ECLI:NL:RBGEL:2026:5175

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
C/05/460175 / FZ RK 25-3029
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming inschrijving basisschool en wijziging zorgregeling na scheiding moeders

De rechtbank Gelderland behandelde een verzoek van twee moeders die gezamenlijk gezag hebben over hun kind na hun echtscheiding. De kern van het geschil betrof de keuze van de basisschool en de zorgregeling nu het kind leerplichtig wordt. Beide moeders wensten het kind op een school in hun eigen woonplaats ingeschreven te zien, waarbij de biologische moeder de voorkeur gaf aan een school in haar woonplaats en de andere moeder een school in de geboorteplaats.

De rechtbank overwoog dat de huidige co-ouderschapsregeling niet meer uitvoerbaar is zodra het kind naar school gaat, waardoor een nieuwe zorgregeling noodzakelijk is. Beide moeders zijn even goed in staat voor het kind te zorgen en hebben flexibele werktijden, waardoor geen onderscheid in beschikbaarheid kan worden gemaakt. De verhuizing van de biologische moeder naar haar woonplaats was een pragmatische keuze en niet definitief bedoeld.

De rechtbank gaf aan dat het belang van het kind voorop staat en dat de biologische verwantschap en het feit dat de moeder het kind heeft gedragen, redengevend zijn om het kind in te schrijven op een school in de woonplaats van de biologische moeder. De zorgregeling wordt aangepast zodat het kind regelmatig contact houdt met beide moeders, waarbij de door de biologische moeder voorgestelde regeling het meest in het belang van het kind wordt geacht. Het verzoek van de andere moeder om de hoofdverblijfplaats te wijzigen wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor inschrijving op een school in de woonplaats van de biologische moeder en wijzigt de zorgregeling in het belang van het kind.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/460175 / FZ RK 25-3029
Datum uitspraak: 3 april 2026
beschikking vervangende toestemming school en wijziging zorgregeling
in de zaak van
[naam moeder 1](hierna te noemen: [moeder 1] ),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. de Schiffart in Apeldoorn,
tegen
[naam moeder 2](hierna te noemen: [moeder 2] ),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.R. Breman-Kleine in [geboorteplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 5, ingekomen op 3 december 2025;
- het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken met productie 1, ingekomen op
17 februari 2026;
- het F9-formulier met bijlage van mr. De Schiffart van 23 februari 2026;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Breman-Kleine van 25 februari 2026;
- de door mr. De Schiffart tijdens de mondelinge behandeling overgelegde twee schema’s in verband met de verzochte regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 2 maart 2026 zijn gehoord:
- [moeder 1] , bijgestaan door mr. De Schiffart;
- [moeder 2] , bijgestaan door mr. Breman-Kleine;
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).

2.De feiten

2.1.
Uit het huwelijk van [moeder 1] en [moeder 2] (samen te noemen: de moeders) is geboren het minderjarige kind
[naam kind], op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [het kind] .
2.2.
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 13 augustus 2024 de echtscheiding tussen de moeders uitgesproken. Het huwelijk is op [echtscheidingsdatum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.3.
De rechtbank Overijssel heeft in de beschikking van 13 augustus 2024 ook bepaald dat de getroffen regelingen zoals die staan in het aan die beschikking gehechte convenant en ouderschapsplan, worden opgenomen in de beschikking van 13 augustus 2024.
2.4.
In het voormelde ouderschapsplan met bijlagen dat door de moeders op 15 april 2024 is ondertekend, is vastgelegd dat [het kind] zijn hoofdverblijfplaats bij [moeder 1] zal hebben. Ook is in het ouderschapsplan een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna te noemen: zorgregeling) vastgelegd die neerkomt op een co-ouderschapsregeling.
2.5.
De moeders zijn van rechtswege gezamenlijk belast gebleven met het gezag over [het kind] .

