ECLI:NL:RBGEL:2026:5028

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
465776
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 lid 3 RvArt. 705 lid 2 RvArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inzagerecht en afwikkeling samenwerking voormalig bestuurders in kort geding

In deze kortgedingprocedure staat de afwikkeling van de samenwerking tussen voormalig bestuurders centraal, voortvloeiend uit een eerdere bodemprocedure en een eerdere kortgedingprocedure met afspraken over inzagerecht.

De eisende partijen vorderen onder meer herstel van het inzagerecht in de boekhouding van een van de gedaagde partijen, betaling van geldleningen, opheffing van zekerheden en vergoeding van incassokosten. De gedaagde partijen voeren verweer en vorderen opheffing van conservatoire beslagen en inzage in zakelijke e-mailcorrespondentie.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het inzagerecht, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van 24 februari 2023, nog steeds geldt en dat alleen de partij die de boekhouding voert, veroordeeld kan worden tot inzage. De vorderingen tot betaling van geldleningen, opheffing van zekerheden en incassokosten worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid en concreetheid. De vorderingen tot opheffing van beslagen worden eveneens afgewezen, mede omdat onvoldoende is gebleken van ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht en belangenafweging in het voordeel van handhaving van het beslag uitvalt.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Inzagerecht in de boekhouding van één gedaagde wordt hersteld, overige vorderingen worden afgewezen en proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/465776 / KG ZA 26-146
Vonnis in kort geding van 19 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2.
[eiser holding ] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [de eisende partijen] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser] en [eiser holding ] ,
advocaat: mr. M.N. Guntenaar,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
3.
[gedaagde 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
4.
[gedaagde 4] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
5.
[gedaagde 5],
wonende te [woonplaats 2] ,
6.
[gedaagde 6] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
7.
[gedaagde 7],
wonende te [woonplaats 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [de gedaagde partijen] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en [gedaagde 7] ,
advocaat: mr. D. Engelen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 16
- de aanvullende producties 17 t/m 28 van de zijde van [de eisende partijen]
- de eiswijziging van [de eisende partijen] van 22 mei 2026
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie met producties 23 t/m 28
- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026
- de pleitnota van [de eisende partijen]
- de pleitnota van [de gedaagde partijen]

2.De feiten

2.1.
Tussen [de eisende partijen] enerzijds en [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] anderzijds is een bodemprocedure met zaaknummer C/05/413336 / HA ZA 23-3 gevoerd bij deze rechtbank over – kort gezegd – de afwikkeling van hun samenwerking. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft op 18 maart 2026 eindvonnis gewezen met inachtneming van het ingewonnen deskundigenrapport over de waardering van de aandelen van [eiser] Holding in het kapitaal van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Rechtsoverwegingen 3.1. en 3.2. van het dictum luiden als volgt.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde 4] en [gedaagde 6] om binnen twee weken nadat dit vonnis aan hen is betekend, de door [eiser] Holding gehouden aandelen in het kapitaal van [gedaagde 2] over te nemen tegen betaling van een bedrag van € 794.891;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 4] om binnen twee weken nadat dit vonnis aan haar is betekend, de door [eiser] Holding gehouden aandelen in het kapitaal van [gedaagde 1] over te nemen tegen betaling van een bedrag van € 107.148;
2.2.
Ingevolge het eindvonnis van de rechtbank van 18 maart 2026 zijn de aandelen die [eiser] Holding in [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hield op 3 april 2026 verkocht en geleverd aan [gedaagde 4] .
2.3.
Bij exploot van 28 mei 2026 hebben [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 18 maart 2026.
2.4.
Tussen [eiser] Holding enerzijds en [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 4] en [gedaagde 6] anderzijds is – gelijktijdig met de hiervoor bedoelde bodemprocedure – een kortgedingprocedure met zaaknummer C/05/405893 / KG ZA 22-211) gevoerd, welke procedure is geëindigd middels een schikking ter zitting, die is vastgelegd in het proces-verbaal van 24 februari 2023. In dit proces-verbaal zijn onder punt 3 en 4 de volgende afspraken opgenomen:
3. [eiser holding ] B.V. en [eiser] krijgen inzage in de boekhouding van [gedaagde 2] B.V.
