ECLI:NL:RBGEL:2026:4946

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
012811-26
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging, bedreiging en doxing met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank Gelderland heeft op 22 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan belaging (stalking) van twee slachtoffers, bedreiging en het verspreiden van persoonsgegevens (doxing) van één van deze slachtoffers. De feiten vonden plaats tussen september 2025 en januari 2026 in Putten, Woudenberg en Harderwijk. Verdachte heeft onder meer duizenden keren telefonisch contact gezocht, nepprofielen aangemaakt, pakketjes besteld op naam van het slachtoffer en dreigende berichten gestuurd.

De rechtbank achtte de bewezenverklaring op basis van diverse processen-verbaal, verhoren en digitale bewijzen. Verdachte heeft bekend en de inhoud van de berichten en gedragingen tonen aan dat hij de slachtoffers vrees heeft willen aanjagen. De bedreiging met een vuurwapen via sociale media is eveneens bewezen verklaard, terwijl een andere bedreiging werd vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van redelijke vrees.

De rechtbank legde een taakstraf van 240 uur op, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling en een locatieverbod met elektronische monitoring. Daarnaast werd een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd met een contactverbod en gebiedsverbod voor 5 jaar, met vervangende hechtenis bij overtreding. Verdachte moet schadevergoedingen betalen aan beide slachtoffers, respectievelijk €4.000 en €1.500, vermeerderd met wettelijke rente.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op de slachtoffers, de kwetsbare positie van verdachte en het advies van de reclassering. De verbeurdverklaring van telefoons en laptop die bij de feiten zijn gebruikt werd eveneens uitgesproken. De straf en maatregelen zijn bedoeld om herhaling te voorkomen en de slachtoffers te beschermen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, een contact- en gebiedsverbod van 5 jaar en moet schadevergoedingen betalen aan de slachtoffers.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.012811.26
Datum uitspraak : 22 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1997 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1], [postcode 1] in [woonplaats 1].
Raadsman: mr. M.J. van den Hoonaard, advocaat in Baarn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 juni 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 september 2025 tot en met 23
februari 2026 te Putten en/of Woudenberg, althans in Nederland
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 1],
door:
- met één of meerdere telefoonnummers en/of één of meerdere social media-accounts die [aangever 1]
(veelvuldig) berichten te sturen en/of
- met één of meerdere telefoonnummers die [aangever 1] te bellen en/of
- één of meerdere pakketjes op naam en adres van die [aangever 1] te bestellen en te laten bezorgen
en/of
- één of meerdere social media-accounts aan te maken op naam van die [aangever 1] en/of
- die [aangever 1] via één of meerdere social media-accounts vriendschapsverzoeken te sturen en/of
- met één of meerdere telefoonnummers en/of één of meerdere social media-accounts vrienden
en/of familie van die [aangever 1] te benaderen en/of derden over die [aangever 1] te benaderen en/of
- zich meermalen rondom de woning van die [aangever 1] te begeven en/of op te houden,
met het oogmerk die [aangever 1], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te
jagen;
2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 oktober 2025 tot en met 5 januari
2026 te Harderwijk en/of Woudenberg, althans in Nederland
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 2],
door:
- die [aangever 2] via één of meerdere social media-accounts berichten te sturen en/of een reactie te
plaatsen onder een of meerdere zogenaamde ‘post(s)’ van die [aangever 2] en/of
- die [aangever 2] via één of meerdere social media-accounts vriendschapsverzoeken te sturen en/of met één of meerdere telefoonnummers die [aangever 2] (veelvuldig) te bellen en/of
met het oogmerk die [aangever 2], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te
jagen;
3
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 november 2025 tot en met 5
januari 2026 te Putten en/of Woudenberg, althans in Nederland,
een of meer persoonsgegevens, te weten
adressen, telefoonnummers, namen en/of foto's van een ander, te weten [aangever 1]
zich heeft verschaft, heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld,
met het oogmerk om die [aangever 1] vrees aan te (laten)jagen en/of ernstige overlast aan te (laten)
doen;
4
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 december 2025 tot en met 2
januari 2026 te Harderwijk en/of Woudenberg althans in Nederland
[aangever 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [aangever 2] in een bericht op TikTok, althans via sociale media, dreigend de woorden toe te
voegen
- " thank you, call te police, I want to be in jail, after that i will hunt somebody down", althans
woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- " test me", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
(daarbij) een afbeelding van een (vuur)wapen naar die [aangever 2] te sturen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Feit 1
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1], p. 15-39;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1], p. 54-85;
- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 312-319.
- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 11-13.
Verdachte is in een periode van bijna zes maanden veelvuldig contact blijven zoeken met aangeefster [aangever 1], zowel telefonisch als online, ondanks dat zij al op 16 september 2026 tegen verdachte had gezegd dat ze geen contact meer met hem wilde. Hij is twee keer bij de woning van aangeefster geweest, terwijl zij hem nooit haar adres heeft gegeven. Verdachte is contact blijven zoeken na een stop-gesprek bij de politie. Verdachte heeft haar daarna in vier maanden tijd meer dan 3244 keer (anoniem) gebeld op haar privé-, werk- en huistelefoon. Hij maakte tientallen nepprofielen aan op sociale media, onder andere op haar naam, en viel daarmee haar en haar omgeving lastig. Verdachte heeft aangeefster tijdens zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis weer gebeld, in strijd met het in de schorsingsvoorwaarden opgenomen contactverbod. Ten slotte heeft hij online pakketjes besteld op haar naam en adres. Gelet op het voorgaande, de aard en de frequentie van deze gedragingen, heeft verdachte wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
Hij heeft aangeefster feitelijk gedwongen om te dulden dat hij contact met haar opnam en inbreuk maakte op haar persoonlijke levenssfeer, omdat hij door is gegaan met deze gedragingen terwijl hem verschillende keren duidelijk is gemaakt dat hij daarmee moest stoppen. Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij niet de bedoeling heeft gehad om aangeefster angst aan te jagen, acht de rechtbank dat op basis van de inhoud van de volgende berichten die hij haar heeft gestuurd wel bewezen:
- Kankerdikzak dat je er rondloopt. Denkbaar je bent veilig. Totdat ik voor je neus sta dan ga
je anders praten hoerenkind [2]
- Succes met je kankerleven over me dode lijk dat ik het ga loslaten
3 jaar en dan ben ik terug om er een einde aan te maken. [3]
- Blokkeer maar dan kom ik wel naar je huis [adres 2] (
dit is het adres van aangeefster, toevoeging rechtbank)
Doe maar lekker aangiften er staat 3 jaar voor dan komen we los [4]
- Remember they can't lock me up until dead one day I will be free I coming for you alone. [5]
Verdachte geeft in deze berichten op dreigende toon aan dat hij aangeefster op zal zoeken, ook als zij aangifte gaat doen en suggereert dat ze niet veilig is als hij voor haar neus staat, ondanks dat aangeefster hem heeft geblokkeerd, niet op hem reageert en aan verdachte heeft aangegeven dat ze geen contact wil. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte heeft bedoeld om aangeefster vrees aan te jagen.
De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2], p. 97-114;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 119;
- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 309, 318-319.
Verdachte heeft in een periode van drie maanden aangeefster [aangever 2], een vriendin van [aangever 1], zowel telefonisch als online lastig gevallen. Hij heeft haar tientallen keren (anoniem) gebeld en vriendschapsverzoeken en (vervelende) berichten vanaf nepaccounts op sociale media gestuurd. Gelet op de combinatie van deze gedragingen, de aard en de frequentie daarvan, heeft verdachte wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Verdachte heeft verklaard dat hij dit heeft gedaan om [aangever 1] te irriteren, omdat [aangever 1] niet op hem reageerde. Daarmee heeft verdachte echter feitelijk aangeefster [aangever 2] gedwongen om te dulden dat hij contact met haar opnam en inbreuk maakte op haar persoonlijke levenssfeer. Daarnaast heeft verdachte in ieder geval één bedreigend bericht naar [aangever 2] gestuurd: 'test me', gevolgd door een afbeelding van een vuurwapen (zoals ook volgt uit de bewezenverklaring onder feit 4). Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat verdachte hiermee heeft bedoeld [aangever 2] vrees aan te jagen.
De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1], p. 54-55;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 120;
- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 309, p. 316-319.
