ECLI:NL:RBGEL:2026:5162

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
08.095276.25 + 09.326417.24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77b SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige tot werkstraf en jeugddetentie wegens oplichting en vals geld

De rechtbank Gelderland heeft op 30 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een minderjarige verdachte die werd beschuldigd van meerdere oplichtingen en het in voorraad hebben en uitgeven van valse bankbiljetten. De verdachte maakte afspraken via Marktplaats om dure elektronica te kopen en betaalde met vals geld, waardoor meerdere benadeelden financiële schade leden.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van diefstal in vereniging omdat geen sprake was van wederrechtelijke toe-eigening van een motorscooter. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig maakte aan oplichting en het in voorraad hebben en uitgeven van vals geld. De verdachte bekende de feiten en toonde verantwoordelijkheid, met een positieve ontwikkeling sinds de voorlopige hechtenis.

De rechtbank legde een werkstraf van 200 uur op, met een vervangende jeugddetentie van 100 dagen, en een jeugddetentie van 120 dagen waarvan 70 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen aan vijf benadeelde partijen, met wettelijke rente. De rechtbank oordeelde dat het jeugdstrafrecht van toepassing is gezien de leeftijd van de verdachte ten tijde van de feiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 200 uur werkstraf en 120 dagen jeugddetentie, waarvan 70 dagen voorwaardelijk, en betaling van schadevergoedingen wegens oplichting en vals geld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 08/095276-25 en 09/326417-24 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 30 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. G.F. Schadd, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte (hierna ook: [verdachte] ) is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 09/326417-24
1.
hij op of omstreeks 05 juli 2024 te Gouda, opzettelijk
een of meer bankbiljetten van vijftig euro dat/die hij, waarvan de valsheid en/of
vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was
met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven,
in voorraad heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 05 juli 2024 te Gouda
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een motorscooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in
elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
in de zaak met parketnummer 08/095276-25
1.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 augustus 2024
tot en met 2 maart 2025 te Deventer, Elst, Arnhem, Westervoort, Lobith, Nijmegen,
Veenendaal, Lunteren, Ede, Beneden-Leeuwen en/of Rijssen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
- [aangever 2] (zaak nr. 1), en/of
- [aangever 3] (zaak nr. 2), en/of
- [aangever 4] (zaak nr. 3), en/of
- [aangever 5] (zaak nr. 4), en/of
- [aangever 6] (zaak nr. 5), en/of
- [aangever 7] (zaak nr. 6), en/of
- [aangever 8] (zaak nr. 7), en/of
- [aangever 9] (zaak nr. 8), en/of
- [aangever 10] (zaak nr. 9), en/of
- [aangever 11] (zaak nr. 10), en/of
- [aangever 12] (zaak nr. 12), en/of
- [aangever 13] (zaak nr. 11), en/of
- [aangever 14] (zaak nr. 13),
telkens heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het
ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet
doen van een inschuld, te weten
- een Apple Macbook Pro 2019 van die [aangever 2] , en/of
- een Apple Iphone 15 Pro Max van die [aangever 3] , en/of
- een Apple Iphone 15 Pro van die [aangever 4] , en/of
- een Apple Iphone 15 Pro Max van die [aangever 5] , en/of
- een Apple Macbook van die [aangever 6] , en/of
- een Apple Macbook Air 13.6 van die [aangever 7] , en/of
- een Apple Macbook Air 2022 van die [aangever 8] , en/of
- een Samsung Galaxy S24 Ultra van die [aangever 9] , en/of
- een Apple Iphone 16 Pro Max van die [aangever 10] , en/of
- een Apple Macbook van die [aangever 11] , en/of
- een Apple Iphone 15 Pro van die [aangever 12] , en/of
- een Apple Iphone 14 Pro Max van die [aangever 13] , en/of
- en/of een Samsung Galaxy S9 van die [aangever 14] ,
althans een of meerdere goederen, door
- meermalen, althans eenmaal, via internet en/of telefoon, onder een of meerdere
valse namen contact te zoeken met voornoemde benadeelden naar aanleiding van
op de website www.marktplaats.nl geplaatste advertenties, en/of
- zich telkens voor te doen als bonafide koper en een afspraak te maken met die
benadeelden, en/of
- ( vervolgens) zelf en/of door zijn mededaders goederen op te (laten) halen en te
(laten) betalen met valse briefjes van €50, althans vals geld,
waardoor voornoemde benadeelden werden bewogen tot afgifte van deze goederen;
2.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 augustus 2024
tot en met 3 juni 2025 te Lobith, Nijmegen, Veenendaal, Lunteren, Ede,
Beneden-Leeuwen, Westervoort, Arnhem, Elst, Deventer, Rijssen, en/of Oss,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
een of meer bankbiljetten van €50 dat/die hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)
zelf heeft/hebben nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of
vervalsing hem/hen, toen hij/zij deze ontving(en) bekend was als echt en onvervalst
heeft/hebben uitgegeven en/of doen uitgeven en/of met het oogmerk om dat/die
als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad.