4. De managementfee wordt doorbetaald en de vrijstelling van werkzaamheden alsmede het inzagerecht gelden totdat partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de verkoop en overdracht van de door [eiser holding ] B.V. gehouden aandelen in [gedaagde 2] B.V. dan wel ter zake een onherroepelijke uitspraak is gedaan in de thans tussen partijen aanhangig zijnde bodemzaak.
2.5.
Onderhavige kortgedingprocedure vloeit voort uit bovengenoemde twee procedures.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[de eisende partijen] vorderen – na wijziging van eis – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, voor zover mogelijk hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad:
a. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en/of [gedaagde 7] gebiedt het inzagerecht c.q. de inzage in de administratie van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] ten gunste van [eiser] en/of [eiser] Holding, te herstellen binnen 24 uur na het te wijzen vonnis, dan wel per een in goede justitie te bepalen moment, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag als dwangsom per dag dat dit niet wordt nagekomen, met een maximum van € 100.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen maximum aan dwangsommen,
zo mogelijk onder het verlengen van de inzagetermijn tot het moment dat aan het onder b en/of c en/of d gevorderde is voldaan;
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en/of [gedaagde 7] veroordeelt tot betaling van € 191.764,00, althans een in goede justitie te bepalen (voorschot)bedrag, binnen een week na het te wijzen vonnis, betreffende de leningsovereenkomst d.d. 7 februari 2020, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, dan wel de wettelijke rente, dan wel de contractuele rente ad 3,5%, te berekenen vanaf 1 januari 2025, dan wel datum dagvaarding, dan wel een in goede justitie te bepalen moment tot het moment van betaling; indien naar uw oordeel vereist, ter bewaring te plaatsen in depot op de derdenrekening van een daartoe door de te veroordelen (rechts)perso(o)n(en) te kiezen notaris, tot het onherroepelijk worden van het te wijzen vonnis;
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en/of [gedaagde 7] veroordeelt tot betaling van € 118.745,00, althans een in goede justitie te bepalen (voorschot)bedrag, binnen een week na het te wijzen vonnis, betreffende de lening betreffende de rekening-courantverhouding, te vermeerderen met de wettelijke (in casu: tevens contractuele) rente vanaf 1 januari 2025, dan wel datum dagvaarding, dan wel een in goede justitie te bepalen moment tot het moment van betaling; indien naar het oordeel van de voorzieningenrechter vereist, ter bewaring te plaatsen in depot op de derdenrekening van een daartoe door de te veroordelen (rechts)perso(o)n(en) te kiezen notaris, tot het onherroepelijk worden van het te wijzen vonnis;
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en/of [gedaagde 7] gebiedt medewerking te verlenen aan de opheffing c.q. ontheffing van de door c.q. ten aanzien van [eiser] en/of [eiser] Holding gestelde zekerheden vanwege financiering ten behoeve van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] , middels het doen van een schriftelijk en onderbouwd verzoek hiertoe aan de Rabobank, onder het zo nodig bieden van vervangende zekerheid, onder verstrekking van een afschrift hiervan aan [eiser] en/of [eiser] Holding, binnen 24 uur na het te wijzen vonnis, dan wel per een in goede justitie te bepalen moment hierna, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag als dwangsom per dag dat dit niet wordt nagekomen, met een maximum van € 100.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen maximum aan dwangsommen;
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en/of [gedaagde 7] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 3.548,17, dan wel een terzake in goede justitie te bepalen bedrag, alsook de proceskosten (waaronder de kosten van het conservatoire beslag en nakosten);
dan wel, ten aanzien van het onder a t/m e gevorderde, een of meerdere voorziening(en) te treffen die de voorzieningenrechter geraden voorkomt.
3.2.