Verdachte heeft accounts op sociale media aangemaakt op naam van aangeefster [aangever 1]. Daarop heeft hij haar privé-, werk en thuistelefoonnummers, haar adres en (bewerkte) foto’s van haar geplaatst. Daarnaast heeft hij veelvuldig haar adres en telefoonnummers gedeeld in reacties onder TikTok posts. Hij heeft dus veelvuldig en doelgericht privégegevens van aangeefster openbaar op internet gedeeld. Verdachte heeft verklaard dat hij dit deed om hem het gevoel te geven dat ze toch met hem bezig was, omdat ze aan verdachte zou denken als ze de berichten zag. De rechtbank vindt de verklaring van verdachte niet geloofwaardig, omdat hij – om dit doel te bereiken – niet haar persoonsgegevens had hoeven delen. Derden kunnen met die gegevens aan de haal, wat kan leiden tot ernstige overlast, zowel online als fysiek. Dit kan redelijkerwijs leiden tot angst bij aangeefster. Gelet op de doelgerichtheid en de frequentie van het delen van haar persoonsgegevens, kan het niet anders dan dat verdachte zich dit bij het plaatsen van de gegevens op internet heeft beseft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om die [aangever 1] vrees aan te (laten) jagen en ernstige overlast aan te (laten) doen.
De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde doxing.
Feit 4
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [aangever 2].
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken voor dit feit. In de berichten wordt niet gedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling. De berichten bevatten dan ook te weinig om ernstige vrees daarvoor bij [aangever 2] te hebben kunnen ontstaan.
Beoordeling door de rechtbank
Uit de aangifte van [aangever 2] blijkt dat zij de volgende berichten heeft ontvangen via TikTok:
- 'test me', gevolgd door een afbeelding van een vuurwapen, op 2 januari 2026; [6]
- ‘ Thank you. Call the police. i want to be in jail. After that i will hunt somebody down.’ op 31 december 2025.
Van dit eerste bericht heeft zij een screenshot gemaakt die bij de aangifte zit. Zij heeft deze berichten ontvangen van iemand die zichzelf [naam] noemt. [7] Verdachte heeft verklaard dat hij contact met [aangever 2] op TikTok zocht onder de naam [naam]. [8] Verder is dezelfde foto van het vuurwapen die naar [aangever 2] is gestuurd, aangetroffen op de telefoon van verdachte. [9]
De rechtbank acht op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die de tenlastegelegde berichten naar [aangever 2] heeft gestuurd. Verdachte heeft bekend dat hij contact met [aangever 2] zocht via TikTok onder de naam [naam]. De berichten zijn gestuurd door een TikTok account met de naam [naam]. Verder is de foto van het vuurwapen aangetroffen op de telefoon van verdachte.
Voor de bewezenverklaring van een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, moet bij de bedreigde de redelijke vrees kunnen zijn ontstaan voor het misdrijf waarmee is gedreigd. Naar het oordeel van de rechtbank is daar voor wat betreft het tweede bericht sprake van. Het sturen van de woorden ‘test me’, gevolgd door een foto van een vuurwapen, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden opgevat dan dat verdachte [aangever 2] met de dood heeft bedreigd. Dat is naar het oordeel van de rechtbank anders voor wat betreft het eerste bericht. Daarin heeft verdachte (naar het Nederlands vertaald) naar [aangever 2] geschreven dat hij ‘op iemand gaat jagen’. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit niet dat verdachte op [aangever 2] zou gaan jagen. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit de context van de belaging van [aangever 2] (onder feit 2), te meer omdat die belaging op afstand plaatsvond (via de telefoon en online) en niet fysiek. Er kan bij haar daarom geen redelijke vrees zijn ontstaan dat verdachte op haar zou gaan jagen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit bericht, dat ten laste is gelegd onder het eerste gedachtestreepje.
