ECLI:NL:RBGEL:2026:5072

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
11883229
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230g BWArt. 6:230m BWArt. 6:230o BWArt. 6:230p BWArt. 6:230s BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consument ontbindt overeenkomst dropshippingcursus wegens schending informatieplicht herroepingsrecht

De zaak betreft een geschil tussen Mijn Geld Groeit LLP (MGG) en een natuurlijke persoon die een cursus dropshipping volgde. De gedaagde had een overeenkomst gesloten met MGG voor het Diamond Traject, maar betaalde slechts één termijn van vijf. MGG vorderde betaling van de resterende termijnen en bijkomende kosten.

De kantonrechter beoordeelde of de gedaagde als consument handelde en oordeelde dat dit het geval was, omdat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst nog geen dropshipondernemer was en de eenmanszaak slechts voor belastingtechnische redenen werd genoemd. Vervolgens werd vastgesteld dat MGG niet voldeed aan de informatieplicht over het herroepingsrecht zoals voorgeschreven in het BW, met name dat de gedaagde niet duidelijk en begrijpelijk geïnformeerd was over het verval van het herroepingsrecht en de noodzaak van uitdrukkelijke toestemming.

Hierdoor kon de gedaagde zich beroepen op haar herroepingsrecht en werd de overeenkomst ontbonden. De vorderingen van MGG tot betaling van de resterende termijnen, incassokosten en rente werden afgewezen. MGG werd veroordeeld tot terugbetaling van het reeds betaalde bedrag van € 2.499,00 en tot betaling van proceskosten. De overige vorderingen van de gedaagde, waaronder het stoppen van activiteiten van MGG en bescherming van andere gedupeerden, werden afgewezen.

Uitkomst: De overeenkomst wordt ontbonden wegens schending van de informatieplicht over het herroepingsrecht, waardoor MGG de betaalde € 2.499,00 moet terugbetalen en haar vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11883229 \ CV EXPL 25-7468
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
MIJN GELD GROEIT LLP,
te London (Verenigd Koninkrijk),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: MGG,
gemachtigde: mr. A.A. Bart,
tegen
[naam gedaagde in conventie / eisende in reconventie] , h.o.d.n. [naam gedaagd bedrijf],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de gedaagde in conventie] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 september 2025
- de aanvullende producties 9 tot en met 14 van MGG
- de e-mail van MGG van 1 april 2026, die aangemerkt wordt als akte.
1.2.
Op 3 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [de gedaagde in conventie] was aanwezig en namens MGG waren haar gemachtigde en zijn collega mevrouw [betrokkene] aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 20 januari 2025 zag [de gedaagde in conventie] een reclamefilmpje van MGG op Facebook. Haar nieuwsgierigheid was gewekt en ze vulde een formulier in.
2.2.
Een kwalificatie coach, genaamd [de coach] , benaderde [de gedaagde in conventie] een dag later, naar aanleiding van het ingevulde formulier. Ze scheef via WhatsApp “
(…) Ik zie dat je een formulier bij ons hebt ingevuld, je hebt ingevuld dat je 10k wilt verdienen met onze methode. Dat is goed te doen! (…)” Na apps over en weer werd voor de volgende dag een strategie gesprek ingepland.
2.3.
Op 22 januari 2025 vond het strategie gesprek plaats via een video call. Het gesprek was om 10.30 uur met [de MGG medewerker] . Samen hebben [de MGG medewerker] en [de gedaagde in conventie] het Jotform ingevuld. Daarin staat, voor zover hier van belang: “
(…)
Bedrijfsnaam (indien van toepassing)
[naam gedaagd bedrijf]
Het gekozen traject
Het diamant traject 5termijnen
Ik ga akkoord met de {algemene voorwaarden}.
Geaccepteerd
Ik respecteer de kennis en waarde van het traject die mij direct geboden wordt en begrijp dat ik deze niet kan annuleren. Ik zal respectvol met de waarde omgaan.
Geaccepteerd
(…)
Rond 11.30 uur deed [de gedaagde in conventie] een betaling aan MGG van € 2.499,00.
2.4.