3.De verzoeken van [moeder 1]

3.1.
verzoekt de rechtbank – na wijziging tijdens de mondelinge behandeling – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • aan [moeder 1] vervangende toestemming te verlenen om [het kind] in te schrijven voor een school in [plaatsnaam 1] waarbij [moeder 1] als voorkeur heeft: ‘ [basisschool 1] [adres] in [plaatsnaam 1] , althans op de [basisschool 2] [adres] in [plaatsnaam 3] , althans op de [basisschool 3] [adres] in [plaatsnaam 1] , althans een andere school in [plaatsnaam 1] ;
  • de zorgregeling te wijzigen en de navolgende regeling
week 1:
Op maandag brengt [moeder 2] [het kind] naar school, maandag uit school bij [moeder 1] en dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag tot 14.00 uur bij [moeder 1] ;
Vrijdag na school bij [moeder 2] . [moeder 1] brengt [het kind] naar [moeder 2] ;
Zaterdag en zondag bij [moeder 2] tot maandagochtend;
week 2:
Op maandag brengt [moeder 2] [het kind] naar school, maandagmiddag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag tot 14.00 uur bij [moeder 1] ;
Vrijdag na school bij [moeder 2] . [moeder 1] brengt [het kind] naar [moeder 2] ;
Zaterdag en zondag bij [moeder 2] tot maandagochtend;
week 3:
Op maandag brengt [moeder 2] [het kind] naar school, maandagmiddag, dinsdag, woensdag tot en met school bij [moeder 1] . Woensdag na school gaat [het kind] naar [moeder 2] . [moeder 1] brengt [het kind] woensdag na school naar [moeder 2] . [moeder 2] brengt [het kind] donderdagochtend naar school;
Donderdag na school, vrijdag, zaterdag en zondag tot 15.00 uur bij [moeder 1] . Zondag 15.00 uur bij [moeder 2] . [moeder 1] brengt [het kind] naar [moeder 2] ;
- althans in het geval de rechtbank zal bepalen dat [het kind] in
[plaatsnaam 2]naar school zal gaan de zorgregeling te wijzigen en de navolgende regeling [2] te bepalen:
week 1:
Op maandag brengt [moeder 1] [het kind] naar school, maandag uit school bij [moeder 2] , dinsdag en woensdag tot en met school bij [moeder 2] , [moeder 2] brengt [het kind] woensdag na school bij [moeder 1] , [moeder 1] brengt [het kind] donderdagochtend naar school, vanaf donderdag na school tot vrijdag na school bij [moeder 2] , [moeder 2] brengt [het kind] vrijdag na school naar [moeder 1] ;
Zaterdag en zondag bij [moeder 1] ;
week 2:
Op maandag brengt [moeder 1] [het kind] naar school, maandag na school, dinsdag en tot woensdag na school bij [moeder 2] , woensdag na school brengt [moeder 2] [het kind] naar [moeder 1] , woensdag na school tot donderdag naar school bij [moeder 1] , [moeder 1] brengt [het kind] donderdag naar school, donderdag na school bij [moeder 2] tot vrijdag na school, [moeder 2] brengt [het kind] vrijdag na school naar [moeder 1] ;
Vrijdag na school, zaterdag en zondag bij [moeder 1] ;
week 3:
Op maandag brengt [moeder 1] [het kind] naar school, maandag na school, dinsdag en woensdag tot na school bij [moeder 2] , [moeder 2] brengt [het kind] woensdag na school naar [moeder 1] , woensdag na school tot donderdag naar school bij [moeder 1] , [moeder 1] brengt [het kind] donderdag naar school;
Donderdag na school, vrijdag, zaterdag en zondag tot 15.00 uur bij [moeder 2] . Zondag 15.00 uur bij [moeder 1] . [moeder 2] brengt [het kind] naar [moeder 1] ;
- althans een zorgregeling vast te stellen die de rechtbank meent dat juist is.
3.2.
[moeder 1] voert ter onderbouwing van haar verzoeken het volgende aan. De moeders zijn overeengekomen dat de huidige zorgregeling tweeënhalf jaar wordt uitgevoerd en dat zij samen nieuwe afspraken maken in maart 2025. De moeders zijn het erover eens dat zodra [het kind] leerplichtig is, de uitvoering van de huidige zorgregeling niet meer in het belang is van [het kind] . Tussen de moeders is er geen consensus over op welke school en in welke woonplaats [het kind] ingeschreven zal worden. Het is in het belang van [het kind] dat hij wordt ingeschreven op een school in [plaatsnaam 1] , aansluitend bij zijn hoofdverblijfplaats bij haar. Van doorslaggevende betekenis is hierin dat [moeder 1] in praktische zin nagenoeg volledig beschikbaar is voor [het kind] na schooltijd. [moeder 1] is 32 uur per week werkzaam als vakleerkracht bewegingsonderwijs bij Accres en werkt nagenoeg volledig onder de schooltijden van [het kind] en is flexibel haar werk zelf in te delen. Zij geeft op dit moment vier dagen les van 8.30 uur tot 14.15 uur op ‘ [basisschool 1] ’ en de ‘ [basisschool 4] ’. ‘ [basisschool 1] ’ is bereid mee te denken met minder uren verspreid over vijf dagen, zodat [moeder 1] later kan beginnen en [het kind] kan ophalen van school. [moeder 1] werkt als externe bij ‘ [basisschool 1] ’ en is alleen werkzaam in de gymzaal. Wanneer [het kind] naar ‘ [basisschool 1] ’ gaat, heeft [moeder 1] geen oppas nodig buiten schooltijd. Anders zou het slechts gaan om een klein kwartier/half uur ter overbrugging wat haar ouders dan kunnen opvangen. [moeder 2] werkt eveneens 32 uur per week, maar kan minder flexibel haar werktijden indelen in verband met fysiek klantencontact. In haar werkweek is [moeder 2] vier dagen aangewezen op opvang voor [het kind] . [moeder 1] vindt de door haarzelf verzochte zorgregeling het meest in het belang van [het kind] . Op deze wijze heeft [moeder 2] ook binding met de school door de haal- en brengmomenten. [het kind] zit dan om 7.45 uur in de auto. Hij is al gewend dat hij twee keer in de week om 7.00 uur in de auto zit in verband met de werktijden van [moeder 1] .