[de gedaagde partijen] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [de eisende partijen] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eisende partijen] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eisende partijen] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[de gedaagde partijen] vorderen dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Met betrekking tot de beslagen:
a. primair de beslagen bij vonnis opheft, althans
b. subsidiair [de eisende partijen] veroordeelt om binnen 24 uur na het te dezen te wijzen vonnis, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen redelijke termijn, de beslagen op te heffen, althans te doen opheffen en opgeheven te houden, althans
c. meer subsidiair in ieder geval de onder [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gelegde beslagen bij vonnis opheft, althans [de eisende partijen] veroordeelt om binnen 24 uur na het te dezen te wijzen vonnis de beslagen op te heffen, althans te doen opheffen en opgeheven te houden,
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat niet wordt voldaan aan de veroordeling, tot een maximum van € 100.000,00;
II. Met betrekking tot de inzage in zakelijke informatie:
a. primair [de eisende partijen] veroordeelt om binnen drie (3) dagen na het te dezen te wijzen vonnis op een adequate gegevensdrager aan [de gedaagde partijen] afschrift (kopieën) te verstrekken van alle zakelijke e-mailcorrespondentie die [de eisende partijen] binnen of voor [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gedurende haar bestuur heeft gevoerd, althans
b. subsidiair [de eisende partijen] veroordeelt om binnen drie (3) dagen na het te dezen te wijzen vonnis alle medewerking te verlenen aan [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] om via de relevante IT-leverancier inzage te krijgen in en toegang te krijgen tot de zakelijk e-mailaccounts van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , waartoe [de eisende partijen] toegang hadden, althans
c. meer subsidiair oordeelt dat het te dezen door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis in de plaats zal treden van alle benodigde instemmingen van en/of medewerking door [eiser] Holding gericht op het verkrijgen van toegang tot en inzage in de zakelijke e-mailaccounts van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , waartoe [de eisende partijen] toegang hadden,
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat niet wordt voldaan aan de veroordeling, tot een maximum van € 100.000,00.
III. Met betrekking tot zekerheidstelling (voorwaardelijk):
in geval van veroordeling tot (gedeeltelijke) betaling van de geldvorderingen in conventie, [de eisende partijen] veroordeelt om binnen 3 dagen na het te dezen te wijzen vonnis zekerheid te stellen ten behoeve van [de gedaagde partijen] in de vorm van een door [de eisende partijen] te stellen bankgarantie ten behoeve van [de gedaagde partijen] ter hoogte van de bedragen tot betaling waarvan de voorzieningenrechter [de gedaagde partijen] in conventie mocht veroordelen, of anders een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen alternatieve vorm van zekerheid zodanig dat een restitutierisico wordt uitgesloten.
IV. [de eisende partijen] veroordeelt tot betaling aan [de gedaagde partijen] van de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.
3.5.
[de eisende partijen] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde partijen] , met veroordeling van [de gedaagde partijen] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Het gaat om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of [de eisende partijen]
ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
vordering a: inzage
4.2.
Ten aanzien van het spoedeisend belang wordt als volgt overwogen. [de eisende partijen] stellen dat de verhouding tussen hen en de voormalig (mede) aandeelhouders en bestuurders in [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de afgelopen jaren ernstig verstoord is geraakt. De schorsing van [eiser] als bestuurder en de omstandigheid dat hem de toegang tot de administratie van de ondernemingen werd ontzegd, was voor [eiser] aanleiding om in 2023 een kortgedingprocedure te entameren om – onder meer – inzage te verkrijgen in de administratie van de bedrijven. Dit inzagerecht was voor [de eisende partijen] van belang, onder meer omdat zij zich middels zekerheidsstellingen hebben verbonden aan de bancaire financiering van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .
In die eerdere kortgedingprocedure hebben (die proces)partijen afspraken gemaakt over een inzagerecht voor [de eisende partijen] , dat is vastgelegd in het proces-verbaal van 24 februari 2023. [de eisende partijen] stellen dat – ondanks dat het inzagerecht nog steeds geldt – hen de inzage in de administratie per 19 maart 2026 ten onrechte abrupt is ontzegd. Nu vaststaat dat [de eisende partijen] sindsdien geen inzage meer hebben, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarmee het spoedeisend belang bij deze vordering reeds gegeven. In het licht van voorgaande stellingen van [de eisende partijen] hebben [de gedaagde partijen] het spoedeisend belang onvoldoende gemotiveerd betwist.