De algemene voorwaarden van MGG vermelden het volgende:

(…)
Artikel 10. Betalingsvoorwaarden
1. Mijn Geld Groeit LLP houdt een betalingstermijn aan van maximaal 7 dagen na factuurdatum, (…)
(…)
5. Voldoet de Opdrachtgever een termijn echter niet op tijd, dan volgt één herinnering waarin wordt aangekondigd dat de termijnregeling komt te vervallen en het volledige bedrag zonder verdere aankondiging opeens opeisbaar wordt als de termijn niet alsnog binnen 7 dagen wordt voldaan.
6. Bij overschrijding van de termijn genoemd in de herinnering volgt een aanmaning tot betaling (ingebrekestelling) voor het volledige bedrag (…)
7. Wanneer Opdrachtgever binnen de termijn van de ingebrekestelling niet alsnog volledig aan de betalingsverplichting voldoet, zal Mijn Geld Groeit LLP haar vorderingen ter incasso uit handen geven aan haar incassopartner. (…)
(…)
9. Bij overschrijding van enige betaaltermijn heeft Mijn Geld Groeit LLP het recht de uitvoering van de opdracht of levering van haar diensten en/of producten op te schorten. Dat houdt in dat Mijn Geld Groeit LLP de Opdrachtgever geen toegang verleent tot de online omgeving, of geen toegang krijgt tot een event, etc. totdat Opdrachtgever betaalt.
10. Bij het niet-nakomen van de hiervoor genoemde betalingsvoorwaarden, heeft Mijn Geld Groeit LLP het recht om, zonder tussenkomst van de rechter, de opdracht te beëindigen of de overeenkomst te ontbinden. Dit ontslaat de opdrachtgever niet van betaling van alles wat op dat moment is verschuldigd.
(…)
2.5.
In de avond van 22 januari 2025 appte [de gedaagde in conventie] [de coach] het volgende “
Ik had nog wel een aantal vragen er is aangegeven dat ik 9000d moet betalen maar ik zie dat jullie een aanbieding hebben €1799 ??” Daarop antwoordde [de coach] op 23 januari 2025 “
Oh dat is een heel ander traject! Daarbij heb je de basis en ook geen zoomcalls!” [de gedaagde in conventie] heeft enige uren later per app het volgende aangegeven “
Ik wil graag gebruik maken van het goedkoopste pakket die was niet aangeboden kreeg gelijk de duurste stel dat het niet lukt zit ik wel vast aan een schuld waar van ik niet weet hoe ik het anders moet betalen ik denk graag in vooruit gang maar ik zie dat waar ik nu mee bezig ben heel veel is waardoor ik ga twijfelen
2.6.
Op 27 januari 2025 had [de gedaagde in conventie] via de app contact met [de MGG medewerker] . [de MGG medewerker] vroeg hoe het ging en [de gedaagde in conventie] liet weten niet meer in het traject dat MGG aanbood te geloven en vroeg opnieuw om een ander/goedkoper traject.
2.7.
MGG stuurde op 15 februari 2025 een factuur aan [de gedaagde in conventie] . Op 24 februari 2025 stuurde MGG [de gedaagde in conventie] per e-mail een bericht dat de betalingstermijn voor de factuur van 15 februari 2025 verstreken was. In die e-mail vermeldde MGG ook dat [de gedaagde in conventie] de toegang tot het traject was ontzegd en dat de toegang weer zou worden vrijgegeven als de betaling in orde is gemaakt. Op 6 maart 2025 stuurde MGG [de gedaagde in conventie] een factuur voor betaling van vier termijnen (4 x € 2.499,00).
2.8.
Het door MGG ingeschakelde incassobureau stuurde [de gedaagde in conventie] op 17 en 27 maart 2025 en op 4 april 2025 aanmaningen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
MGG vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde in conventie] te veroordelen om tegen kwijting aan MGG € 11.555,50 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 9.996,00 vanaf 28 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [de gedaagde in conventie] in de proceskosten.
3.2.
