Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4966

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
880193-19
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging terbeschikkingstelling met voorwaarden met één jaar wegens voortzetting klinische behandeling

Betrokkene is in april 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met voorwaarden vanwege poging tot doodslag. De maatregel is sindsdien meerdere malen verlengd. Na een periode van klinische behandeling en een tijdelijke overbrugging bij zijn moeder, werd betrokkene in november 2024 aangehouden op verdenking van nieuwe strafbare feiten, waarvoor hij later werd vrijgesproken.

De rechtbank heeft de terbeschikkingstelling met voorwaarden voortgezet en benadrukt het belang van een spoedige heropname in een klinische setting. Betrokkene bevindt zich momenteel in de intakefase van een nieuwe klinische behandeling met onder meer SoVa-training en schematherapie. De deskundige en reclassering adviseren verlenging van de maatregel, waarbij de reclassering twee jaar aanbeveelt en de psycholoog één jaar.

De rechtbank weegt dat betrokkene klinisch uitbehandeld lijkt en dat ambulante behandeling met toezicht noodzakelijk is om recidive te voorkomen. Gezien het belang van het zorgvuldig vormgeven van het vervolgtraject en het behouden van motivatie, besluit de rechtbank de terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen. Dit biedt een extra toetsmoment en stimuleert voortvarendheid in het klinische traject.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de terbeschikkingstelling met voorwaarden met één jaar om de voortzetting van de klinische behandeling en het vervolgtraject zorgvuldig te kunnen volgen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/880193-19
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Beslissingvan de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 6:6:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],
verblijvende in de Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) [kliniek], (hierna: de kliniek).
Raadsman: mr. M.A. Prins, advocaat te Utrecht.

Procedure

Betrokkene is op 29 april 2022 bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden en terbeschikkingstelling met voorwaarden. Deze maatregel is ingegaan op 29 april 2022. Bij beslissing van deze rechtbank van 10 mei 2024 is de terbeschikkingstelling met één jaar verlengd.
Op 25 november 2024 is betrokkene aangehouden op verdenking van het plegen van nieuwe strafbare feiten en hij heeft daarvoor in voorlopige hechtenis gezeten van 26 november 2024 tot 24 november 2025.
Bij beslissing van 14 maart 2025 van deze rechtbank is de vordering tot omzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden naar terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege toegewezen. Tegen deze beslissing heeft betrokkene hoger beroep ingesteld. Bij tussenbeslissing van 7 augustus 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beslissing aangehouden om de uitspraak in de nieuwe strafzaak af te wachten. Op 3 december 2025 heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de strafzaak en is betrokkene vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Bij beslissing van 24 december 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beslissing van de rechtbank van 14 maart 2025 vernietigd en de vordering tot omzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden naar terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege afgewezen.
Bij vordering van 27 maart 2026, ingekomen op diezelfde datum, heeft de officier van justitie gevorderd dat de maatregel wordt verlengd voor de duur van twee jaren.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de volgende processtukken:
  • het adviesrapport van de reclassering van 19 februari 2026, waarin wordt geadviseerd de terbeschikkingstelling met voorwaarden te verlengen met twee jaren;
  • de voortgangsverslagen;
  • het advies van psycholoog P.E. Geurkink, van 26 mei 2026, waarin wordt geadviseerd de terbeschikkingstelling met voorwaarden te verlengen met een jaar.
Ter zitting van 29 mei 2026 zijn gehoord:
  • betrokkene;
  • zijn raadsman;
  • de deskundige, de heer V.A. Buwalda, reclasseringswerker; en
  • de officier van justitie, mr. J. van der Linden.