2.Het onderzoek op de terechtzitting

[verdachte] heeft twee dagvaardingen ontvangen. De rechtbank behandelt alle feiten op deze dagvaardingen gevoegd.
Op 10 juli 2025 heeft de kinderrechter de zaak met parketnummer 09/326417-24 tijdens een enkelvoudige zitting onderzocht. De kinderrechter heeft het onderzoek toen geschorst voor onbepaalde tijd en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken.
De zaak met parketnummer 08/095276-25 is op de zitting van de meervoudige kamer van 2 december 2025 geschorst voor onbepaalde tijd, zodat de zaak op een later moment inhoudelijk kon worden behandeld.
Vervolgens zijn beide zaken tijdens de terechtzitting van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 gevoegd behandeld.

3.Overwegingen over het bewijs

In de zaak met parketnummer 09/326417-24 [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een vrijspraak bepleit voor de onder 2 ten laste gelegde diefstal in vereniging. Op basis van de verklaring van [verdachte] kan worden vastgesteld dat [verdachte] bij het ten laste gelegde betrokken is geweest, maar de raadsman is van mening dat het feitencomplex geen diefstal oplevert omdat geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening van de motorscooter. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
FEIT 1
[verdachte] heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 8 t/m 12;
  • het proces-verbaal forensisch technisch onderzoek van valse bankbiljetten;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 16 juni 2026.
FEIT 2
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke gang van zaken, zoals blijkt uit het dossier en uit de verklaring van [verdachte] , niet kan worden gekwalificeerd als diefstal in vereniging, zoals ten laste is gelegd. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van het wederrechtelijk toe-eigenen van de motorscooter, omdat de mededader van [verdachte] toestemming had van aangever om een proefritje te maken met de motorscooter. Dat hij naar [verdachte] is gereden en dat [verdachte] vervolgens de motorscooter is gaan besturen en weg is gereden, levert geen diefstal op. Dit handelen zou wel kunnen worden gekwalificeerd als verduistering, maar dat is niet aan [verdachte] ten laste gelegd. De rechtbank spreekt [verdachte] dan ook vrij van het ten laste gelegde onder 2.
In de zaak met parketnummer 08/095276-25 [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van zaak 2 (de verkoop van een neptelefoon aan aangeefster [aangever 3] ) en zaak 12 (de poging tot oplichting van aangever [aangever 12] ).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank gevraagd om [verdachte] partieel vrij te spreken, te weten van de zaken 2 en 12 (aangiftes [aangever 3] en [aangever 12] ). In de zaak van [aangever 12] is het bij een poging gebleven en dat is niet ten laste gelegd en in de zaak van [aangever 3] klopt de omschrijving in de tenlastelegging niet.
De beoordeling door de rechtbank
[verdachte] heeft deze feiten bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 46-48;
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , p. 794-795;
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , p. 846-848;
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , p. 919-921;
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] , p. 960-961;
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 8] , p. 989-991;
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 9] , p. 1033-1034;
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 10] , p. 1062-1063;
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 11] , p. 1098-1099;
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 13] , p. 1142-1143;
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 14] , p. 1219-1220;
  • het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [verdachte] , p. 1343-1414;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 16 juni 2026.
Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van de zaken 2 en 12. In zaak 2 was sprake van de verkoop van een neptelefoon aan aangeefster [aangever 3] en in zaak 12 was sprake van een poging tot oplichting. Beide zaken zijn niet goed omschreven in de tenlastelegging.