MGG legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [de gedaagde in conventie] is met MGG een overeenkomst aangegaan. Die overeenkomst hield in dat MGG [de gedaagde in conventie] , als ondernemer, toegang gaf tot een cursus/leermodule. MGG ging [de gedaagde in conventie] begeleiden in het opzetten van een webshop en het vinden van de relevante producten. Meer specifiek is het Diamond Traject overeengekomen. [de gedaagde in conventie] heeft zich echter, zo stelt MGG, niet gehouden aan haar verplichting om het volledige cursusgeld te betalen. Zij moest in vijf termijnen een totaalbedrag van € 12.495,00 voldoen, maar heeft slechts één termijn van € 2.499,00 voldaan. Op grond van art. 10 lid 5 van Pro de algemene voorwaarden van MGG is [de gedaagde in conventie] , door de tweede termijn niet (tijdig) te voldoen, alle termijnen verschuldigd. Ze moet daarom nog (4 x € 2.499,00 =) € 9.996,00 aan MGG voldoen. [de gedaagde in conventie] is hiernaast buitengerechtelijke incassokosten (€ 874,80) verschuldigd, omdat MGG haar heeft moeten aanmanen. Verder is [de gedaagde in conventie] wettelijke handelsrente (€ 487,68) verschuldigd, omdat ze te laat betaalt. Tot slot is [de gedaagde in conventie] kosten derden (€ 11,00) verschuldigd voor onder meer een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en € 186,02 aan btw, aldus MGG.
3.3.
[de gedaagde in conventie] voert verweer. Ze concludeert tot afwijzing van de vorderingen van MGG.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[de gedaagde in conventie] vordert dat:
  • MGG de activiteiten onmiddellijk stopt;
  • zij, evenals andere gedupeerden, het volledige betaalde bedrag terugkrijgt;
  • de rechter onderzoekt of er sprake is van onwettige rente;
  • de rechter onderzoekt of sprake is van misleidende handelspraktijken door MGG;
  • de rechter haar klacht onderzoekt;
  • de rechter de nodige stappen onderneemt om verdere slachtoffers van MGG te beschermen.
3.6.
[de gedaagde in conventie] legt aan de vordering ten grondslag dat zij een onbehaaglijk gevoeg kreeg, nadat zij de overeenkomst met MGG was aangegaan, en na onderzoek, onder andere via Facebook, er achter kwam dat meer mensen negatieve ervaringen hebben met MGG. Ze wil dat MGG geen anderen meer dupeert.
3.7.
MGG voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde in conventie] .
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
Omdat één van partijen haar woonplaats in het buitenland heeft, zal ambtshalve worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het voorliggende geschil van toepassing is.
4.2.
[de gedaagde in conventie] heeft haar woonplaats in Nederland. Nederland is lidstaat van de Europese Unie. Op grond van de EEX Verordening (EU) Nr. 1215/2012 wordt de gedaagde partij in beginsel opgeroepen voor een gerecht van de lidstaat waarin zij woont. Een grondslag voor afwijking van deze hoofdregel is niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat de Nederlandse rechter in dit geval rechtsmacht heeft. Gelet op de woonplaats van [de gedaagde in conventie] is de Rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem bevoegd van de vordering kennis te nemen.
4.3.
Niet gesteld, maar wel gebleken, is dat partijen een rechtskeuze hebben gedaan. Gekozen is voor het Nederlandse recht. Aldus is in dit geval Nederlands recht van toepassing.
4.4.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.
Is [de gedaagde in conventie] consument?
4.5.
MGG heeft, tijdens de video call op 22 januari 2025, aan [de gedaagde in conventie] een cursus dropshipping met een 1-op-1 coach aangeboden. Bij dropshippen worden producten via een eigen webshop verkocht, zonder dat de verkoper deze producten ziet of zelf verstuurt. De verkoper heeft dus geen voorraad. Hij of zij werkt samen met een leverancier uit Nederland of uit het buitenland, die de producten verstuurt naar de klant.
4.6.
MGG heeft gesteld dat zij haar cursus aan ondernemers aanbiedt. Volgens haar is [de gedaagde in conventie] ondernemer, omdat zij een eenmanszaak genaamd [naam gedaagd bedrijf] heeft en [de gedaagde in conventie] ook aan MGG gevraagd heeft om de factuur op naam van haar eenmanszaak te zetten. Verder was het plan van [de gedaagde in conventie] , die op dat moment zorgaanbieder was, om in plaats van zorgaanbieder dropshipper te worden. Zo zouden de activiteiten die ze deed in het kader van de cursus, op termijn binnen haar bedrijfsactiviteiten vallen, aldus MGG.