De standpunten

De officier van justitie heeft ter zitting de vordering gewijzigd en verlenging van de maatregel met een termijn van één jaar gevorderd. Zij acht het van belang dat kritisch wordt gekeken hoe het vervolgtraject van betrokkene eruit gaat zien, met name omdat betrokkene al klinisch behandeld is. Door verlenging met één jaar kan er een vinger aan de pols worden gehouden.
De raadsman van betrokkene heeft gepleit voor een beperking van de verlenging tot één jaar, zodat betrokkene een stip op de horizon heeft en hij gemotiveerd blijft mee te werken aan zijn behandeling. Daarnaast zorgt dit ervoor dat er meer tijdsdruk is, waardoor het klinische traject mogelijk voortvarend kan verlopen.

De beoordeling

Indexdelict
De terbeschikkingstelling is onder meer opgelegd vanwege het misdrijf poging tot doodslag (meermalen gepleegd). Dat betekent dat de maatregel is opgelegd in verband met een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar veroorzaakte voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Stoornis
Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat bij betrokkene sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis (licht van ernst en in remissie onder gereguleerde omstandigheden).
De stoornissen zijn nog altijd aanwezig.
Verloop van de maatregel
Uit de processtukken blijkt dat de klinische behandeling van betrokkene binnen de FPK en de FPA Fivoor grotendeels goed verliep en hij zich goed inzette. Er is vervolgens gezocht naar een passende vervolgplek en dit werd Humane Zorg in [plaats]. Omdat betrokkene niet direct bij Humane Zorg kon worden geplaatst vanwege de wachtlijst, en omdat het behandelplafond binnen de kliniek was bereikt, kreeg betrokkene toestemming om ter overbrugging een periode bij zijn moeder te wonen. Dit werd door zowel de kliniek als de reclassering passend en verantwoord geacht. Hij heeft daarom in 2024 een periode bij zijn moeder gewoond en op 5 augustus 2024 is hij naar Humane Zorg in [plaats] verhuisd. De periode bij zijn moeder en de verhuizing leken goed verlopen te zijn, maar betrokkene werd vervolgens in november 2024 aangehouden op verdenking van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Hij zat vervolgens tot eind november 2025 in voorarrest, waardoor de termijn van de terbeschikkingstelling werd opgeschort.
Uiteindelijk is betrokkene in december 2025 vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Het gerechtshof heeft, mede gelet op de vrijspraak, beslist dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden gecontinueerd moest worden en heeft de vordering tot het alsnog geven van een bevel tot verpleging van overheidswege afgewezen. Het hof heeft in diezelfde beslissing aangegeven dat het van belang is dat betrokkene op korte termijn weer klinisch wordt opgenomen. De reclasseringsbegeleiding is na deze beslissing hervat. De reclassering had betrokkene al voor deze uitspraak aangemeld voor een (herhaalde) klinische opname bij FPK [kliniek]. Betrokkene is op 16 maart 2026 verhuisd naar de FPK [kliniek]. Daarvoor verbleef hij sinds zijn vrijlating weer bij zijn moeder.
Betrokkene heeft ter zitting toegelicht dat hij in de kliniek nog in de intakefase zit. Hij heeft een gesprek gehad over wat hij moet gaan volgen, en daar is uitgekomen dat hij een SoVa- training en schematherapie gaat volgen. Hij is daar nog niet mee gestart. Verder moet hij nog verschillende behandelmodules volgen, maar hij heeft daarbij toegelicht dat hij dit al gedaan heeft tijdens de eerdere klinische behandeling.