4.Het verweer tevens zelfstandige verzoeken van [moeder 2]

4.1.
[moeder 2] verzoekt de rechtbank om [moeder 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans deze verzoeken af te wijzen, en bij
wege van zelfstandige verzoekenvoor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
  • de hoofdverblijfplaats van [het kind] te wijzigen door te bepalen dat [het kind] voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij [moeder 2] heeft;
  • aan [moeder 2] vervangende toestemming te verlenen om [het kind] in te schrijven voor een school in [geboorteplaats] , waarbij [moeder 2] als voorkeur heeft: [basisschool 5] [adres] in [plaatsnaam 2] , althans de [basisschool 6] , [adres] in [plaatsnaam 2] , althans een andere school in [plaatsnaam 2] ;
  • de zorgregeling te wijzigen en de navolgende regeling te bepalen:
week 1:
Op maandag, dinsdag en woensdagochtend bij [moeder 2] . Op woensdagmiddag haalt [moeder 1] [het kind] op uit school;
Woensdagmiddag is [het kind] bij [moeder 1] . Op woensdagavond haalt [moeder 2] [het kind] op bij [moeder 1] ;
Op donderdag en vrijdagochtend is [het kind] bij [moeder 2] . Vrijdag uit school haalt [moeder 1] [het kind] op;
Van vrijdagmiddag tot en met zondagavond is [het kind] bij [moeder 1] . [moeder 2] haalt [het kind] op bij [moeder 1] ;
week 2:
Maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdagochtend bij [moeder 2] . Op vrijdag haalt [moeder 1] [het kind] uit school;
Vrijdagmiddag tot en met zondagavond is [het kind] bij [moeder 1] . [moeder 2] haalt [het kind] op bij [moeder 1] ;
week 3:
Op maandag, dinsdag en woensdagochtend bij [moeder 2] . Op woensdagmiddag haalt [moeder 1] [het kind] op uit school;
Woensdagmiddag is [het kind] bij [moeder 1] . Op woensdagavond haalt [moeder 2] [het kind] op bij [moeder 1] ;
Donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij [moeder 2] ;
althans een in goede justitie vast te stellen zorgregeling;
subsidiair(voor het geval de rechtbank bepaalt dat [het kind] zijn hoofdverblijf bij [moeder 1] houdt):
  • te bepalen dat [het kind] zal worden ingeschreven op een nader te bepalen school in [plaatsnaam 1] , met uitzondering van ‘ [basisschool 1] [adres] in [plaatsnaam 1] ;
  • de zorgregeling te wijzigen en de navolgende regeling te bepalen:
week 1:
Op maandag, dinsdag en woensdagochtend bij [moeder 1] . Op woensdagmiddag haalt [moeder 2] [het kind] op uit school;
Woensdagmiddag is [het kind] bij [moeder 2] . Op woensdagavond haalt [moeder 1] [het kind] op bij [moeder 2] ;
Op donderdag en vrijdagochtend is [het kind] bij [moeder 1] . Vrijdag uit school haalt [moeder 2] [het kind] op;
Van vrijdagmiddag tot en met zondagavond is [het kind] bij [moeder 2] . [moeder 1] haalt [het kind] op zondag op bij [moeder 2] ;
week 2:
Op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdagochtend bij [moeder 1] . Op vrijdag haalt [moeder 2] [het kind] op uit school;
