beschrijving of fotomateriaal en/of een prognose van de zichtbaarheid en mate van ontsierendheid in de toekomst van het litteken ontbreekt. Zodoende kan op dit moment niet méér worden vastgesteld dan dat deze valt onder de categorie ‘minder ernstige littekenvorming’ (van het gezicht) zoals bedoeld in de Rotterdamse Schaal en de door de Rechtspraak geformuleerde aanbevelingen daarop, die zijn geaccordeerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat het incident voor de benadeelde daarnaast een traumatische ervaring is geweest waarvoor hij een doorverwijzing heeft gekregen voor behandeling en begeleiding. Benadeelde ervaart slaapproblemen, herbelevingen, is angstig, voelt zich onveilig en durft zijn huis niet goed uit.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij op basis van wat op dit moment door [slachtoffer] is onderbouwd, gebleken en vastgesteld het smartengeld op een bedrag van € 6.000,00 vaststellen.
Daarbij tekent de rechtbank aan dat een nadere onderbouwing en zo nodig bewijslevering van nadere (psychische) gevolgen en immateriële schade tot een hoger schadebedrag kan leiden, welke nadere onderbouwing en bewijslevering echter een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot smartengeld. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijk rente
Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Deze is opeisbaar vanaf het moment dat de schade is ontstaan. De rechtbank stelt de datum waarop de wettelijke rente opeisbaar is als volgt vast:
  • immateriële schade, kosten jas en pet en medische kosten (totaal € 6.509,09), vanaf 7 januari 2026, zijnde de datum van het delict en de datum waarop de desbetreffende schade is ontstaan;
  • kosten kilometervergoeding en parkeerkosten (totaal € 39,85) vanaf 24 februari 2026, zijnde de datum gelegen ongeveer in het midden van de periode waarop de afspraken hebben plaatsgevonden.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
( b)
De vordering van [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het bewezenverklaarde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 20,54 aan materiële schade en € 10.000,- aan smartengeld (te weten: shockschade), allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade is aangevoerd dat voor de onderbouwing is verwezen naar uitspraken waarin sprake is van overlijden van een familielid of andere naaste, hetgeen een andere situatie betreft met aanzienlijk ernstigere gevolgen.
Overweging van de rechtbank
Shockschade
De benadeelde partij heeft € 10.000,- aan shockschade gevorderd. Dit betreft schade die geleden kan worden door het waarnemen van een strafbaar feit of de gevolgen daarvan. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van shockschade (in juridische zin), moet de rechtbank beoordelen of er bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok teweeg is gebracht door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele shock dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich, zo heeft de Hoge Raad overwogen, met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Shockschade is dus een specifieke vorm van schade. Toegepast op deze zaak stelt de rechtbank het volgende vast.
Ten tijde van het incident was de benadeelde in het winkelcentrum aanwezig en heeft zij (deels) waargenomen dat verdachte het slachtoffer (haar man) met een hakbijl heeft achtervolgd en op hem heeft ingehakt. Ook is zij ter plaatse geconfronteerd met het letsel van het slachtoffer. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten ter plaatse volgt dat zij van omstanders hoorden dat er sprake was van een snee op zijn hoofd en dat er best veel bloed uit kwam. De wond op het hoofd van de verdachte werd ter plaatse bedekt met wondgaas. Verdachte heeft aan de wond op zijn hoofd een litteken overgehouden.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gesteld en onderbouwd dat sprake is van een hevige emotionele schok, gezien met name de uiteindelijke gevolgen daarvan. De gevolgen van de onrechtmatige daad (het bewezenverklaarde feit) tegen het slachtoffer zijn uiteindelijk relatief meegevallen en daarmee wordt de ondergrens of sprake is van een dergelijke hevige emotionele schok, die de Hoge Raad heeft gesteld, naar het oordeel van de rechtbank niet gehaald. De gevorderde shockschade wordt daarom afgewezen.
Materiële schade
Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat sprake is van shockschade, is er voor het overige onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat verdachte anderszins een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens de benadeelde. Voor het toewijzen van de gevorderde materiële schade is daarom geen grondslag gebleken. De gevorderde materiële schade wordt daarom afgewezen.

8.De beoordeling van het beslag

De rechtbank zal de bijl (PL0600-2026009907-BZAX1262) met behulp waarvan het feit is begaan, verbeurd verklaren. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De rechtbank zal beslissen dat de in beslag genomen messen (PL0600-2026009907-G3612666 en PL0600-2026009907-G3612668) worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren de verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit. Ze kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten en tevens is het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen in strijd met de wet of het algemeen belang.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 38v, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
vijf jaren;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende drie jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1986;
 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal;
 toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
ten aanzien van het beslag
 verklaart verbeurd de bijl (PL0600-2026009907-BZAX1262);
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van:
o een mes (PL0600-2026009907-G3612666);
o een mes (PL0600-2026009907-G3612668);
ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
 veroordeelt verdachte in verband met het primair bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 548,94 aan materiële schade en € 6.000,- aan smartengeld, beide vermeerderd met de wettelijke rente,
o vanaf 7 januari 2026 ter zake van € 6.509,09;
o vanaf 24 februari 2026 ter zake van € 39,85;
tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor de post huishoudelijke hulp (€ 1.598,-) niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige (€ 24.000,-) niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
 wijst de vordering tot materiële schade voor het overige (€ 989,95) af;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 6.548,94 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente
o vanaf 7 januari 2026 ter zake van € 6.509,09;
o vanaf 24 februari 2026 ter zake van € 39,85;
tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.) Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 57 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
 wijst de vordering van [benadeelde] tot materiële schade en smartengeld (shockschade) af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Jansen (voorzitter), mr. M. Rietveld en mr. T.M.A. Arts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026009907, gesloten op 14 maart 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 28-29.
3.Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 17 juni 2026 en verklaring van aangever, als getuige gehoord ter terechtzitting d.d. 17 juni 2026.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 119-120.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 115-117.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 119-120.
7.Camerabeelden Geldmaat stream 4; waarneming rechtbank ter terechtzitting d.d. 17 juni 2026.
8.Proces-verbaal bevindingen camerabeelden Goudreinet, pv-nr. PL0600-2026009907-58 (niet doorgenummerd).
9.Proces-verbaal multimedia, p. 106-108.
10.Proces-verbaal bevindingen camerabeelden Goudreinet, pv-nr. PL0600-2026009907-58 (niet doorgenummerd).
11.proces-verbaal van bevindingen, p. 24-25, proces-verbaal van bevindingen, p. 26, proces-verbaal van bevindingen, p. 100-101.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100-101.
13.Proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 2] d.d. 7 januari 2026, p. 63-64.
14.Letselrapportage d.d. 20 januari 2026, opgesteld door [arts] Forensisch arts KNMG (aanvullend, niet doorgenummerd)
15.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever 8 januari 2026 en fotobladen, p. 42 en p. 44-48.
16.Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 17 juni 2026 en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 168 en 170.
17.Proces-verbaal van bevindingen, p. 86 en fotoblad 89.