De deskundige heeft ter terechtzitting verklaard dat hij half april kennis heeft gemaakt met betrokkene en zij inmiddels drie gesprekken hebben gehad. De gesprekken zijn op dit moment gericht op het weghalen van de weerstand bij betrokkene en uitzoeken of betrokkene gaat meewerken aan de behandeling. De deskundige heeft verder toegelicht dat de vorige reclasseringswerker het verlengingsadvies heeft opgesteld en verlenging met twee jaar heeft geadviseerd omdat het traject van betrokkene weer gefaseerd zal gaan worden richting een begeleide woonvorm. Deze fasering zal niet gestart en beëindigd kunnen worden binnen één jaar. De deskundige sluit zich aan bij dit advies, maar geeft ook aan dat verlenging met één jaar zorgt voor een extra toetsmoment en de motivatie van betrokkene kan behouden. De deskundige heeft nog niet inhoudelijk met de hoofdbehandelaar van betrokkene in de kliniek gesproken, maar is wel van plan een dergelijk gesprek binnenkort in te plannen. Dan zou aan de orde kunnen komen of er voor betrokkene, die al een klinisch traject achter de rug heeft, meer maatwerk kan worden geleverd.
Recidivegevaar
Het recidiverisico wordt door de reclassering in een gestructureerde setting (zoals detentie of klinisch verblijf) als matig ingeschat. Uit zorg zou dit risico weer kunnen oplopen naar hoog, waarbij het wegvallen van de structuur, het forse delictverleden, het wegvallen van een gerichte dagbesteding en behandeling hier dan een rol in zouden kunnen hebben.
De psycholoog stelt dat het recidiverisico nu laag is, ook wanneer betrokkene nu buiten de kliniek met ambulante behandeling en toezicht zou moeten functioneren. Dit blijkt uit de periode na zijn detentie. Uit zorg kan het recidiverisico onder ongunstige omstandigheden oplopen naar hoog.
Hieruit blijkt dat de kans op herhaling bij onmiddellijke beëindiging van de terbeschikkingstelling nog aanwezig is.
Conclusie
Uit de adviezen blijkt dat de risicobepalende stoornissen nog aanwezig zijn en dat het recidiverisico kan oplopen naar hoog bij directe beëindiging van de maatregel. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel eist.
De vraag is vervolgens of de terbeschikkingstelling met één of twee jaar moet worden verlengd. De rechtbank stelt vast dat het traject van betrokkene op zichzelf goed verliep tot hij in november 2024 werd aangehouden. Na zijn aanhouding is er veel gebeurd en heeft het hof het belang benadrukt dat betrokkene op korte termijn wederom klinisch moest worden opgenomen. De psycholoog heeft in zijn advies echter beschreven dat betrokkene heeft geprofiteerd van de eerdere klinische behandeling in de FPK en de FPA van Fivoor en klinisch uitbehandeld leek. De psycholoog stelt dan ook dat betrokkene ambulant (met begeleiding en toezicht) moet laten zien dat hij duurzaam de goede keuzes kan maken om daarmee de kans op recidive blijvend laag te houden. De psycholoog stelt dat om die reden klinische behandeling niet meer echt nodig lijkt en heeft geadviseerd de klinische periode zo kort mogelijk te houden en te streven naar een situatie zoals van voor de aanhouding, waarin betrokkene werkte, begeleid woonde, ambulante behandeling kreeg via een polikliniek en toezicht kreeg vanuit de reclassering.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er in deze zaak aanleiding bestaat om nauwkeurig te volgen hoe (en voor hoe lang) de klinische behandeling wordt voortgezet en of er op een zorgvuldige wijze een passend vervolgtraject voor betrokkene wordt vormgegeven. De rechtbank zal de maatregel daarom met één jaar verlengen. Deze beslissing biedt de rechtbank de mogelijkheid om over een jaar te bezien wat de stand van zaken is. De rechtbank merkt daarbij op dat de kliniek voortvarend aan de slag moet met het klinische traject van betrokkene en in dit geval mogelijk maatwerk zal moeten leveren. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de overwegingen en aanbevelingen over de (klinische) behandeling uit het psychologisch rapport hierin serieus zullen worden meegenomen.

De beslissing

De rechtbank:
verlengtde termijn van de terbeschikkingstelling van
[betrokkene]met
één jaar.
Deze beslissing is gegeven door mr. W. Bruins, als voorzitter, mr. M.E. Snijders en mr. J.M. Breimer, als rechters in tegenwoordigheid van mr. S.I. Nelissen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juni 2026.
mr. W. Bruins is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.