4.3.
[de eisende partijen] baseren hun inzagevordering op de afspraken die zijn gemaakt op een zitting van 24 februari 2023 in een eerdere kortgedingprocedure, waarbij [de eisende partijen] (als eisende partijen) en [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 4] en [gedaagde 6] (als gedaagde partijen) waren betrokken.
Blijkens de afspraken in het proces-verbaal van 24 februari 2023 (pagina 3, punt 3 en 4) verkregen [de eisende partijen] per 24 februari 2023 een inzagerecht in de boekhouding van [gedaagde 2] , welk recht geldt totdat partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de verkoop en overdracht van de door [eiser] Holding gehouden aandelen in [gedaagde 2] , dan wel totdat ter zake een onherroepelijke uitspraak is gedaan in de tussen partijen aanhangig zijnde bodemzaak. Volgens [de eisende partijen] is geen van de twee in punt 4 genoemde situaties aan de orde, zodat het inzagerecht nog steeds van kracht is. [de eisende partijen] vorderen daarom nakoming van de gemaakte afspraken.
4.4.
[de gedaagde partijen] voeren allereerst aan dat een deugdelijke wettelijke grondslag voor de inzagevordering ontbreekt, maar daarmee miskennen zij dat [de eisende partijen] zich baseren op een contractuele grondslag. [de gedaagde partijen] voeren verder aan dat het overeengekomen inzagerecht is geëindigd op één van de in punt 4 van het proces-verbaal van 24 februari 2023 opgenomen gronden: volgens [de gedaagde partijen] is het eindvonnis van rechtbank van 18 maart 2026 gelijk te stellen met het bereiken van ‘volledige overeenstemming’. [de gedaagde partijen] zijn daarom van mening dat door de aandelenoverdracht en de uittreding van [de eisende partijen] , althans [eiser] Holding, als aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] alle rechten per de datum van uittreding zijn geëindigd.
Dit betoog wordt niet gevolgd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter valt ‘volledige overeenstemming’ niet gelijk te stellen met de verkoop en overdracht van de aandelen en de uittreding van [eiser] Holding als aandeelhouder en bestuurder. De aandelenoverdracht en de uittreding hebben immers plaatsgevonden ingevolge het vonnis van de rechtbank van 18 maart 2026 tegen een bepaalde door de rechtbank (na deskundigenbericht) vastgestelde overnamesom. Tegen het vonnis van 18 maart 2026 is inmiddels hoger beroep aangetekend, waarbij de appellanten ( [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 4] , [gedaagde 6] en [gedaagde 5] ) zich blijkens het petitum van de appeldagvaarding verzetten tegen de veroordeling tot aandelenoverdracht. Partijen zijn het niet eens over de verkoop en overdracht van de aandelen en de in dat kader door de deskundige vastgestelde waardering van de aandelen (de overnamesom). Of de twee leningen (waarvan [de eisende partijen] in conventie onder b en c betaling vorderen) door de deskundige zijn betrokken bij het vaststellen van de overnamesom vormt een cruciaal onderdeel van het geschil tussen partijen. Uit r.o. 2.14, 2.15 en 2.18 van het eindvonnis van de rechtbank van 18 maart 2026 volgt dat er destijds al verschil van mening bestond over de aflossing van schulden, waaronder de twee geldleningen, dat de rechtbank daarover geen oordeel heeft gegeven en dat de rechtbank zich voor wat betreft de waardebepaling van de aandelen heeft gebaseerd op het rapport van de deskundige. Hoewel [de gedaagde partijen] zich op het standpunt hebben gesteld dat de geldvorderingen in het eindvonnis van de rechtbank van 18 maart 2026 zijn afgewezen, is de voorzieningenrechter – met [de eisende partijen] – van oordeel, dat die conclusie niet kan worden getrokken. In dit kader is van belang dat de rechtbank in r.o. 1.3. van het tussenvonnis van 17 januari 2024 heeft overwogen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in die procedure waren verschenen en dat niet was gesteld of gebleken dat de akte wijziging van eis (die kennelijk betrekking had op de twee leningen) tijdig aan die twee niet verschenen gedaagden kenbaar is gemaakt ex artikel 130 lid 3 Rv Pro. De rechtbank heeft de wijziging van eis jegens deze twee gedaagden niet toegestaan, waardoor er dus niet op die eis is beslist.