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de gedaagde in conventie] uitgelegd waarom zij haar eenmanszaak in het Jotform heeft opgenomen en de factuur ook op naam van haar eenmanszaak is gezet. [de MGG medewerker] had aangegeven dat dat beter kon zijn voor [de gedaagde in conventie] ; op die manier kon [de gedaagde in conventie] zich richten op een nieuw doel. De kosten voor de cursus zouden zo ook bij de belastingdienst aftrekbaar kunnen zijn. [de gedaagde in conventie] is tijdens het gesprek door het formulier geleid en heeft dit aangenomen van [de MGG medewerker] . Ze moest zich ook verifiëren (een betaling doen) en heeft daarvoor haar zakelijke bankpas gebruikt. Omdat ze die zakelijke bankpas voor de verificatie had gebruikt, zei [de MGG medewerker] dat ze ook de naam van haar bedrijf in het formulier moest zetten. Ook daarom heeft [de gedaagde in conventie] haar eenmanszaak op het formulier gezet. Deze feitelijke gang van zaken is door MGG niet weersproken. Er waren namelijk geen medewerkers van MGG aanwezig bij de mondelinge behandeling.
4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter duidt de door [de gedaagde in conventie] beschreven gang van zaken erop dat [de gedaagde in conventie] de overeenkomst met MGG als consument is aangegaan. Ze wordt, in het kader van deze overeenkomst, aangemerkt als natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten haar bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vallen. Immers, de reden om haar eenmanszaak in het Jotform te vullen was enkel gelegen in belastingtechnische overwegingen. Het doen van de cursus had niets met haar bedrijfsactiviteiten in de zorg te maken. Voor de vraag of sprake is van een consument is niet bepalend of iemand, op termijn, een eenmanszaak wil (door)starten, maar is bepalend of diegene, ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, handelde in het kader van zijn/haar bedrijfs- of beroepsactiviteit. De hoedanigheid van een persoon, moet worden beoordeeld op het tijdstip waarop de betrokken overeenkomst is gesloten (zie het arrest van het Hof van Justitie EU van 20 maart 2025, C-365/23, Arce, overweging 49). Partijen zijn het erover eens dat [de gedaagde in conventie] op 22 januari 2025, toen zij de overeenkomst aanging, geen dropshipper was, maar zorgaanbieder, wat zij overigens nog steeds is. Het argument dat [de gedaagde in conventie] op termijn dropshipper had kunnen worden, maakt haar dus (nog) geen dropshipondernemer.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat [de gedaagde in conventie] handelde als consument toen zij de overeenkomst met MGG aanging.
Is de informatieplicht over het herroepingsrecht geschonden?
4.10.
MGG is een handelaar. Zij is namelijk een rechtspersoon die handelt in het kader van haar handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit (art. 6:230g lid 1 aanhef en onder b BW). De overeenkomst die partijen gesloten hebben, is een overeenkomst op afstand (art. 6:230g lid 1 aanhef en onder e BW). De overeenkomst is namelijk gesloten in het kader van een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid van handelaar en consument en waarbij, tot en met het moment van het sluiten van de overeenkomst, uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een of meer middelen voor communicatie op afstand. De overeenkomst is immers via de video call op 22 januari 2025 gesloten.
4.11.