De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging onder het tweede gedachtestreepje.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij
op één of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 14 september 2025 tot en met 23
februari 2026 te Putten en
/ofWoudenberg
, althans in Nederland
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 1],
door:
- met
één ofmeerdere telefoonnummers en
/of één ofmeerdere social media-accounts die [aangever 1]
(veelvuldig
)berichten te sturen en
/of
- met
één ofmeerdere telefoonnummers die [aangever 1] te bellen en
/of
-
één ofmeerdere pakketjes op naam en adres van die [aangever 1] te bestellen en te laten bezorgen
en
/of
-
één ofmeerdere social media-accounts aan te maken op naam van die [aangever 1] en
/of
- die [aangever 1] via
één ofmeerdere social media-accounts vriendschapsverzoeken te sturen en
/of
- met
één ofmeerdere telefoonnummers en
/of één ofmeerdere social media-accounts vrienden
en
/offamilie van die [aangever 1] te benaderen en
/ofderden over die [aangever 1] te benaderen en
/of
- zich meermalen rondom de woning van die [aangever 1] te begeven en
/ofop te houden,
met het oogmerk die [aangever 1]
,te dwingen iets
te doen, niet te doen,te dulden en
/ofvrees aan te
jagen;
2
hij
op één of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 5 oktober 2025 tot en met 5 januari
2026 te Harderwijk en
/ofWoudenberg
, althans in Nederland
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 2],
door:
- die [aangever 2] via
één ofmeerdere social media-accounts berichten te sturen en
/ofeen reactie te
plaatsen onder
een ofmeerdere zogenaamde ‘post
(s
)’ van die [aangever 2] en
/of
- die [aangever 2] via
één ofmeerdere social media-accounts vriendschapsverzoeken te sturen en
/ofmet
één ofmeerdere telefoonnummers die [aangever 2]
(veelvuldig)te bellen en
/of
met het oogmerk die [aangever 2]
,te dwingen iets
te doen, niet te doen,te dulden en
/ofvrees aan te
jagen;
3.
hij op
één ofmeer tijdstippen in
of omstreeksde periode van 20 november 2025 tot en met 5
januari 2026 te
Putten en/ofWoudenberg
, althans in Nederland,
een of meerpersoonsgegevens, te weten
adres
sen, telefoonnummers, namen en
/offoto's van een ander, te weten [aangever 1]
zich heeft verschaft, heeft verspreid en
/ofanderszins ter beschikking heeft gesteld,
met het oogmerk om die [aangever 1] vrees aan te (laten) jagen en
/ofernstige overlast aan te (laten)
doen;
4.
hij op
één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 december 2025 tot en met2
januari 2026 te
Harderwijk en/ofWoudenberg
althans in Nederland
[aangever 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling,
door die [aangever 2] in een bericht op TikTok
, althans via sociale media,dreigend de woorden toe te
voegen
- "thank you, call te police, I want to be in jail, after that i will hunt somebody down", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- " test me"
, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,en
/of
(daarbij
)een afbeelding van een
(vuur
)wapen naar die [aangever 2] te sturen;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
belaging
feit 3:
het verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen dan wel aan te laten jagen, ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen
en de eendaadse samenloop van
feit 2:
belaging
en
feit 4:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van drie jaar. Zij heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd: een meldplicht, een locatieverbod voor de gemeente Putten (met elektronisch toezicht) en het meewerken aan ambulante behandeling, ambulante begeleiding en middelencontrole. Zij vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende een locatieverbod voor de gemeente Putten en een contactverbod met betrekking tot [aangever 1] en [aangever 2], voor de duur van 5 jaar, wordt opgelegd. Verder is verzocht om te bepalen dat per overtreding een hechtenis van twee weken wordt opgelegd, met een maximum van zes maanden. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel zal bevelen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij de strafoplegging rekening wordt gehouden met de kwetsbare positie van verdachte. Uit het reclasseringsrapport volgt dat mogelijk sprake is van een lichtverstandelijke beperking en dat hij snel overvraagd is. De door de officier van justitie gevorderde taakstraf van 240 uur acht de verdediging daarom aan de hoge kant. De ernstige vrees voor herhaling moet worden genuanceerd, gelet op het feit dat verdachte het al enkele maanden goed doet terwijl er nog geen behandeling van de grond is gekomen vanwege de wachtlijst. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van een jonge vrouw die hij enkele maanden kende via een online datingapp. Hij heeft haar veelvuldig gebeld met meerdere telefoonnummers, veelal anoniem en ’s nachts. Daarnaast heeft hij haar en haar omgeving via nepprofielen op sociale media benaderd, waaronder nepprofielen van het slachtoffer zelf waarop verdachte bewerkte foto’s van het slachtoffer plaatste. Hij is langs het huis van het slachtoffer gereden en heeft pakketjes op haar naam en adres besteld, waarvan zij de rekening ontving. Daarnaast heeft hij veelvuldig haar telefoonnummers en adres op sociale media gedeeld, in de bio’s van door hem gemaakte nepprofielen van het slachtoffer en in reacties onder posts. Ook na twee (stop-)gesprekken bij de politie is verdachte doorgegaan met het stalken en de doxing van het slachtoffer. Zelfs nadat hij was geschorst uit de voorlopige hechtenis, heeft hij het slachtoffer weer gebeld.