4.5.
Nu evenmin sprake is van een onherroepelijke uitspraak in de bodemzaak is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het inzagerecht, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van 24 februari 2023, niet is komen te vervallen op grond van één van de twee in punt 4 van dat proces-verbaal beschreven situaties. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [de eisende partijen] nakoming kan vorderen van de afspraak ten aanzien van het inzagerecht.
4.6.
Blijkens punt 3 van het proces-verbaal van 24 februari 2023 hebben [de eisende partijen] recht op inzage in de boekhouding van [gedaagde 2] . [de eisende partijen] stellen zich op het standpunt dat sprake is van vereenzelviging vanwege verwevenheid van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , en dat zij op grond daarvan ook inzage zouden moeten krijgen in de boekhoudingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] , maar die stelling wordt niet gevolgd. [de eisende partijen] vordert immers nakoming van een afspraak die getuige het proces-verbaal van 24 februari 2023 (enkel) ziet op inzage in de boekhouding van [gedaagde 2] . Bovendien gaat de vraag of sprake is van vereenzelviging – gelet op de uitdrukkelijk betwisting door [de gedaagde partijen] – het kader van dit kort geding te buiten.
[de eisende partijen] vorderen bovendien dat de voorzieningenrechter [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en/of [gedaagde 7] gebiedt het inzagerecht te herstellen, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter leidt de nakomingsvordering van [de eisende partijen] ertoe dat alleen de destijds bij die afspraak betrokken partijen zouden kunnen worden veroordeeld tot inzage. Dat zijn blijkens het proces-verbaal van 24 februari 2023 [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 4] en [gedaagde 6] en niet [gedaagde 3] , [gedaagde 5] en [gedaagde 7] . Nu echter gesteld noch gebleken is dat en hoe [gedaagde 1] , [gedaagde 4] en [gedaagde 6] inzage zouden kunnen geven in de boekhouding van [gedaagde 2] , legt de voorzieningenrechter de in het proces-verbaal vastgelegde afspraak zo uit dat [gedaagde 2] inzage in haar boekhouding dient te verschaffen aan [de eisende partijen] , zodat alleen zij daartoe zal worden veroordeeld, en wel binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, waarbij zal worden aangesloten bij de formulering die gebruikt is in het proces-verbaal. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen zoals hierna in het dictum te vermelden.
4.7.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de termijn van inzage te verlengen totdat [de gedaagde partijen] heeft voldaan aan de overige vorderingen in conventie, zoals door [de eisende partijen] gevorderd onder a van het petitum in de laatste (cursief gedrukte) zin. Het inzagerecht geldt – zoals afgesproken – totdat over de verkoop en overdracht van de aandelen een onherroepelijke uitspraak is gedaan, dan wel totdat partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de verkoop en overdracht van de aandelen.
4.8.
Gelet op deze uitkomst behoeft het verweer van [de gedaagde partijen] over mogelijke strijd met de AVG geen bespreking, nu er – anders dan [de gedaagde partijen] betoogt – geen sprake is van een ongeclausuleerd, dan wel ongebreideld inzagerecht. [de eisende partijen] behoudt het recht op inzage in de boekhouding van [gedaagde 2] , onder de voorwaarden zoals partijen zijn overeengekomen op 24 februari 2023.
vorderingen b en c: geldleningen
4.9.
[de eisende partijen] maken aanspraak op (terug)betaling van een tweetal geldleningen. De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
4.10.