In een geval als dit is art. 6:230m BW van toepassing. Dat bepaalt dat voordat een consument gebonden is aan een overeenkomst op afstand, dan wel aan een daartoe strekkend aanbod, de handelaar de consument op duidelijk en begrijpelijke wijze bepaalde informatie verstrekt. De informatie over het herroepingsrecht staat in dit geval in art. 6:230m lid 1 aanhef en onder k. MGG had [de gedaagde in conventie] erover moeten informeren dat zij geen recht van ontbinding had. Dat er geen ontbindingsrecht bestaat in deze gevallen volgt uit art. 6:230p aanhef en onder g BW. In dat artikel staat dat de consument geen recht van ontbinding heeft bij een overeenkomst voor de levering van digitale inhoud die niet op een materiële drager is geleverd voor zover de nakoming is begonnen, en voor zover de overeenkomst voor de consument een betalingsverplichting inhoudt, indien: (1) de nakoming is begonnen met uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de consument (2) de consument heeft verklaard dat hij daarmee afstand doet van zijn recht van ontbinding en (3) de handelaar een bevestiging heeft verstrekt als bedoeld in art. 7:230t lid 2 BW, of art. 7:230v lid 7 BW. [de gedaagde in conventie] heeft toegang gekregen tot een online omgeving (dat is de levering van digitale inhoud die niet op een materiële drager is geleverd) en die nakoming begon direct ( [de gedaagde in conventie] kreeg direct toegang tot alle inhoud van de cursus). Concreet betekent dit dat MGG [de gedaagde in conventie] in dit geval, voordat ze de overeenkomst aanging, op duidelijke en begrijpelijke wijze had moeten vertellen dat [de gedaagde in conventie] uitdrukkelijk voorafgaand toestemming gaf om de nakoming te beginnen, dat zij afstand deed van haar recht van ontbinding en moest MGG een bevestiging van de overeenkomst verstrekken op papier of een andere duurzame gegevensdrager.
4.12.
MGG heeft een bevestiging van de overeenkomst verstrekt. Dat blijkt uit het door haar overgelegde Jotform. Daarin staat “
geaccepteerd” bij de zin “
Ik respecteer de kennis en waarde van het traject die mij direct geboden wordt en begrijp dat ik deze niet kan annuleren. Ik zal respectvol met de waarde omgaan.” MGG heeft echter niet aan [de gedaagde in conventie] verteld dat zij toestemming moest geven om de nakoming door MGG te beginnen en dat [de gedaagde in conventie] afstand deed van haar recht van ontbinding. [de gedaagde in conventie] heeft immers tijdens de mondelinge behandeling en in haar conclusie van antwoord toegelicht hoe zij door het Jotform geleid werd. Daaruit blijkt niet dat MGG aan de hierboven genoemde informatieverplichting heeft voldaan. Ook uit de op schrift gestelde verklaring van [directeur] , directeur van MGG, blijkt niet dat [de gedaagde in conventie] de juiste informatie heeft gekregen. De directeur verklaart enkel (op pagina 4) dat [de gedaagde in conventie] “
heeft moeten aanvinken dat zij geen gebruik kon maken van een annuleringsmogelijkheid omdat alle modules en de instructievideo’s direct aan haar beschikbaar werden gesteld in haar privé leeromgeving, als ook dat zij respectvol zou omgaan met de waarde daarvan.” Daaruit blijkt niet dat [de gedaagde in conventie] volledige informatie heeft gehad. [de gedaagde in conventie] is, zo is de conclusie, enkel verteld dat ze een vinkje moest zetten en dat heeft [de gedaagde in conventie] gedaan. Dat volstaat niet om het herroepingsrecht te laten vervallen. Vanwege de verstrekkende gevolgen van het doen van afstand van het herroepingsrecht dient er terughoudendheid te worden betracht bij het aanvaarden van een beroep op een stilzwijgend afstand van recht, wat MGG lijkt te doen. Aangezien een uitdrukkelijke toestemming wordt vereist, kan het niet gaan om standaard aangevinkte opties, maar zal een actieve handeling van de consument nodig zijn, waarbij aan de consument duidelijk is gemaakt wat die handeling betekent. MGG heeft, zo blijkt uit het voorgaande, de informatieplicht over het herroepingsrecht geschonden.
Gevolg voor de vorderingen over en weer
4.13.