4.De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
in de zaak met parketnummer 09/326417-24
1.
hij op
of omstreeks05 juli 2024 te Gouda, opzettelijk
een of meerbankbiljetten van vijftig euro
dat/die hij,waarvan de valsheid
en/of
vervalsinghem, toen hij deze ontving bekend was
met het oogmerk om deze als echt en onvervalst
uit te geven en/ofte doen uitgeven,
in voorraad heeft gehad;
in de zaak met parketnummer 08/095276-25
1.
hij op
een ofmeerdere tijdstippen in
of omstreeksde periode van 1 oktober 2024
tot en met 2 maart 2025 te
Deventer,Elst,
Arnhem,Westervoort, Lobith, Nijmegen,
Veenendaal, Lunteren, Ede, Beneden-Leeuwen en
/ofRijssen,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,
meermalen,
althans eenmaal
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en
/ofeen valse hoedanigheid en
/ofdoor
listige kunstgrepen en
/ofdoor een samenweefsel van verdichtsels,
- [aangever 2] (zaak nr. 1), en/of
- [aangever 3] (zaak nr. 2), en/of
- [aangever 4] (zaak nr. 3), en/of
- [aangever 5] (zaak nr. 4), en/of
- [aangever 6] (zaak nr. 5), en/of
- [aangever 7] (zaak nr. 6), en/of
- [aangever 8] (zaak nr. 7), en/of
- [aangever 9] (zaak nr. 8), en/of
- [aangever 10] (zaak nr. 9), en/of
- [aangever 11] (zaak nr. 10), en/of
- [aangever 12] (zaak nr. 12), en/of
- [aangever 13] (zaak nr. 11), en/of
- [aangever 14] (zaak nr. 13),
telkens heeft bewogen tot de afgifte van
enigeen goed,
het verlenen van een dienst, het
ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet
doen van een inschuld,te weten
- een Apple Macbook Pro 2019 van die [aangever 2] , en
/of
- een Apple Iphone 15 Pro Max van die [aangever 3] , en/of
- een Apple Iphone 15 Pro van die [aangever 4] , en
/of
- een Apple Iphone 15 Pro Max van die [aangever 5] , en
/of
- een Apple Macbook van die [aangever 6] , en
/of
- een Apple Macbook Air 13.6 van die [aangever 7] , en
/of
- een Apple Macbook Air 2022 van die [aangever 8] , en
/of
- een Samsung Galaxy S24 Ultra van die [aangever 9] , en
/of
- een Apple Iphone 16 Pro Max van die [aangever 10] , en
/of
- een Apple Macbook van die [aangever 11] , en
/of
- een Apple Iphone 15 Pro van die [aangever 12] , en/of
- een Apple Iphone 14 Pro Max van die [aangever 13] , en
/of
-
en/ofeen Samsung Galaxy S9 van die [aangever 14] ,
althans een of meerdere goederen,door
- meermalen,
althans eenmaal,via internet en/of telefoon, onder
een of meerdere
valse namen contact te zoeken met voornoemde benadeelden naar aanleiding van
op de website www.marktplaats.nl geplaatste advertenties, en
/of
- zich telkens voor te doen als bonafide koper en een afspraak te maken met die
benadeelden, en
/of
- ( vervolgens)
zelf en/ofdoor zijn mededaders goederen op te
(laten
)halen en te
(laten
)betalen met valse briefjes van €50,
althans vals geld,
waardoor voornoemde benadeelden werden bewogen tot afgifte van deze goederen;
2.
hij op
een ofmeerdere tijdstippen in
of omstreeksde periode van 1 oktober 2024
tot en met 3 juni 2025 te Lobith, Nijmegen, Veenendaal, Lunteren, Ede,
Beneden-Leeuwen, Westervoort, Arnhem, Elst,
Deventer,Rijssen, en/of Oss,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,opzettelijk
een of meerbankbiljetten van €50
dat/die hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)
zelf heeft/hebben nagemaakt en/of vervalst en/ofwaarvan de valsheid en
/of
vervalsing hem/hen, toen
hij/zij deze ontving
(en
)bekend was als echt en onvervalst
heeft/hebben uitgegeven en/of doen uitgeven en
/ofmet het oogmerk om
dat/die bankbiljetten
als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad
heefthebben gehad.
De rechtbank heeft taal- of schrijffouten in de tenlastelegging verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in zijn belang geschaad.
De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
in de zaak met parketnummer 09/326417-24
feit 1:
bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben;
in de zaak met parketnummer 08/095276-25
feit 1:
oplichting;
feit 2:
opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven, bankbiljetten waarvan de valsheid, hem, toen hij ze ontving, bekend was;
en
bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben.

6.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van [verdachte] geheel uitsluiten. [verdachte] is strafbaar.