[de eisende partijen] vorderen nakoming van een leningsovereenkomst d.d. 7 februari 2020, op basis waarvan [eiser] Holding aan [gedaagde 1] een lening heeft verstrekt van € 156.000,00. Per 1 januari 2025 bedroeg het openstaande bedrag van de lening (inclusief rente) € 191.764,00. Daarnaast vordert [de eisende partijen] betaling van een lening uit hoofde van een rekening-courant overeenkomst tussen [eiser] Holding en [gedaagde 1] , op basis waarvan [eiser] Holding per 1 januari 2025 een vordering heeft op [gedaagde 1] van € 118.745,00. [de eisende partijen] stellen zich op het standpunt dat deze twee geldleningen zijn opgeëist en moeten worden afgelost. Ondanks herhaalde verzoeken, weigeren [de gedaagde partijen] over te gaan tot betaling.
4.11.
[de gedaagde partijen] hebben uitvoerig verweer gevoerd tegen de twee geldvorderingen. Zij hebben zich allereerst op het standpunt gesteld dat de twee geldvorderingen teniet zijn gegaan, omdat deze zijn verdisconteerd in de door de deskundige in de bodemzaak vastgestelde (en inmiddels reeds betaalde) overnamesom voor de aandelen in [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
4.12.
Gelet op de eerder vermelde overwegingen 2.14, 2.15 en 2.18 van het eindvonnis van de rechtbank van 18 maart 2026 speelde dit geschil over de al dan niet bestaande verplichting tot aflossing van de geldleningen toen al en speelt dit geschil – gelet op het ingestelde hoger beroep tegen het eindvonnis – nog steeds. Gelet op de tegengestelde stellingen van partijen op dit punt is in de onderhavige kortgedingprocedure niet vast te stellen of de twee geldleningen (nog) opeisbaar zijn en of [de eisende partijen] aanspraak heeft op terugbetaling. Daarvoor is nader onderzoek en/of mogelijk voorlichting nodig van de betrokken deskundige die het deskundigenbericht in de bodemprocedure heeft uitgebracht. Dit gaat het kader van deze kortgedingprocedure te buiten.
Dit leidt tot de conclusie dat het bestaan van de vorderingen van [de eisende partijen] in de onderhavige procedure niet aannemelijk is geworden. De vorderingen onder b en c zullen daarom worden afgewezen, nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is van een spoedeisend belang aan de zijde van [de eisende partijen]
Gelet op deze uitkomst behoeft al hetgeen partijen overigens over en weer hebben gesteld ten aanzien van de twee geldleningen geen bespreking. Dit kan in deze procedure niet tot een andere uitkomst leiden.
vordering d: zekerheden
4.13.
[de eisende partijen] vorderen [de gedaagde partijen] te gebieden hun medewerking te verlenen aan de opheffing c.q. ontheffing van de door [de eisende partijen] gestelde zekerheden vanwege financiering ten behoeve van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] middels het doen van een verzoek aan de Rabobank, onder het zo nodig bieden van vervangende zekerheid.
4.14.
[de gedaagde partijen] hebben deze vordering uitvoerig betwist. Zij voeren in de eerste plaats aan dat een wettelijke of contractuele grondslag ontbreekt.
4.15.
[de eisende partijen] hebben (in punt 37 van de dagvaarding) gesteld dat ten behoeve van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bancaire financiering is verkregen en dat [de eisende partijen] daarbij als mede-debiteur, hypotheekgever en als borg zijn betrokken.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter [de eisende partijen] gevraagd naar de onderbouwing van de gestelde zekerheidsstellingen. In antwoord daarop heeft [de eisende partijen] gewezen op de producties 25 en 26 bij dagvaarding. Blijkens productie 25 hebben [de eisende partijen] en [gedaagde 5] en [gedaagde 4] , als hypotheekgevers, een recht van hypotheek en een pandrecht gevestigd ten behoeve van de Rabobank op een woonhuis en twee percelen grond in [plaats] . Blijkens productie 26 hebben [eiser] en [gedaagde 5] in persoon, als hypotheekgevers, een recht van hypotheek en een pandrecht gevestigd ten behoeve van de Rabobank op een woonhuis (boerderij) in [plaats] . Beide hypotheken dienen als onderpand tot zekerheid van de betaling van alles wat de Rabobank te vorderen heeft van de vier debiteuren: [eiser] Holding, [gedaagde 4] , [gedaagde 1] en [gedaagde 3] .