Vrijdagmiddag tot en met zondagavond is [het kind] bij [moeder 2] . [moeder 1] haalt [het kind] zondagavond op bij [moeder 2] ;
week 3:
Op maandag, dinsdag en woensdagochtend bij [moeder 1] . Op woensdagmiddag haalt [moeder 2] [het kind] op uit school;
Woensdagmiddag is [het kind] bij [moeder 2] . Op woensdagavond haalt [moeder 1] [het kind] op bij [moeder 2] ;
Op donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij [moeder 1] ;
althans een in goede justitie vast te stellen zorgregeling.
4.2.
[moeder 2] voert ter onderbouwing van haar verzoeken het volgende aan. Het is in het belang van [het kind] dat zijn hoofdverblijf bij [moeder 2] wordt bepaald. Van doorslaggevend belang daarbij is dat de moeders gedurende hun huwelijk (en daarvoor) in [geboorteplaats] hebben gewoond en gezamenlijk voor ogen hebben gehad dat [het kind] daar zou opgroeien. De verhuizing van [moeder 1] naar [plaatsnaam 1] en de inschrijving van [het kind] op haar adres, was niet bedoeld als definitieve keuze voor de toekomst van [het kind] . De inschrijving was enkel vanuit financieel oogpunt. [moeder 2] kan nagenoeg volledig beschikbaar zijn voor [het kind] . Zij werkt net als [moeder 1] 32 uur per week. Zij is vrij op de maandag en kan haar werkzaamheden flexibel inrichten, zodat zij [het kind] zelf naar school kan brengen en kan ophalen. De werkgever van [moeder 2] heeft aangegeven bereid te zijn hierin mee te denken en flexibiliteit te bieden waar nodig. Eventueel kan [moeder 2] haar uren verminderen. [moeder 2] heeft twijfels over de beschikbaarheid van [moeder 1] . Nu [moeder 1] werkzaam is als docent in het onderwijs, kan zij met name buiten de schoolvakanties moeilijk vrij krijgen en beperkt vanuit huis werken. Tijdens het huwelijk lag de verantwoordelijkheid voor de opvang van [het kind] bij ziekte vaak bij [moeder 2] . Indien de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij [moeder 2] wordt bepaald, is het in het belang van [het kind] dat hij wordt ingeschreven op een basisschool in [geboorteplaats] . Dat biedt voor [het kind] duidelijkheid, stabiliteit en continuïteit in zijn dagelijkse leven en sluit aan bij het uitgangspunt dat de school en de hoofdverblijfplaats zoveel mogelijk in elkaars verlengde liggen. Indien [moeder 1] vervangende toestemming krijgt voor de inschrijving van [het kind] op een school in [plaatsnaam 1] , is het niet in het belang van [het kind] wanneer dit op de ‘ [basisschool 1] ’ is omdat [moeder 1] op deze school werkt. De door [moeder 2] verzochte zorgregeling is het meest in het belang van [het kind] . Bij deze regeling is zoveel mogelijk rekening gehouden met het belang van [het kind] dat hij [moeder 1] zo veel mogelijk kan blijven zien. Op deze wijze heeft [moeder 1] ook binding met de school.