8.De overwegingen over straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen. Zij heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 dagen gevorderd met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis gevorderd en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaar onder de algemene voorwaarde dat [verdachte] niet opnieuw een strafbaar feit pleegt. Wat de officier van justitie betreft hoeft [verdachte] vanwege zijn proceshouding niet terug naar de gevangenis als hij zich aan de voorwaarden houdt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank primair gevraagd om het minderjarigenstrafrecht toe te passen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat bij toepassing van het meerderjarigenstrafrecht rekening moet worden gehouden met de leeftijd van [verdachte] in de zwaarte van de op te leggen straf. De raadsman heeft de rechtbank gevraagd om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de proceshouding van [verdachte] , het door de reclassering ingeschatte beperkte recidiverisico, de positieve ontwikkeling die [verdachte] heeft doorgemaakt sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis, de gevolgen die [verdachte] sinds zijn aanhouding al heeft ondervonden en de schending van de redelijke termijn in de zaak met parketnummer 09/326417-24.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 19 mei 2026 (het strafblad);
  • het rapport van Reclassering Nederland van 9 juni 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] de bewezenverklaarde feiten onder parketnummer 08/095276-25 heeft gepleegd in een periode waarin hij deels minderjarig en deels meerderjarig was. Het onder parketnummer 09/326417-24 bewezenverklaarde feit is door [verdachte] gepleegd toen hij minderjarig was. Artikel 495, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) biedt de rechtbank in dat geval de mogelijkheid om kennis te nemen van feiten voor- en nadat de verdachte de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt. De rechtbank moet op grond van artikel 495, vijfde lid, Sv een keuze maken over het toepasselijke sanctiestelsel. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever heeft beoogd dat in een dergelijk geval de hoofdregel is dat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast. Deze hoofdregel staat echter op gespannen voet met het uitgangspunt van artikel 77a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), waarin – kort gezegd – is bepaald dat het jeugdstrafrecht van toepassing is op verdachten die minderjarig waren ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Dat uitgangspunt is ook in overeenstemming met artikel 40 van Pro het VN-verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), waarin de lidstaten wordt verplicht om een apart stelsel voor jeugdstrafrecht in te richten voor personen onder de 18 jaar. Bij de inrichting van dat stelsel heeft de wetgever in artikel 77b Sr een voorbehoud gemaakt voor verdachten van 16 en 17 jaar. Deze kunnen berecht worden volgens het volwassenenstrafrecht, als de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan of de persoon van de dader daar aanleiding toe geven. Het uitgangspunt van het jeugdstrafrecht is dan ook in overeenstemming met het IVRK: voor feiten die verdachten als minderjarige zouden hebben begaan worden zij als minderjarige berecht, tenzij er sprake is van één van de gronden van artikel 77b Sr. Er is geen reden om aan te nemen dat dit uitgangspunt niet zou gelden als er sprake is van een feit waarvan de pleegperiode deels voor en deels na de 18e verjaardag van de verdachte is gelegen. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de enkele opmerking in de wetsgeschiedenis daarvoor van onvoldoende gewicht.
De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de gronden van artikel 77b Sr. Gelet op de leeftijd van [verdachte] ten tijde van de ten laste gelegde feiten is daarom het jeugdstrafrecht van toepassing.
De rechtbank overweegt dat [verdachte] zich in een periode van enkele maanden samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan veel oplichtingen. Ook had [verdachte] in deze periode valse bankbiljetten in zijn bezit en heeft hij deze bankbiljetten uitgegeven alsof ze echt waren. [verdachte] maakte afspraken via Marktplaats om dure iPhones en MacBooks te kopen. Bij het ophalen van de apparaten – waarvoor door [verdachte] anderen werden ingeschakeld - werd vervolgens met vals geld betaald. Uit het dossier en wat besproken is tijdens de zitting blijkt dat [verdachte] met zijn handelen een groot aantal mensen heeft benadeeld. Deze mensen hebben niet alleen financiële schade opgelopen, maar ook hun vertrouwen en gevoel van veiligheid is geschaad. De rechtbank neemt [verdachte] dit kwalijk.
[verdachte] heeft de feiten bekend en hij heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft [verdachte] laten zien dat hij zijn leven op een constructieve manier wil vormgeven. Hij heeft inmiddels een fulltime baan en afstand genomen van zijn pro-criminele netwerk. De reclassering schat het recidiverisico in als laag-gemiddeld. De rechtbank weegt dit mee in het voordeel van [verdachte] .
De rechtbank constateert dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Wel heeft hij een aantal geldboetes en strafbeschikkingen ontvangen vanwege verkeersfeiten. Ook is [verdachte] in 2024 door de kantonrechter veroordeeld tot een werkstraf in een leerplichtzaak.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn in jeugdstrafzaken is overschreden en zal hier bij de strafoplegging rekening mee houden.
Alles afwegende legt de rechtbank een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 70 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar onder de algemene voorwaarde dat [verdachte] niet opnieuw een strafbaar feit pleegt. Dit betekent voor [verdachte] dat hij niet meer terug naar de JJI hoeft, omdat hij het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie al heeft uitgezeten in het kader van de voorlopige hechtenis. Naast de jeugddetentie legt de rechtbank [verdachte] een (maximale) werkstraf op van 200 uur.

