ECLI:NL:RBGEL:2026:5

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
460566
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schorsing arbitraal vonnis inzake wedstrijdvlucht met postduiven

In deze zaak vorderen eisers, [eiser sub 1] en [eiser sub 2], in kort geding de Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (NPO) om inzage te geven in alle processtukken die hebben geleid tot een arbitraal vonnis van het Instituut Sportrechtspraak (ISR) van 26 november 2025. Dit vonnis verklaarde dat de vlucht E31, georganiseerd door de NPO, niet meetelt voor de Olympiade en World Best Pigeon (WBP). De eisers zijn leden van de NPO en stellen dat de NPO onzorgvuldig heeft gehandeld door hen niet tijdig te informeren over de status van de vlucht E31. De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang van de eisers voldoende is onderbouwd, maar dat de vorderingen niet toewijsbaar zijn. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de eisers af, omdat niet is gebleken dat de NPO onzorgvuldig heeft gehandeld of dat het arbitraal vonnis gebreken vertoont die tenuitvoerlegging onrechtmatig zouden maken. De eisers worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van de NPO, die op € 1.999,00 zijn begroot.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/460566 / KG ZA 25-456
Vonnis in kort geding van 22 december 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

wonende in [woonplaats] ,
2.
[eiser sub 2] ,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: “ [eisers] ”,
advocaat: mr. P. Geervliet,
tegen
de vereniging
NEDERLANDSE POSTDUIVENHOUDERS ORGANISATIE,
gevestigd in Veenendaal,
gedaagde partij,
hierna te noemen: “NPO”,
advocaat: mr. L.J. Krijgsman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13;
- de aanvullende productie 14 van [eisers]
- de producties 1, 2 en 3 van NPO;
- de aanvullende producties 4, 5 en 6 van NPO;
- de mondelinge behandeling van 17 december 2025;
- de pleitnota van [eisers] ;
- de pleitnota van NPO.
1.2.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 22 december 2025 een kop-staartvonnis gewezen. De feiten en motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, worden hierna vastgelegd.

2.De feiten

2.1.
De NPO is een overkoepelende organisatie voor de postduivensport en kent 11 leden afdelingen. Deze zijn geografisch ingedeeld. De leden afdelingen hebben basisleden, die zijn verenigd in leden Basisverenigingen. De NPO houdt klassementen bij van duivenvluchten die haar afdelingen organiseren. Bovendien bepaalt zij aan de hand van die klassementen welke duiven kwalificeren voor deelname aan de Competitie Olympiade (hierna: de Olympiade“) en World Best Pigeon (hierna: WBP").
2.2.
De Olympiade en WBP worden georganiseerd door de Fédération Colombophile Internationale (de internationale duivenbond, hierna: FCI), waarbij de NPO is aangesloten. leder land zend per categorie de beste drie duiven uit. De eerste, tweede en derde winnaar krijgen de titel Olympiade duif.
2.3.
De Ledenraad van de NPO beslist over het Nationaal vliegprogramma, en welke
vluchten tellen voor de Nationale Kampioenschappen. Het bestuur van NPO doet een voorstel daartoe, en de Ledenraad beslist vervolgens hoeveel en welke vluchten tellen voor welk onderdeel. De Ledenraad heeft op 13 november 2024 afspraken over de kwalificatie vastgelegd en daarin, voor zover van belang, opgenomen:
(…)
Om iedereen zoveel mogelijk gelijke kansen te geven tellen alleen de vluchten van het Nationale vliegprogramma voor de Olympiade en WBP. Extra vluchten, attractievluchten, taart- en najaarvluchten etc. tellen niet mee voor de Olympiade en WBP tenzij het NPO Bestuur hiervoor vooraf toestemming voor verleent.
(…)
2.4.
[eisers] zijn allebei direct dan wel indirect lid van de NPO.
2.5.
Op 17 oktober 2024 is door het bestuur van NPO een concept Nationaal Vliegprogramma opgesteld. Daarin zijn voor het nationaal vliegprogramma vijf dagfondvluchten opgenomen, te weten E22, E24, E26, E28 en E30. Deze naamcodes zijn later met één cijfer verlaagd, omdat alle vluchten één week werden vervroegd.
2.6.