5.Het advies van de Raad

5.1.
De Raad geeft aan geen passend advies te kunnen geven over de vraag of [het kind] in [plaatsnaam 1] of [geboorteplaats] naar school moet gaan. Een doorslaggevend argument voor hoofdverblijf bij de ene of de andere moeder ontbreekt. De Raad ziet twee moeders die allebei heel betrokken zijn en allebei goed voor [het kind] kunnen zorgen. Er is geen goed of fout. [het kind] zal zich aanpassen aan de situatie die zal ontstaan. Daarom conformeert de Raad zich wat dit betreft aan het oordeel van de rechtbank. In verband met de zorgregeling geeft de Raad aan het belangrijk te vinden dat er tussen de moeders een zo gelijkwaardig mogelijke verdeling van het contact met [het kind] is. De door [moeder 2] primair en subsidiair verzochte zorgregelingen bevatten één week waarin [het kind] gedurende zeven dagen een ouder niet ziet. Dat is een lange tijd gelet op de leeftijd van [het kind] .

6.De beoordeling

De verzoeken van de moeders om vervangende toestemming voor de inschrijving op school
Wettelijk kader
6.1.
Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag een geschil tussen de ouders hierover op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
6.2.
Voor de rechtbank ligt de vraag ter beantwoording voor naar welke school [het kind] zal gaan in september 2026. Gelet op de afstand tussen de woonplaatsen van de moeders staat vast dat zodra [het kind] naar school gaat, het niet meer mogelijk is om de huidige co-ouderschapsregeling uit te voeren. De keuze voor een school in de woonplaats van [moeder 1] of de woonplaats van [moeder 2] brengt zodoende met zich mee dat er voor beide moeders en voor [het kind] een geheel andere situatie zal ontstaan dan zij gewend waren. Beide moeders geven veel om [het kind] en streven het beste voor hem na. Zij wensen ook allebei de betekenisvolle rol in het leven van [het kind] zo veel mogelijk te behouden en respecteren elkaars positie hierin. Begrijpelijkerwijs ging de mondelinge behandeling gepaard met emoties. De ontstane situatie is voor de moeders verdrietig.
6.3.
Voor de rechtbank staat bij de beoordeling van de verzoeken voorop dat de moeders beiden even goed in staat zijn om zorg te dragen voor de opvoeding en verzorging van [het kind] . Tijdens de mondelinge behandeling is voldoende gebleken dat het feit dat de moeders in hun ouderschapsplan zijn overeengekomen dat [het kind] zijn hoofdverblijf bij [moeder 1] heeft, enkel een pragmatische (financiële) afweging betrof.
6.4.
[moeder 1] wenst dat [het kind] in haar woonplaats [plaatsnaam 1] naar school zal gaan. Volgens [moeder 1] is het beslissende criterium voor de schoolkeuze welke moeder het meest beschikbaar kan zijn voor [het kind] . Als de rechtbank dit criterium hanteert, valt er naar het oordeel van de rechtbank geen onderscheid te maken tussen de moeders. Beide moeders werken nu 32 uur per week. Zowel [moeder 1] als [moeder 2] heeft een verklaring van de eigen werkgever overgelegd. Uit die verklaringen komt naar voren dat de desbetreffende werkgevers bereid zijn om mee te denken over passende oplossingen en zich flexibel opstellen. [moeder 1] stelt dat zij beschikbaar is voor [het kind] na schooltijd en niet aangewezen is op opvang voor [het kind] wanneer hij in [plaatsnaam 1] naar school zou gaan. [moeder 2] stelt dat hetzelfde voor haar geldt wanneer [het kind] in [geboorteplaats] naar school zou gaan. Zij zal dan minder uren gaan werken.
6.5.