Het gevolg van de omstandigheid dat MGG [de gedaagde in conventie] onvoldoende heeft voorgelicht over haar (verval van) rechten, is dat [de gedaagde in conventie] geen kosten draagt (art. 6:230s lid 5 BW). [de gedaagde in conventie] heeft in dit geval, vanwege het niet verstrekken van de relevante informatie, wel een herroepingsrecht en heeft voldoende gemotiveerd dat zij daarvan gebruik heeft gemaakt. Zo heeft zij op 22 januari 2025 al aangegeven dat zij twijfelt en liever een goedkoper pakket heeft, omdat ze niet weet hoe ze een duur pakket moet betalen. Vervolgens heeft zij op 27 januari 2025 geschreven dat ze niet meer in het traject dat MGG aanbood gelooft en opnieuw gevraagd om een ander traject. Omdat haar dat niet werd geboden en/of daar niet op in is gegaan door MGG, moet het ervoor worden gehouden dat [de gedaagde in conventie] zich beroepen heeft op haar herroepingsrecht. Ze heeft ook geen (vervolg)betalingen verricht. Voor zover MGG de mededelingen van [de gedaagde in conventie] van destijds niet begrepen heeft als een beroep op het herroepingsrecht, geldt in ieder geval dat MGG uit de door [de gedaagde in conventie] geschreven conclusie van antwoord heeft moeten begrepen dat zij (ondubbelzinnig) een beroep deed op het herroepingsrecht. [de gedaagde in conventie] schrijft namelijk dat zij het volledige door haar betaalde bedrag terug wil. Dat betekent dat ze de overeenkomst wil ontbinden/ontbindt. Ook deze verklaring is binnen de herroepingstermijn gedaan, omdat de herroepingstermijn in beginsel 14 dagen is, maar wordt verlengd tot maximaal 12 maanden als de consument niet volledig over het ontbindingsrecht is geïnformeerd (art. 6:230o lid 1 en 2 BW).
4.14.
De vorderingen van MGG zullen worden afgewezen, omdat ze gegrond zijn op de stelling dat tussen partijen sprake is van een overeenkomst, maar die overeenkomst is dus - zoals hiervoor overwogen - door [de gedaagde in conventie] ontbonden. [de gedaagde in conventie] hoeft dus geen aanvullende betalingen te doen, geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen, geen wettelijke (handels)rente en ook geen kosten voor raadpleging van het handelsregister. Omdat de overeenkomst is ontbonden, zijn partijen bevrijdt van de door de overeenkomst getroffen verbintenissen (art. 6:271 BW Pro). De vordering van [de gedaagde in conventie] tot terugbetaling van het door haar betaalde bedrag van € 2.499,00 zal worden toegewezen.
4.15.
De overige vorderingen van [de gedaagde in conventie] worden afgewezen, omdat daar geen grondslag voor gesteld is of gebleken. De kantonrechter kan MGG niet gebieden haar activiteiten te stoppen, hij kan MGG ook niet veroordelen om eventuele andere personen (door [de gedaagde in conventie] “gedupeerden” genoemd) bedragen terug te betalen en hij kan ook niet “slachtoffers beschermen.” Verder zal de kantonrechter niet gaan onderzoeken of sprake is van onwettige rente en/of misleidende handelspraktijken, omdat de vordering van [de gedaagde in conventie] tot terugbetaling van het door haar betaalde bedrag al toegewezen is op een andere grondslag.
4.16.
Voor de goede orde merkt de kantonrechter nog op dat door de ontbinding, [de gedaagde in conventie] ook geen gebruik meer kan maken van de online omgeving. Dat zij dat ook niet doet, is duidelijk geworden, doordat MGG in haar brief van 24 februari 2025 heeft aangegeven dat de toegang tot de online omgeving is geblokkeerd en zij die procedure ook heeft beschreven in art. 10 lid 9 van Pro haar algemene voorwaarden.
Proceskosten
4.17.
MGG is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde in conventie] worden begroot op € 50,00 aan verletkosten. MGG is ook in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom ook daar de proceskosten betalen. Die proceskosten van [de gedaagde in conventie] worden begroot op € 25,00 aan verletkosten (0,5 x € 50,00).
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van MGG af,
5.2.
veroordeelt MGG in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als MGG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
5.3.
veroordeelt MGG om aan [de gedaagde in conventie] te betalen een bedrag van € 2.499,00,
5.4.
veroordeelt MGG in de proceskosten van € 25,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als MGG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
40141 / 53854