9.De beoordeling van de civiele vorderingen

In de zaak met parketnummer 09/326417-24
De benadeelde partij [aangever 1]heeft in verband met het onder 2 ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.970,10 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering, gelet op de vrijspraak voor het ten laste gelegde onder 2. Indien gewenst kan de benadeelde partij zijn vordering nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In de zaak met parketnummer 08/095276-25
De benadeelde partij [aangever 5]heeft in verband met het ten laste gelegde onder 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.278,41 aan materiële schade en € 685,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een hoogte van € 850,- voor de iPhone 15 Pro Max, € 185,- aan loonderving en € 250,- immateriële schade, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er bij een vermogensdelict in beginsel geen ruimte bestaat voor het toekennen van immateriële schade. Dat in dit geval wel sprake is van immateriële schade is volgens de raadsman onvoldoende onderbouwd. Het gevorderde bedrag aan arbeidsverzuim is onvoldoende onderbouwd en kan bovendien niet worden aangemerkt als immateriële schade. Voor wat betreft de materiële schade heeft de verdediging zich gerefereerd voor zover het toegewezen bedrag niet hoger is dan € 850,-. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor zover het bedrag hoger is dan € 850,-.
De beoordeling door de rechtbank
Uit de vordering van de benadeelde partij is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van [verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is [verdachte] naar burgerlijk recht aansprakelijk. De materiële schade die ziet op de iPhone 15 Pro Max is niet betwist tot een hoogte van € 850,-. De rechtbank vindt dit een redelijk bedrag, omdat de benadeelde partij dit bedrag zou hebben ontvangen als bij de overdracht van de iPhone 15 Pro Max niet met vals geld zou zijn betaald, maar met echt geld. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 850,- daarom toe. [verdachte] is wettelijke rente verschuldigd vanaf 4 januari 2025.
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
De rechtbank overweegt dat voor het door de benadeelde partij gevorderde smartengeld niet zonder meer een wettelijke basis bestaat. Omdat sprake is van een zuiver vermogensdelict vloeit de gestelde immateriële schade niet voort uit de aard en de ernst van het feit. Bij gebrek aan een onderbouwing zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
De benadeelde partij [aangever 7]heeft in verband met het ten laste gelegde onder 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 850,- aan materiële schade en € 150,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot immateriële schadevergoeding, omdat de wettelijke basis ontbreekt.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de materiële schade. Over de gestelde immateriële schade heeft de raadsman aangevoerd dat er in beginsel geen plaats is voor de toekenning van smartengeld bij een zuiver vermogensdelict en dat de immateriële schade bovendien onvoldoende is onderbouwd. De raadsman heeft de rechtbank daarom gevraagd om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot immateriële schade.
De beoordeling door de rechtbank
Uit de vordering van de benadeelde partij is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van [verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is [verdachte] naar burgerlijk recht aansprakelijk. De materiële schade die ziet op de MacBook Air 13.6 inch is niet betwist. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 850,- daarom toe. [verdachte] is wettelijke rente verschuldigd vanaf 22 januari 2025.
Met verwijzing naar het hiervoor vermelde wettelijk kader voor een vordering tot immateriële schade overweegt de rechtbank dat voor het door de benadeelde partij gevorderde smartengeld niet zonder meer een wettelijke basis bestaat. Omdat sprake is van een zuiver vermogensdelict vloeit de gestelde immateriële schade niet voort uit de aard en de ernst van het feit. Bij gebrek aan een onderbouwing van de immateriële schade zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De benadeelde partij [aangever 6]heeft in verband met het onder 1 ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.649,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij tot een hoogte van € 1.900,- kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank gevraagd om de vordering tot maximaal € 1.900,- toe te wijzen. Dit is het bedrag dat de benadeelde partij zou hebben ontvangen voor de verkoop van de MacBook Pro M3, 16 inch. De raadsman heeft de rechtbank gevraagd om de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
De beoordeling door de rechtbank