Daarnaast heeft verdachte ook een goede vriendin van het slachtoffer belaagd. Hij heeft haar (anoniem) gebeld en via verschillende nepaccounts op sociale media benaderd en (be)dreigende berichten gestuurd.
Belaging is niet alleen zeer hinderlijk, het tast ook het gevoel van veiligheid van de slachtoffers aan. Uit de slachtofferverklaringen blijkt dat zij dat ook zo hebben ervaren. Slachtoffer [aangever 1] heeft aangegeven dat zij nog altijd last heeft van een onveilig gevoel en dat zij zich niet vrij voelt om in het dagelijkse leven zonder nadenken overal naartoe te gaan. Ook slachtoffer [aangever 2] voelde zich niet meer veilig en heeft nog steeds een gevoel van onrust.
De persoon van verdachte
Verdachte is op 5 maart 2026 (voor de tweede keer) geschorst uit de voorlopige hechtenis onder bijzondere voorwaarden, waaronder een locatieverbod met elektronische monitoring. Het is sindsdien gestopt. De reclassering ziet aanwijzingen voor een licht verstandelijke beperking en sluit psychische problematiek niet uit. Verdachte heeft een cannabisverslaving en greep naar alcohol als er geen cannabis voorhanden was. De reclassering ziet een relatie tussen het drinken van alcohol en de feiten. Verdachte staat op een wachtlijst voor behandeling.
De reclassering schat het risico op recidive in als hoog, en het risico op geweld op gemiddeld tot hoog. De reclassering ziet overeenkomsten tussen een strafbeschikking voor bedreiging van een ex-partner uit 2022 en de in de onderhavige zaak tenlastegelegde feiten. Het psychosociaal functioneren en alcoholgebruik van verdachte zien zij als risicofactoren.
De reclassering adviseert een plan van aanpak in de vorm van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Als bijzondere voorwaarden adviseert zij een meldplicht bij de reclassering, het meewerken aan ambulante behandeling, ambulante begeleiding en middelencontrole en een locatieverbod met elektronische monitoring. De reclassering adviseert geen alcohol- en drugsverbod, zodat verdachte niet overvraagd wordt en de kans van slagen van de behandeling voor belaging wordt vergroot. De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht, vanwege de hoge kans op een misdrijf met schade voor personen. Daarnaast adviseert de reclassering een dadelijk uitvoerbaar gebiedsverbod voor Putten en contactverbod ten aanzien van [aangever 1] en [aangever 2] op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van vijf jaren aan verdachte op te leggen.
De rechtbank acht het van belang dat verdachte zijn emoties en gedrag onder controle krijgt en dat herhaling wordt voorkomen. Tegelijkertijd is een forse onvoorwaardelijke straf, gelet op de aard en de ernst van de feiten, op zijn plaats.
Alles overziend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal daarom een taakstraf voor de duur van 240 uur opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van drie jaren. Daaraan zal de rechtbank de voorwaarden verbinden die de reclassering heeft geadviseerd: een meldplicht, het meewerken aan ambulante behandeling, ambulante begeleiding en middelencontrole, en een locatieverbod met elektronische monitoring. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, gelet op het feit dat niet aan de eisen voor dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden is voldaan. Verdachte heeft namelijk geen misdrijf begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal het geschorste bevel gevangenhouding laten doorlopen gelet op het hoge recidiverisico, zodat de schorsingsvoorwaarden, waaronder het locatieverbod met elektronische monitoring, van kracht blijven zo lang het onderhavige vonnis niet onherroepelijk is. De rechtbank zal bepalen dat de elektronische monitoring van het locatieverbod vanaf het onherroepelijk worden van het vonnis maximaal zes maanden mag duren, gelet op de vrijheidsbeperking die daarmee gepaard gaat.
Ten slotte zal de rechtbank ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel zal inhouden een contactverbod met [aangever 1] en [aangever 2] en een locatieverbod voor de plaats Putten, beiden voor de duur van vijf jaar. De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt twee weken per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden voor beide verboden samen, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op. De rechtbank zal bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat de reclassering de kans op herhaling inschat als hoog. De rechtbank acht het van belang dat het locatieverbod als bijzondere voorwaarde én als 38v-maatregel wordt opgelegd. Aan de bijzondere voorwaarde is de elektronische monitoring gekoppeld, terwijl de 38-v maatregel als vangnet kan dienen mochten de bijzondere voorwaarden worden overtreden en daardoor komen te vervallen.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

[aangever 1]
De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met feit 1en feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente vanaf de begindatum van de pleegperiode, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd. De belaging valt niet onder de categorie ‘meest ernstig’ zoals omschreven in de Rotterdamse schaal. Het moet dan meestal gaan om periodes langer dan een jaar, daar is in dit geval geen sprake van. Verder valt de aard en de ernst van deze belaging ook niet in de omschrijving van de categorie ‘meest ernstig’: er is immers geen sprake van achtervolging, het ophouden rondom de woning en het betreden van de woning.