Op 23 november 2024 is het concept Nationaal Vliegprogramma vastgesteld door de Ledenraad van NPO.
2.7.
Op 30 juli 2025 heeft de NPO via haar website het volgende bericht aan haar leden gecommuniceerd:
(…)
- er kan ook Nationaal gepould worden op niveau 9
- in alle afdelingen kan er worden ingekorfd, zie site van uw eigen afdeling
- de afhaal routes worden nog besproken
- mandenlijsten zijn verplicht
Met vriendelijke groet,
De landelijke organisatie Orleans 2025 [de wedstrijd met kenmerk E31,
toevoeging voorzieningenrechter].
Om verwarring te voorkomen: de vlucht telt niet voor de nationale kampioenschappen, maar wel voor WBP en de Olympiade.
(…)
2.8.
Op 3 augustus 2025 heeft Afdeling 5 van de NPO een vlucht georganiseerd waaraan heel Nederland kon deelnemen en die gelost werd in Orleans onder vluchtnummer E31 (hierna: E31). De datum van inkorving voor deze vlucht was 31 juli 2025.
2.9.
De beslissing om deze vlucht mee te laten tellen voor de Olympiade is door twee andere leden van de NPO, namelijk [naam 1] en [naam 2] (hierna: [naam 1] en [naam 2] ), aangevochten bij het Instituut Sportrechtspraak (hierna: ISR). De arbitragecommissie van het ISR heeft op 26 november 2025 een kop-staartuitspraak met het volgende dictum gewezen:

De beslissing:
De arbitragecommissie:
- bepaalt dat het besluit van de NPO om de vlucht E31 Orleans mee te laten tellen voor de WBP en de Olympiade ongeldig is;
- bepaalt dat de vlucht E31 Orleans niet meetelt voor de WBP en de Olympiade en draagt de NPO inachtneming op om de kwalificatie van de WBP en de Olympiade vast te stellen en te publiceren deze uitspraak,
(…)’
De motivering van voornoemde uitspraak wordt begin januari 2026 verwacht.
2.10.
Uiterlijk op 8 januari 2026 dient NPO aan FCI kenbaar te maken welke duiven namens Nederland zullen deelnemen aan de Olympiade.

3.Het geschil

3.1.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. de NPO te veroordelen om aan [eisers] inzage/afschrift te verstrekken van alle (proces)stukken die hebben geleid tot het arbitraal vonnis van ISR d.d. 26 november 2025, alsmede alle elektronische (e-mails, app-verkeer, etc.) en schriftelijke communicatie van bestuursleden van de NPO onderling, en de bestuursbesluiten in rechtstreeks verband met de arbitragezaak;
II. de beslissing van het ISR als neergelegd in het arbitraal vonnis van 26 november 2025 te schorsen, althans buiten effect te stellen, onder gelijktijdige oplegging van de verplichting aan NPO om bij de FCI opgave te doen van de deelnemers aan de Olympiade/WBP overeenkomstig het klassement, zonder dat bij het samenstellen daarvan acht wordt geslagen op de voornoemde beslissing;
subsidiair:
III. de NPO te gebieden [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te handhaven in hun oorspronkelijke kwalificatie voor deelneming aan de Olympiade/WBP en hen als afgevaardigden voor Nederland voor de Olympiade en WBP bij de FCI aan te melden;
alles, zowel primair als subsidiair, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de NPO in de kosten van het geding.
3.2.
[eisers] hebben de primaire vordering onder I., die strekt tot de afgifte van alle (proces)stukken die hebben geleid tot het arbitraal vonnis en allerhande communicatie daaromtrent, ter zitting ingetrokken omdat de NPO daaraan kort voor de zitting al heeft voldaan. Deze vordering behoeft daarom geen bespreking.
3.3.
NPO voert tegen de overige vorderingen verweer. NPO concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de vorderingen en is door [eisers] voldoende onderbouwd.
4.2.