[moeder 2] wenst dat [het kind] in haar woonplaats [geboorteplaats] naar school zal gaan. [moeder 2] stelt dat hierbij van doorslaggevend belang is dat de moeders gedurende hun huwelijk en daarvoor in [geboorteplaats] hebben gewoond en gezamenlijk voor ogen hebben gehad dat [het kind] daar zou opgroeien. De verhuizing van [moeder 1] naar [plaatsnaam 1] en de inschrijving van [het kind] op haar adres, was niet bedoeld als definitieve keuze voor de toekomst van [het kind] volgens [moeder 2] . De rechtbank overweegt in dit verband dat [moeder 2] toestemming heeft gegeven voor de verhuizing van [moeder 1] naar [plaatsnaam 1] , zoals zij ook tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven. In het ouderschapsplan is in artikel 15 opgenomen Pro dat ‘het de bedoeling is dat [moeder 1] in [plaatsnaam 1] gaat wonen en [moeder 2] in [geboorteplaats] blijft wonen.’ [moeder 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat zij in [plaatsnaam 1] is geboren en destijds naar [geboorteplaats] is verhuisd vanwege haar studie. In 2020 is zij in [plaatsnaam 1] gaan werken. Een deel van haar familie woont daarnaast in [plaatsnaam 1] . Volgens [moeder 1] had zij niet gelukkig kunnen als zij na de scheiding in [geboorteplaats] zou zijn blijven wonen.
6.6.
De rechtbank constateert dat de omstandigheden die de moeders over en weer hebben aangevoerd niet van doorslaggevende betekenis kunnen zijn. De rechtbank heeft de moeders tijdens de mondelinge behandeling gevraagd om te vertellen over hun kinderwens. Daaruit is naar voren gekomen dat de moeders hun kinderwens hebben kunnen realiseren doordat [moeder 1] zwanger is geworden via een donor. De wens van beide moeders was dat het niet bij één kindje bleef, want het plan was dat [moeder 2] via dezelfde donor zwanger zou worden van een tweede kindje. Zover is het niet gekomen omdat de moeders uit elkaar zijn gegaan.
6.7.
Gelet op de hierboven genoemde wetsbepaling van artikel 1:253a BW, dient de rechtbank de beslissing te nemen die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank komt het dan in het belang van [het kind] wenselijk voor dat het zwaartepunt van de zorg en opvoeding komt te liggen bij [moeder 1] als zijn biologische moeder en hij naar school zal gaan in haar woonplaats. Tussen [moeder 1] en [het kind] bestaat er biologische verwantschap en [moeder 1] heeft [het kind] negen maanden gedragen. Deze omstandigheden doen niets af aan het ouderschap van [moeder 2] en de mate van haar betrokkenheid bij het welzijn van [het kind] , maar zijn voor de rechtbank met het oog op zijn belang redengevend voor de beslissing om [het kind] naar school te laten gaan in [plaatsnaam 1] .
6.8.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [moeder 1] vervangende toestemming verlenen om [het kind] in te schrijven op een school in [plaatsnaam 1] . De eerste keuze van [moeder 1] was de school ‘ [basisschool 1] ’. Vanwege de bezwaren van [moeder 2] tegen deze school omdat [moeder 1] daar werkt, kan [moeder 1] ermee instemmen dat [het kind] naar een andere school in [plaatsnaam 1] gaat. De rechtbank zal daarom vervangende toestemming verlenen om [het kind] in te schrijven als leerling van de als tweede door [moeder 1] genoemde school, de ‘ [basisschool 2] ’ in [plaatsnaam 3] (gemeente [gemeentenaam] ).
Het verzoek van [moeder 2] om de hoofdverblijfplaats van [het kind] te wijzigen
6.9.
[moeder 2] verzoekt om de hoofdverblijfplaats van [het kind] te wijzigen en bij haar te bepalen in [geboorteplaats] . Voor zover [moeder 2] haar verzoek heeft gehandhaafd, wijst de rechtbank dit verzoek af. Nu [het kind] in [plaatsnaam 1] naar school zal gaan, acht de rechtbank het niet in zijn belang om in [geboorteplaats] zijn hoofdverblijf te hebben.
De verzoeken van de moeders om de zorgregeling te wijzigen
Wettelijk kader
6.10.
Op grond van artikel 1:377e juncto artikel 1:253a, vierde lid BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een beslissing inzake de zorgregeling of een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
