ECLI:NL:RBGEL:2026:5155

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
12205441
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kort geding wegens ontbreken spoedeisend belang in huurgeschil over aanpassingen gehuurde

Vader en moeder hebben in kort geding gevorderd dat [gedaagden] diverse obstakels op het gehuurde verwijderen, waaronder een houten schutting, een ijzeren hekwerk en blinderend folie op ramen, en dat zij zich onthouden van verdere wijzigingen zonder toestemming. Deze vorderingen zijn ingesteld naar aanleiding van onenigheid over het gebruik van de bijgebouwen en het buitenterrein van een woning die vader en moeder in 2020 aan [gedaagden] hebben verkocht, waarbij vader een huurovereenkomst sloot voor het gehuurde.

[gedaagden] plaatsten in april 2026 de obstakels, waarna vader en moeder een kort geding startten. De kantonrechter overweegt dat de procedure ziet op voorlopige voorzieningen en dat toewijzing alleen gerechtvaardigd is bij een spoedeisend belang, namelijk een onleefbare situatie die onmiddellijke oplossing vereist.

Hoewel vader en moeder een inbreuk op hun huurgenot stellen, is volgens de kantonrechter onvoldoende sprake van een situatie die onmiddellijke ingreep rechtvaardigt. Het beperken van lichtinval en de overige aanpassingen maken het gebruik van het gehuurde niet onmogelijk. De kantonrechter wijst de vorderingen daarom af wegens ontbreken van spoedeisendheid.

De kantonrechter merkt op dat het geschil voortduurt in een bodemprocedure en adviseert partijen mediation te overwegen om verdere escalatie te voorkomen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de vorderingen af wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 12205441 \ VV EXPL 26-23
Vonnis in kort geding van 15 juni 2026
in de zaak van

1.[naam vader] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam moeder],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: vader en moeder ,
gemachtigden: mr. M-L.W.J.S. Knook en mr. P.F.M. Langenhof,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. R.H. van de Beeten,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de akte wijziging van eis tevens overlegging producties,
- de akte overlegging producties van de zijde van [gedaagden] ,
- de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van vader en moeder ,
- de pleitnota van [gedaagden] .

2.De feiten

2.1.
Op 8 juni 2020 hebben vader en moeder de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , inclusief alle daarbij behorende opstallen, (hierna: de woning) verkocht aan [gedaagden] .
2.2.
Op 8 juli 2020 is tussen [gedaagde 1] en vader een huurovereenkomst tot stand gekomen waarin is bepaald dat [gedaagde 1] per 1 juli 2020 de bijgebouwen en het buitenterrein behorend bij de woning (hierna: het gehuurde) voor onbepaalde tijd aan vader verhuurt.
2.3.
Tussen partijen is onenigheid ontstaan. Op 4 juni 2025 hebben [gedaagden] een bodemprocedure bij de kantonrechter aanhangig gemaakt en diverse vorderingen jegens vader en moeder ingesteld (zaaknummer 11720215 \ CV EXPL 25-1486). Bij tussenvonnis van 11 februari 2026 heeft de kantonrechter de beslissing op twee vorderingen van [gedaagden] aangehouden in afwachting van door hen te leveren bewijs. Voor wat betreft de overige vorderingen heeft de kantonrechter overwogen dat die vorderingen zullen worden afgewezen. Thans is in deze procedure nog geen eindvonnis gewezen.
2.4.
Op 2 en 3 april 2026 hebben [gedaagden] een dichte houten schutting en een ijzeren hekwerk op het buitenterrein van de woning geplaatst. Daarnaast hebben zij de ramen van de overkapping en de schuur/garage afgeplakt met (deels niet-lichtdoorlatend) blinderend materiaal.