Overweging van de rechtbank
Het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen ontstaat, gelet op artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek, onder meer in geval van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door de bewezenverklaarde belaging op andere wijze in de persoon is aangetast. De aard en ernst van de normschendingbrengen in dit geval namelijk met zich dat de gestelde nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheden van het geval, die onder meer inhouden dat sprake is van langdurige en intensieve belaging die heeft geleid tot een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke vrijheid van de benadeelde partij waardoor zij het vertrouwen in anderen is verloren. Benadeelde is bijna zes maanden door verdachte belaagd, doordat hij haar veelvuldig berichten stuurde en belde, meermalen pakketjes liet bezorgen, bij haar langsreed, nepaccounts onder haar naam aanmaakte en haar familie en vrienden benaderde. Verdachte heeft meerdere dreigende berichten gestuurd waarbij hij suggereerde benadeelde iets aan te zullen doen. Daarnaast heeft hij haar adres en telefoonnummer meermalen op internet geplaatst en heeft hij foto’s van benadeelde bewerkt waarmee ze werd geconfronteerd. De rechtbank overweegt dat de benadeelde dit alles als zeer beangstigend en bedreigend heeft ervaren, zoals ook blijkt uit haar slachtofferverklaring, en dat de impact van het handelen van de verdachte zo groot is geweest dat de benadeelde daar nog steeds last van heeft. Uit stukken van de huisarts blijkt dat benadeelde nog steeds kampt met paniek en angstklachten waarvoor zij is doorverwezen naar de praktijkondersteuner huisarts geestelijke gezondheidszorg.
Omdat er sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze, komt de daaruit voortvloeiende schade voor vergoeding door verdachte in aanmerking. De rechtbank zoekt wat betreft de hoogte van het schadebedrag aansluiting bij de categorie ‘(b) Ernstig’ in belagingszaken, zoals uitgewerkt in de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken plegen toe te wijzen, zal de rechtbank de hoogte van het schadebedrag op een bedrag van € 4.000,- vaststellen. Daarbij neemt de rechtbank mede de duur van de belaging (6 maanden), het gebruik van verschillende (communicatie)middelen, het doorgaan na het stop-gesprek en de gevolgen voor het slachtoffer in aanmerking. Het slachtoffer heeft toegelicht dat zij zich niet meer veilig voelt en angstklachten heeft ontwikkeld. Verdachte is vanaf 19 december 2025, het midden van de pleegperiode van feit 1, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank zal de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Als het toegewezen bedrag niet worden betaald, kunnen 40 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
[aangever 2]
De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met feit 2 en feit 4 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente vanaf de begindatum van de pleegperiode, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd. Vergeleken met de belaging die aangeefster [aangever 1] heeft ondergaan, is de belaging van [aangever 2] van een andere orde. Net zoals de vordering van [aangever 1] moet daarom ook de vordering van [aangever 2] worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
Het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen ontstaat, gelet op artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek, onder meer in geval van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door de bewezenverklaarde belaging op andere wijze in de persoon is aangetast. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval namelijk met zich dat de gestelde nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheden van het geval, die onder meer inhouden dat sprake is van belaging die heeft geleid tot een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer waardoor het vertrouwen van benadeelde in anderen is aangetast. Verdachte heeft benadeelde drie maanden telefonisch en online lastig gevallen. Daarnaast was sprake van bedreiging door onder een afbeelding van een vuurwapen te sturen. Dit soort feiten wordt als buitengewoon beangstigend en bedreigend ervaren. Daar komt bij dat niet alleen benadeelde zelf, maar ook een vriendin van benadeelde langdurig door verdachte is belaagd waarbij eveneens dreigende teksten werden geuit. Uit de slachtofferverklaring en de verklaring van de vriend van benadeelde blijkt dat de belaging en bedreiging invloed hebben gehad op het dagelijks leven van benadeelde. Benadeelde had slaapproblemen en de bewezenverklaarde feiten hebben een blijvend gevoel van onrust achtergelaten.