4.16.
Met uitzondering van voormelde twee hypotheekaktes hebben [de eisende partijen] geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van (een) borgstelling(en) en evenmin (een) zekerheidsstelling(en) ten behoeve van [gedaagde 2] . Nu de vordering strekt tot opheffing van ‘de’ door c.q. ten aanzien van [de eisende partijen] ‘gestelde zekerheden’ ten behoeve van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , had het op de weg van [eiser] c.s gelegen om hun vordering voldoende te concretiseren en met alle onderliggende stukken te onderbouwen. Nu niet duidelijk is om welke zekerheden het gaat, ten behoeve van wie en om welke bedragen het gaat, is de vordering te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen. Daar komt bij dat niet valt in te zien dat toewijzing van deze vordering kan leiden tot opheffing van de gestelde zekerheden. [de gedaagde partijen] hebben immers onweersproken gesteld dat de Rabobank pas bereid is tot opheffing van de zekerheden als de financiering geheel zou worden afgelost of als door [de gedaagde partijen] andere c.q. aanvullende financiële zekerheden worden geboden. Volgens [de gedaagde partijen] is dit voor hen bedrijfseconomisch en financieel niet haalbaar. [de gedaagde partijen] hebben bovendien terecht aangevoerd dat een specifieke contractuele of wettelijke grondslag voor de vordering ontbreekt. Hetgeen [de eisende partijen] (onder meer in punt 42, 43 en 44 van de dagvaarding) stellen, biedt daarvoor geen wettelijke grondslag. Dat [de eisende partijen] zijn uitgetreden als bestuurder en aandeelhouder is daarvoor onvoldoende. Evenmin acht de voorzieningenrechter de vordering toewijsbaar op grond van de redelijkheid en billijkheid, zoals mr. Guntenaar in punt 5 van zijn pleitnota lijkt te betogen. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering onder d zal worden afgewezen.
vordering e: buitengerechtelijke incassokosten
4.17.
[de eisende partijen] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben [de eisende partijen] onvoldoende gesteld en onderbouwd welke werkzaamheden er zijn verricht en waar die werkzaamheden op zien. Daarom is onvoldoende aannemelijk geworden dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die betrekking hebben op de slechts gedeeltelijk toewijsbare inzagevordering. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
vordering e: beslagkosten
4.18.
Het door [de eisende partijen] gelegde beslag heeft betrekking op de twee geldleningen, terwijl in onderhavige procedure niet kan worden vastgesteld of [de eisende partijen] opeisbare vorderingen heeft op [de gedaagde partijen] en evenmin of sprake is van een nietig, onnodig of onrechtmatig beslag (artikel 706 Rv Pro). Gelet hierop bestaat voor vergoeding van beslagkosten, zoals door [de eisende partijen] gevorderd, vooralsnog geen aanleiding.
in reconventie
vordering I: opheffing beslagen
4.19.
[de gedaagde partijen] vorderen opheffing van de door [eiser] Holding gelegde conservatoire beslagen onder [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop.
4.20.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv Pro moet het beslag worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
4.21.
De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, moet in beginsel worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.
4.22.
Bij deze beoordeling wordt verwezen naar hetgeen hiervoor in r.o. 4.13. ten aanzien van de geldleningen is overwogen. Of [de eisende partijen] nog aanspraak kunnen maken op betaling van de twee geldleningen óf dat de twee geldleningen zijn teniet gegaan, omdat de leningen zijn verdisconteerd in de door de deskundige vastgestelde (en reeds betaalde) overnamesom, kan in de onderhavige kortgedingprocedure niet worden vastgesteld. Daarvoor is nader onderzoek nodig, waarvoor deze procedure zich niet leent. Die vraag zal mogelijk in de hoger beroepsprocedure aan de orde komen. Het voorgaande brengt met zich dat thans niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [de eisende partijen] ingeroepen recht.