3.Het geschil

3.1.
Vader en moeder vorderen, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagden] hoofdelijk zullen veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis de navolgende obstakels te verwijderen en verwijderd te houden en de toestand te herstellen in de staat zoals die bestond vóór de plaatsing van voornoemde obstakels:
- de dichte houten schutting van het gehuurde, waaronder ook te verstaan het dwarsgeplaatste schuttingdeel op het looppad nabij de toegangsdeur tot de garage/schuur van vader en moeder , waarbij uitsluitend de schutting gelegen in de tuinzone kan blijven staan,
- het ijzeren hekwerk voorzien van kunststof stroken op het voor- c.q. buitenterrein,
een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of per dagdeel dat [gedaagden] in gebreke blijven om aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 25.000,00,
2. [gedaagden] hoofdelijk zullen veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis (primair) het nieuwe dan wel vervangende slot in de toegangsdeur tot de overkapping te verwijderen en het oorspronkelijke slot terug te plaatsen, zodat de toestand wordt hersteld zoals die bestond vóór de slotvervanging door [gedaagden] , dan wel (subsidiair) aan vader en moeder een sleutel van het nieuwe slot af te geven, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of per dagdeel dat [gedaagden] in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 10.000,00,
3. [gedaagden] hoofdelijk zullen veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis:
- het ondoorzichtige folie van de ramen van de overkapping volledig te verwijderen en verwijderd te houden, zodat de toestand wordt hersteld zoals die bestond vóór het aanbrengen van het folie,
- het blinderende materiaal van de zijramen van de overkapping volledig te verwijderen, zodat de toestand wordt hersteld zoals die bestond voor het aanbrengen van het blinderende materiaal op de zijramen,
- de overkapping te herstellen in de toestand zoals die bestond voor het eigenmachtig ingrijpen van [gedaagden] en die oorspronkelijke toestand in stand te houden,
een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of per dagdeel dat [gedaagden] in gebreke blijven om aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 10.000,00,
4. [gedaagden] hoofdelijk zullen veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis [gedaagden] de niet-lichtdoorlatende blinderende folie van de ramen van de schuur/garage te verwijderen en de ramen te herstellen in de staat zoals die bestond vóór de eigenmachtige vervanging van de folie door [gedaagden] , alsmede die oorspronkelijke staat in stand te houden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of per dagdeel dat [gedaagden] in gebreke blijven om aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 10.000,00,
5. [gedaagden] zullen gebieden zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te onthouden van het aanbrengen van wijzigingen, in welke vorm dan ook, aan, op of in het gehuurde, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van vader en moeder , zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding alsmede € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagden] in gebreke blijven aan dit gebod te voldoen, met een maximum van € 50.000,00,
6. [gedaagden] zullen gebieden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk aan vader en moeder te bevestigen dat [gedaagden] kennis hebben genomen van bovengenoemd gebod en zich hieraan zullen conformeren,
alsmede [gedaagden] hoofdelijk zullen veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van vader en moeder , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van vader en moeder , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van vader en moeder in de kosten van deze procedure en de nakosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Deze procedure ziet op het treffen van voorlopige voorzieningen. Het gaat er daarbij om of het gevorderde naar voorshands oordeel van de kantonrechter met grote mate van waarschijnlijkheid in een eventuele bodemprocedure toewijsbaar zal zijn. Voor nader onderzoek om tot vaststelling van een bepaalde rechtstoestand of feiten en omstandigheden te komen is in deze procedure geen plaats. Dit dient desgewenst te gebeuren in een eventuele bodemprocedure.
4.2.
Vader en moeder hebben gesteld dat sprake is van een spoedeisend belang en dat dit voortvloeit uit de vordering zelf. Er is sprake van een voortdurende inbreuk op hun gebruiksrecht en huurgenot, hetgeen zij niet hoeven te dulden, aldus vader en moeder .
4.3.
[gedaagden] hebben de spoedeisendheid van de vordering gemotiveerd betwist.
4.4.
De kantonrechter overweegt dan het volgende.
Vader en moeder stellen dat [gedaagde 1] onrechtmatig tegen hen heeft gehandeld. Zij hebben gesteld dat dit handelen in strijd is met het tussenvonnis van 11 februari 2025 (zie hiervoor 2.3.). Wat daar ook van zij, in de conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling is door [gedaagden] benadrukt dat het samenwonen op hetzelfde erf alleen werkbaar is door rust en afstand te creëren. Zij hebben gesteld dat het merendeel van de aanpassingen al in een eerder stadium is uitgevoerd en hebben betwist dat verdere handelingen een ernstige inbreuk op het woongenot van vader en moeder vormen.
4.5.
Hoewel serieus over een inbreuk op het woongenot van huurders moet worden beoordeeld, is toewijzing van de gevorderde voorlopige voorzieningen slechts gerechtvaardigd indien door de inbreuk een onleefbare situatie ontstaat die om onmiddellijke oplossing vraagt. Daarvan is in dit geval onvoldoende sprake. Het beperken van lichtinval in een schuur is mogelijk onprettig, maar is geen omstandigheid die het gebruik van een schuur onmogelijk maakt. Een dergelijke afweging geldt ook voor de overige, door vader en moeder gestelde punten (zelfs al zou het handelen van [gedaagden] niet stroken met de inhoud van het tussenvonnis in de bodemprocedure).
4.6.
Reeds omdat voldoende spoedeisendheid ontbreekt, dient de vordering in kort geding te worden afgewezen.
4.7.
Overigens wordt nog het volgende opgemerkt.
De nieuw ontstane situatie tussen partijen lijkt een voortzetting van het geschil dat in de bodemprocedure tussen hen nog niet is geëindigd. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, zijn de standpunten van partijen zo ver uit elkaar liggend, dat de verwachting bestaat dat alleen met professionele hulp mogelijk een oplossing zou kunnen worden gevonden. Met verdere procedures tussen partijen zullen de wederzijdse standpunten alleen verharden en zal elke mogelijke oplossing buiten beeld blijven. Partijen worden daarom dringend geadviseerd met hun gemachtigden de mogelijkheid voor mediation te benutten.
4.8.
Partijen zijn familie van elkaar. De proceskosten zullen daarom overeenkomstig het bepaalde in artikel 237 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van vader en moeder af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.
lt