Uit de vordering van de benadeelde partij is voldoende gebleken dat hij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van [verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is [verdachte] naar burgerlijk recht aansprakelijk. De materiële schade die ziet op de MacBook Pro M3 is niet betwist tot een hoogte van € 1.900,-. De rechtbank vindt dit een redelijk bedrag, omdat de benadeelde partij € 1.900,- zou hebben ontvangen voor de verkoop van de MacBook als door [verdachte] en zijn vrienden niet met vals geld was betaald, maar met echt geld. De rechtbank wijst het voornoemde bedrag daarom toe. [verdachte] is wettelijke rente verschuldigd vanaf 18 januari 2025.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
De benadeelde partij [aangever 8]heeft in verband met het onder 1 ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
Uit de vordering van de benadeelde partij is voldoende gebleken dat hij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van [verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. De materiële schade van € 1.000,- die ziet op de MacBook Air M2 is niet betwist. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank wijst het voornoemde bedrag daarom toe. [verdachte] is wettelijke rente verschuldigd vanaf 22 januari 2025.
De benadeelde partij [aangever 13]heeft in verband met het onder 1 ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 600,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
Uit de vordering van de benadeelde partij is voldoende gebleken dat hij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van [verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. De materiële schade van € 600,- die ziet op de iPhone 14 Pro Max is niet betwist. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank wijst het voornoemde bedrag daarom toe. [verdachte] is wettelijke rente verschuldigd vanaf 2 oktober 2024.
Ten aanzien van alle benadeelde partijenoverweegt de rechtbank dat [verdachte] en de medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kan/kunnen worden aangesproken. [verdachte] hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van [verdachte] wordt het aantal dagen gijzeling vastgesteld op 0.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 209 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt [verdachte] in de zaak met parketnummer 09/326276-25 vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat [verdachte] de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart [verdachte] hiervoor strafbaar;
 veroordeelt [verdachte] wegens het bewezenverklaarde tot:
A.
een taakstraf, te weten een werkstraf van 200 (tweehonderd) uur, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;
een jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
 bepaalt dat van die jeugddetentie 70 (zeventig) dagen niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
 stelt daarbij
een proeftijd vast van 2 (twee) jaaronder de
algemene voorwaardedat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;
 heft het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op;
 veroordeelt [verdachte] tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de kosten die de benadeelde partijen in deze procedure hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul:
Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente Parketnummer/feit
1. [aangever 5] € 850,- 04 januari 2025 08/095276-25 feit 1
2. [aangever 7] € 850,- 22 januari 2025 08/095276-25 feit 1
3. [aangever 6] € 1.900,- 18 januari 2025 08/095276-25 feit 1
4. [aangever 8] € 1.000,- 22 januari 2025 08/095276-25 feit 1
5. [aangever 13] € 600,- 02 oktober 2024 08/095276-25 feit 1
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) de schade aan de benadeelde partij(en) betaalt/betalen, dat bedrag op de betalingsverplichting van [verdachte] in mindering wordt gebracht;
 legt aan [verdachte] ook de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de navolgende benadeelde partijen de navolgende bedragen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum als vermeld, tot aan de dag dat het bedrag volledig is betaald. Als de genoemde bedragen niet worden betaald, kunnen
0 (nul) dagen gijzelingworden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente Parketnummer/feit
1. [aangever 5] € 850,- 04 januari 2025 08/095276-25 feit 1
2. [aangever 7] € 850,- 22 januari 2025 08/095276-25 feit 1
3. [aangever 6] € 1.900,- 18 januari 2025 08/095276-25 feit 1
4. [aangever 8] € 1.000,- 22 januari 2025 08/095276-25 feit 1
5. [aangever 13] € 600,- 02 oktober 2024 08/095276-25 feit 1
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) de schade aan de Staat betaalt/betalen, dat bedrag op de betalingsverplichting van [verdachte] in mindering wordt gebracht.
 verklaart de benadeelde partijen [aangever 5] , [aangever 7] en [aangever 6] voor het overige niet-ontvankelijk in hun vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter en kinderrechter), mr. A.M.F. Geerling en mr. A. Bril, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Den Haag, VVC Gouda, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL1500-2024214309, gesloten op 29 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Twente, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025037 (onderzoek Cheeta25), gesloten op 16 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.