Omdat er sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze, komt de daaruit voortvloeiende schade voor vergoeding door verdachte in aanmerking. De rechtbank zoekt wat betreft de hoogte van het schadebedrag aansluiting bij de categorie ‘(a) Tamelijk ernstig’ in belagingszaken, zoals uitgewerkt in de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken plegen toe te wijzen, zal de rechtbank de hoogte van het schadebedrag op een bedrag van € 1.500,- vaststellen. Daarbij neemt de rechtbank mede de duur van de belaging (3 maanden), de frequentie van de belaging en de gevolgen voor het slachtoffer in aanmerking. Het slachtoffer heeft toegelicht dat zij zich niet meer veilig voelde en de belaging een blijvend gevoel van onrust bij haar heeft achtergelaten. Verdachte is vanaf 20 november 2025, het midden van de pleegperiode van feit 2, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank zal de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Als het toegewezen bedrag niet worden betaald, kunnen 15 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

9.De beoordeling van het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat de telefoons met goednummers PL0600-2025525616-G3642616 en PL0600-2025525616-G3615986 en de laptop met goednummer PL0600-2025525616-G3615992 verbeurd zullen worden verklaard, omdat met deze voorwerpen het strafbare feit is begaan. De raadsman heeft verzocht om teruggave van de telefoon aan verdachte. De verbeurdverklaring van deze goederen zou ertoe leiden dat hij deze spullen opnieuw moet aanschaffen, terwijl verdachte in een schuldentraject zit.
De rechtbank zal de hiervoor genoemde telefoons en laptop verbeurd verklaren, omdat met behulp daarvan de feiten zijn begaan of voorbereid. De rechtbank ziet in de financiële positie van verdachte geen aanleiding om deze straf niet op te leggen.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 55, 57, 285, 285b en 285d van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van drie maanden;
  • bepaalt dat
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 in Utrecht, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
  • verdachte zich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener zoals bijvoorbeeld FAZ Inforsa, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
  • verdachte meewerkt aan ambulante begeleiding door Humanitas/Homerun of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt;
  • verdachte zich gedurende de proeftijd niet in de gemeente Putten bevindt:
Verdachte werkt tot maximaal zes maanden vanaf de datum van onherroepelijk worden van dit vonnis mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. Verdachte gaat zolang er sprake is van elektronische monitoring niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat verdachte in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen. Verdachte is al aangesloten op elektronische monitoring;
- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles op alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bovenvermelde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 legt op een
taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

legt een vrijheidsbeperkende maatregel opgrond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende;
- een gebiedsverbod. Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende 5 jaren niet bevindt in Putten;
- een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 5 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met:
* [aangever 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1999, woonachtig aan de [adres 2], [postcode 2] in [woonplaats 2]; en
* [aangever 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1997, woonachtig aan het [adres 3], [postcode 3] in [woonplaats 3].
 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal voor beide verboden samen. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
 beveelt dat de maatregel
dadelijk uitvoerbaaris;
 verklaart verbeurd de voorwerpen met goednummers PL0600-2025525616-G3642616, PL0600-2025525616-G3615986 en PL0600-2025525616-G3615992;
 veroordeelt verdachte in verband met de feiten onder nummer 1 en 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 4.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [aangever 1] heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [aangever 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1], een bedrag te betalen van € 4.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 40 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 veroordeelt verdachte in verband met de feiten onder nummer 2 en 4 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 1.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [aangever 2] heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [aangever 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2], een bedrag te betalen van € 1.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 15 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. Kok (voorzitter), mr. M.G.E. ter Hart, en mr. A.T.G. van Wandelen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Hessel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost Gelderland (recherche team Veluwe-West), opgemaakte processen-verbaal, dossiernummers PL0600-2026004953 en PL0600-2026087660, gesloten op respectievelijk 13 februari 2026 en 24 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van de doorgenummerde dossiers, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 65.
3.Proces-verbaal van aangifte, p. 66.
4.Proces-verbaal van aangifte, p. 67.
5.Proces-verbaal van aangifte, p. 78.
6.Proces-verbaal van aangifte, p. 97-98 en p. 113-114.
7.Processen-verbaal van bevindingen, p. 120 en p. 281.
8.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 318.
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 277.