Nog daargelaten de vraag of het gevorderde wel toewijsbaar kan zijn omdat [naam 1] en [naam 2] niet in dit geding zijn betrokken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
E31 als kwalificatiewedstrijd
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij vaststelling van het Nationaal Vliegprogramma op 23 november 2024 door de Ledenraad E31 daarin niet stond opgenomen als kwalificatiewedstrijd, dat volgens de door de Ledenraad opgestelde spelregels het bestuur de bevoegdheid heeft om extra kwalificatievluchten aan te wijzen die meetellen voor de Olympiade en WBP en dat het bestuur de vlucht E31 op enig moment heeft aangewezen als extra kwalificatievlucht. Partijen strijden in de kern over de vraag of het bestuur E31 voor het eerst op 30 juli 2025 heeft aangewezen als kwalificatievlucht, zijnde één dag voor inkorving, of dat dit eerder, op 6 december 2024, al kenbaar was.
4.4.
[eisers] betogen dat op 6 december 2024 reeds bekend was dat E31 een kwalificatievlucht zou zijn. Op die dag heeft tussen de voorzitter van NPO en het lid [naam 3] een telefonisch gesprek plaatsgevonden waarin dit door de voorzitter is meegedeeld. Daarna is volgens [eisers] op diezelfde dag een videoboodschap door de organisatie van de vlucht aan NPO en bestuursleden van de ledenafdeling gezonden waarin is meegedeeld dat E31 meetelde voor de Olympiade. Vervolgens zijn op 14 februari 2025 aan alle afdelingen de definitieve vliegprogramma’s bekend gemaakt. In dat overzicht is E31 als dagfondvlucht opgenomen. Daarin is E31 opengesteld voor alle leden, niet alleen die van Afdeling 5. Ook lid [naam 4] heeft later nog telefonisch te horen gekregen dat E31 telde voor de Olympiade en WBP. Op 30 juli 2025 is daarna verwarring ontstaan over E31 op basis van een bericht van het NPO-bestuur van 30 juli 2025 dat E31 niet zou meetellen voor de Olympiade of WBP. Nadat [naam 3] wederom telefonisch contact had opgenomen met de voorzitter van NPO heeft het bestuur een bericht van 30 juli 2025 op haar website geplaatst dat E31 meetelt voor de kwalificatie. Het was volgens [eisers] dus vanaf 6 december 2024 kenbaar dat E31 zou meewegen voor de kwalificatie voor de Olympiade en WBP.
Daartegen heeft NPO aangevoerd dat op grond van de regels vastgesteld op 13 november 2024 door de Ledenraad geldt dat alleen de vluchten op het Nationale Vliegprogramma meetellen voor de Olympiade en WBP. Het Nationaal Vliegprogramma is zonder op- of aanmerking definitief vastgesteld op 23 november 2024. Daarin zijn de vluchten E22, E24, E26, E28 en E30 opgenomen als nationale vluchten. E31 wordt niet genoemd in het Nationaal Vliegprogramma. E31 is ook niet door NPO georganiseerd, wat wel nodig is om als nationale vlucht te worden aangemerkt. Het bestuur heeft wel de bevoegdheid om extra vluchten te laten meetellen als kwalificatiewedstrijden, maar deze heeft zij voor het eerst op 30 juli 2025 ingezet om E31 als zodanig aan te wijzen. [naam 1] en [naam 2] zijn bij het ISR tegen dit besluit opgekomen en door het ISR is bepaald dat deze aanwijzing onredelijk kort voor de inkorfdatum op 31 juli 2025 was gedaan en NPO is aldus veroordeeld om E31 niet te betrekken bij kwalificatie voor de Olympiade en WBP. Dat de voorzitter van NPO op 6 december 2024 tegen [naam 3] zou hebben gezegd dat E31 meetelt voor de Olympiade en WBP wordt door NPO uitdrukkelijk betwist. Immers zou deze toezegging dan zijn gedaan kort nadat de Ledenraad had gestemd tussen het hebben van één of twee nationale dagfondvluchten en de voorzitter slechts 13 dagen daarna een derde dagfondvlucht zou hebben aangewezen. Dat in de latere goedgekeurde vliegprogramma’s E31 wel staat genoemd, betekent volgens NPO niet dat het daarmee een nationale vlucht is. Immers staan in die programma’s allerlei dagfondvluchten genoemd. E31 stond vermeld voor Afdeling 5 en zij zou deze dan ook organiseren, niet NPO.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van NPO en het gebrek aan voldoende concrete onderbouwing door [eisers] is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de aankondiging om E31 mee te tellen als kwalificatiewedstrijd eerder is gedaan dan op 30 juli 2025.