4.23.
Vast staat dat de twee geldleningen zijn gesloten tussen enerzijds [eiser] Holding en anderzijds [gedaagde 1] , terwijl [eiser] Holding niet alleen conservatoir beslag heeft laten leggen op de bankrekening en roerende zaken van [gedaagde 1] , maar ook op roerende zaken van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . [de eisende partijen] stellen zich op het standpunt dat zij zich niet alleen kunnen verhalen op goederen van haar schuldeiser ( [gedaagde 1] ), maar ook op vermogensbestanddelen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , omdat er in de dagelijkse bedrijfsvoering en externe gedragingen nauwe verwevenheid zou bestaan tussen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , die maakt dat deze ondernemingen met elkaar kunnen worden vereenzelvigd.
4.24.
[de gedaagde partijen] stellen zich daarentegen op het standpunt dat iedere grondslag voor de door [de eisende partijen] gestelde vereenzelviging ontbreekt, zodat in ieder geval de onder [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gelegde beslagen zouden moeten worden opgeheven.
4.25.
Over de vraag of sprake is van vereenzelviging van de betreffende drie entiteiten, kan – binnen het kader van deze kortgedingprocedure – voorshands geen oordeel worden gegeven. Verwevenheid van ondernemingen is daarvoor onvoldoende. Om te oordelen dat sprake is van vereenzelviging is nader onderzoek naar de werkwijze en besluitvorming binnen de concernconstructie van [de gedaagde partijen] nodig, waarvoor de onderhavige kortgedingprocedure zich niet leent. Bij deze stand van zaken kan voorshands niet worden geoordeeld dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [de eisende partijen] ingeroepen recht ten aanzien van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] is gebleken en komen de beslagen vooralsnog niet in aanmerking voor opheffing door de voorzieningenrechter of een veroordeling van [de eisende partijen] daartoe.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. [de gedaagde partijen] heeft onvoldoende concreet gesteld dat en waarom hun belang bij opheffing zwaarder weegt dan het belang van [de eisende partijen] , dan wel [eiser] Holding bij handhaving van de beslagen als zekerheid van de door hen gestelde geldvorderingen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat [de gedaagde partijen] door de beslagen zodanig worden gehinderd in hun bedrijfsvoering, dat hun belang bij opheffing van de beslagen dient te prevaleren.
vordering II: inzage
4.26.
[de gedaagde partijen] vorderen inzage in alle zakelijke e-mailcorrespondentie die [de eisende partijen] binnen of voor [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gedurende hun bestuur hebben gevoerd.
4.27.
De voorzieningenrechter overweegt dat [de gedaagde partijen] onvoldoende hebben gesteld om een dergelijke ongelimiteerde inzagevordering te kunnen rechtvaardigen. De inzagevordering is onvoldoende bepaald in zowel omvang als periode en [de gedaagde partijen] hebben niet aannemelijk gemaakt welk concreet en spoedeisend belang zij hebben bij de vordering. Dit geldt te meer, nu [eiser] al jarenlang niet meer actief werkzaam is binnen de ondernemingen van [de gedaagde partijen] en eventueel in zijn bezit zijnde zakelijke e-mailcorrespondentie zal zijn gedateerd. De vordering zal daarom worden afgewezen.
voorwaardelijke vordering III: zekerheidstelling
4.28.
Nu de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering onder III is ingesteld niet is vervuld, hoeft daarop niet te worden beslist.
in conventie en reconventie voorts
proceskosten
4.29.
Omdat het geschil ziet op de afwikkeling van de samenwerking tussen (voormalig) bestuurders, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten zowel in conventie als in reconventie tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
gebiedt [gedaagde 2] het inzagerecht van [de eisende partijen] in de boekhouding van [gedaagde 2] te herstellen binnen 48 uur na betekening van dit vonnis,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 2] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 5.1. voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van [de gedaagde partijen] af,
in conventie en in reconventie voorts
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.
771