6.11.
Vaststaat dat [het kind] binnenkort naar school gaat waardoor de huidige co-ouderschapsregeling niet meer kan worden uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat dit een relevante wijziging van omstandigheden is die een herbeoordeling van de zorgregeling rechtvaardigt. Dat er een wijziging van omstandigheden is, staat tussen de moeders ook niet ter discussie.
Inhoudelijke beoordeling
6.12.
De moeders zijn verdeeld over bij welke zorgregeling [het kind] het meest gebaat is. De rechtbank is van oordeel dat nu [het kind] in [plaatsnaam 1] naar school gaat, het belangrijk is dat [moeder 2] door middel van een ruime zorgregeling haar rol in het leven van [het kind] zo veel mogelijk kan voortzetten. De rechtbank acht de door [moeder 1] verzochte zorgregeling daar het meest aan tegemoet komen. De rechtbank ziet het namelijk van meerwaarde dat [moeder 2] in het geval van die regeling, [het kind] naar school en in de klas kan brengen en dan ook op die manier haar moederrol kan vervullen. Dit houdt meer in dan dat [moeder 2] [het kind] steeds zou ophalen van school wat het geval zou zijn bij de door haar verzochte zorgregeling. Daarnaast acht de rechtbank het ook niet in het belang van [het kind] dat hij ten gevolge van de door [moeder 2] verzochte zorgregeling in één week van de drie weken, gedurende zeven dagen één van zijn moeders niet ziet. Gelet op zijn jonge leeftijd is frequent contact met zijn beide moeders juist belangrijk. De rechtbank zal daarom de door [moeder 1] verzochte zorgregeling vaststellen als na te melden.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
verleent [moeder 1] vervangende toestemming om
[naam kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , in te schrijven als leerling van de school de [basisschool 2] [adres] in [plaatsnaam 3] (gemeente [gemeentenaam] );
7.2.
wijzigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van
13 augustus 2024 c.q. het in die beschikking opgenomen ouderschapsplan met bijlagen van 15 april 2024 in die zin dat als regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld dat [het kind] als volgt bij zijn moeders is:
week 1:
Op maandag brengt [moeder 2] [het kind] naar school; maandag uit school bij [moeder 1] en dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag tot 14.00 uur bij [moeder 1] ;
Vrijdag na school bij [moeder 2] . [moeder 1] brengt [het kind] naar [moeder 2] ;
Zaterdag en zondag bij [moeder 2] tot maandagochtend;
week 2:
Op maandag brengt [moeder 2] [het kind] naar school; maandagmiddag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag tot 14.00 uur bij [moeder 1] ;
Vrijdag na school bij [moeder 2] . [moeder 1] brengt [het kind] naar [moeder 2] ;
Zaterdag en zondag bij [moeder 2] tot maandagochtend;
week 3:
Op maandag brengt [moeder 2] [het kind] naar school; maandagmiddag, dinsdag, woensdag tot en met school bij [moeder 1] . [moeder 1] brengt [het kind] woensdag na school naar [moeder 2] . [moeder 2] brengt [het kind] donderdagochtend naar school;
Donderdag na school, vrijdag, zaterdag en zondag tot 15.00 uur bij [moeder 1] . Zondag 15.00 uur bij [moeder 2] . [moeder 1] brengt [het kind] naar [moeder 2] ;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Hilberink, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. V. Stroink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Hieronder staat de regeling uitgeschreven zoals deze volgt uit het schema dat mr. De Schiffart heeft overgelegd op de zitting voor als [het kind] in [plaatsnaam 1] naar school zal gaan.
2.Hieronder staat de regeling uitgeschreven zoals deze volgt uit het schema dat mr. De Schiffart heeft overgelegd op de zitting voor als [het kind] in [geboorteplaats] naar school zal gaan.