4.5.
[eisers] hebben nog gesteld dat [naam 4] , ook lid van NPO, telefonisch contact heeft gehad in oktober 2025 met het bestuur van NPO en dat het bestuur in dat gesprek heeft aangegeven dat E31 wel zou meetellen als kwalificatiewedstrijd. Het belang van dit telefoongesprek voor onderhavig geschil ontgaat de voorzieningenrechter. Dit gesprek heeft immers plaatsgevonden geruime tijd na de aankondiging van 30 juli 2024 en voordat in het arbitraal vonnis is geoordeeld dat E31 op 30 juli 2025 niet tijdig genoeg was aangekondigd als kwalificatiewedstrijd. Dat het bestuur in oktober 2025 in de veronderstelling was, zoals NPO ook heeft bepleit tijdens de arbitrageprocedure, dat E31 wel een kwalificatiewedstrijd was, is dan ook logisch. Pas daarna is immers geoordeeld dat E31 onredelijk kort voor de inkorfdatum was aangekondigd als kwalificatiewedstrijd en dus het besluit van het bestuur teruggedraaid.
Arbitraal vonnis
4.6.
Volgens [eisers] is de wijze van totstandkoming van het arbitraal vonnis dermate gecompromitteerd en heeft NPO daarbij zich zo onzorgvuldig jegens [eisers] gedragen dat het arbitraal vonnis geschorst dient te worden. Tenuitvoerlegging daarvan zou volgens hen in strijd zijn met de openbare orde.
4.7.
Voor zover [eisers] hun stelling dat reeds op 6 december 2024 bekend was dat E31 een kwalificatiewedstrijd zou zijn en dat feitelijk onjuist is dat pas op 30 juli 2025 dit kenbaar was ten grondslag heeft willen leggen aan haar vordering, geldt dat reeds onder 4.4. is geoordeeld dat dit niet is komen vast te staan.
4.8.
[eisers] stellen verder dat NPO uitdrukkelijk tijdens de arbitrageprocedure geen beroep heeft gedaan op de onbevoegdheid van het ISR, hoewel dit wel in de rede had gelegen. Op grond van artikel 34 van de Statuten van NPO is arbitrage voorgeschreven voor leden onderling en is in geschillen tussen leden en de NPO de arbitragecommissie niet bevoegd, maar de civiele overheidsrechter. Volgens [eisers] berust het arbitraal vonnis daarmee op een kennelijke juridische misslag en is NPO hierdoor ernstig tekortgeschoten in haar plicht om de belangen van haar leden gelijkwaardig te behartigen en heeft NPO alle schijn van manipulatie van de klassementen gewekt.
Daartegenover heeft NPO echter aangevoerd dat zij juist zorgvuldig heeft gehandeld door bewust geen beroep te doen op de onbevoegdheid van het ISR met het oog op het behalen van tijdwinst. Op 8 januari 2026 moeten aan het FCI de deelnemers worden doorgegeven, en NPO heeft getracht zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen over de rechtsgeldigheid van haar besluit om E31 als kwalificatiewedstrijd aan te wijzen. Om die reden heeft zij met [naam 1] en [naam 2] ten tijde van de mondelinge behandeling een akte van compromis getekend waardoor het ISR wel bevoegd was te oordelen over het geschil. Voor NPO heeft feitelijk de voorzitter deze akte ondertekend tijdens de mondelinge behandeling in de arbitrageprocedure.
4.9.
[eisers] hebben aangevoerd dat het bestuur van NPO niet bevoegd was tot het sluiten van deze akte van compromis en dat die akte daardoor nietig is althans vernietigbaar. Dit gaat niet op, reeds niet omdat [eisers] deze stelling onvoldoende hebben onderbouwd. In de pleitnota van hun raadsman wordt daartoe een beroep gedaan op ‘de fijnmazige regelingen met betrekking tot de rechtsmacht van het ISR als neergelegd in artikel 34 Statuten NPO’. In het geding gebracht (als productie 14) zijn artikel 23 tot en met 33 lid 1 van de statuten van NPO, maar niet artikel 34. De voorzieningenrechter is met dat laatste artikel dus niet bekend.
4.10.
De wens zo snel mogelijk duidelijkheid te verkrijgen omtrent de status van E31, gelet op de naderende uiterste datum voor het opgeven van deelnemers namens Nederland bij het FCI, acht de voorzieningenrechter niet onredelijk of onbegrijpelijk. Daarmee heeft NPO juist de belangen van al haar leden behartigd. Immers is de gehele vereniging erbij gebaad als er zo snel mogelijk duidelijkheid komt omtrent de status van E31 en de invloeden daarvan op de klassementen. Als alternatief zouden [naam 1] en [naam 2] na een onbevoegdverklaring van het ISR bij de burgerlijke rechter een proces hebben moeten starten, wat meer tijd had gekost. Dat deze rechtsgang meer waarborgen biedt jegens [eisers] dan een arbitrageprocedure bij het ISR is door [eisers] onvoldoende onderbouwd. [eisers] hebben wel gesteld dat de civiele overheidsrechter meer formaliteiten kent, zoals verplichte procesvertegenwoordiging en daarmee gepaarde kosten, maar hoe het niet hoeven betalen van deze kosten, dan wel het niet hebben van verplichte procesvertegenwoordiging door [naam 1] en [naam 2] onzorgvuldig is door NPO jegens [eisers] is de voorzieningenrechter niet duidelijk en ziet in zoverre daarin geen gebrek bij de totstandkoming van het arbitraal vonnis.
4.11.
Voorts hebben [eisers] bepleit dat NPO onzorgvuldig jegens hen heeft gehandeld doordat zij niet terstond aan hen kenbaar heeft gemaakt dat met betrekking tot E31 een geschil was gerezen en dat [naam 1] en [naam 2] een verzoekschrift bij IRS hadden ingediend, waarbij zij ook de gronden van dat verzoek niet kenbaar heeft gemaakt.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rustte op NPO geen rechtsplicht [eisers] te informeren als door hen bepleit en hiervoor omschreven, ook niet teneinde (de) andere leden van NPO, zoals [eisers] , in de gelegenheid te stellen zich te voegen dan wel tussen te komen.
4.12.
De stelling van [eisers] dat NPO, indien het bestuur al bevoegd was tot het sluiten van de akte van compromis, gehandeld heeft in strijd met de redelijkheid en billijkheid jegens haar overige leden, gaat op grond van hetgeen is overwogen in r.o. 4.8-4.11, evenmin op.
Motivering arbitraal vonnis
4.13.
Voor zover [eisers] hebben bedoeld te stellen dat het arbitraal vonnis moet worden geschorst omdat dit niet met redenen is omkleed en aldus onvoldoende is gemotiveerd, geldt dat het ISR in verband met de spoedeisendheid van de zaak een verkort vonnis, zijnde een zogenaamd kop-staartvonnis, heeft gewezen. Inherent aan een kop-staartvonnis is dat de motivering waarop de daarin genomen beslissing steunt later nog zal volgen. In onderhavig geval wordt deze onderbouwing begin januari 2026 verwacht. Weliswaar is er nu nog geen onderbouwing, maar bij een kop-staartvonnis kan op voorhand niet worden gezegd dat dit onvoldoende is onderbouwd en zeker niet dat dit daarom moet worden geschorst.
Slotsom
4.14.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet is gebleken dat NPO zo onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [eisers] , dan wel dat aan het arbitraal vonnis dusdanige gebreken kleven, dat tenuitvoerlegging daarvan onrechtmatig zou zijn jegens [eisers] in de zin van artikel 6:162 BW. Om die reden worden de primaire en subsidiaire vordering afgewezen.
4.15.
Bij intrekking van hun vordering onder I. hebben [eisers] nog betoogd dat, nu NPO vrijwillig gehoor daaraan heeft gegeven, dit invloed dient te hebben op de proceskostenveroordeling. Echter, [eisers] worden verder in het ongelijk gesteld. Daarom moeten [eisers] de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NPO worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,00
4.16.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025. De feiten en de motivering waarop de beslissing steunt, zijn afzonderlijk vastgelegd op 5 januari 2025.
In verband met afwezigheid van mr. O. Nijhuis, is dit vonnis ondertekend door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen.