ECLI:NL:RBGEL:2026:493

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
11256273
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 RvArt. 6:96 lid 2 sub b BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vervangende schadevergoeding wegens wanprestatie bij verbouwing badkamer

In deze civiele bodemzaak vordert eiser in conventie betaling van vervangende schadevergoeding wegens wanprestatie bij de verbouwing van een badkamer en toilet. Na een tussenvonnis heeft eiser de herstelkosten nader onderbouwd met offertes, waarvan de kantonrechter slechts een deel als toereikend beoordeelt. De herstelkosten worden vastgesteld op € 5.059,01 inclusief een opslag voor besmet werk en prijsstijgingen.

Daarnaast wordt de waarde van het minderwerk vastgesteld op € 1.902,77. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van in totaal € 6.961,78 toe, vermeerderd met wettelijke rente. Ook worden buitengerechtelijke incassokosten en onderzoekskosten toegewezen. Gedaagde in reconventie vordert betaling van de laatste termijn van de aanneemsom en meerwerk, waarvan alleen de laatste termijn wordt toegewezen.

De kantonrechter verklaart dat gedaagde toerekenbaar tekort is geschoten en veroordeelt hem tot betaling van de genoemde bedragen, inclusief rente en proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van vervangende schadevergoeding van € 6.961,78, incassokosten, onderzoekskosten en proceskosten; eiser wordt veroordeeld tot betaling van laatste termijn aanneemsom en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 11256273 \ CV EXPL 24-2753
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiser in conv.] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conv.] ,
gemachtigde: mr. A.L. Bastin,
tegen
[gedaagde in conv.],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conv.] ,
gemachtigde: mr. A. Mulderij.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 mei 2025,
- de akte houdende onderbouwing vervangende schadevergoeding en eiswijziging,
- de antwoordakte,
- de akte - reactie producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

in conventie
2.1.
In het tussenvonnis van 28 mei 2025 (hierna: het tussenvonnis) is [eiser in conv.] in de gelegenheid gesteld om bij akte de hoogte van de herstelkosten te stellen, met een offerte te onderbouwen en desgewenst haar vordering te wijzigen. Ook is [eiser in conv.] in de gelegenheid gesteld om bij akte toe te lichten en met een offerte te onderbouwen wat de waarde is van het in rechtsoverweging 4.10. van het tussenvonnis genoemde minderwerk.
2.2.
[eiser in conv.] heeft na het gewezen tussenvonnis haar eis vermeerderd, in die zin dat zij – samengevat – tevens een verklaring voor recht vordert dat de waarde van het minderwerk € 1.902,77 bedraagt en zij betaling vordert van een totaalbedrag van € 17.435,30, dan wel € 18.988,55 als na 1 oktober 2025 vonnis wordt gewezen, vermeerderd met wettelijke rente.
2.3.
Vooropgesteld wordt dat het [eiser in conv.] op grond van artikel 130 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in elke stand van de procedure is toegestaan haar eis te vermeerderen, tenzij dat in strijd is met de eisen van een goede procesorde. [gedaagde in conv.] heeft aangevoerd dat deze strijdigheid zich hier voordoet omdat in deze fase van het geschil de kantonrechter al een oordeel heeft gegeven en uitsluitend bewijs voor de hoogte van de herstelkosten wenst te verkrijgen. [gedaagde in conv.] wordt niet in dit standpunt gevolgd. [eiser in conv.] is immers in het tussenvonnis juist in de gelegenheid gesteld de hoogte van de herstelkosten te stellen en te onderbouwen en desgewenst haar eis te wijzigen. [eiser in conv.] heeft daaraan gevolg gegeven. [gedaagde in conv.] heeft vervolgens de gelegenheid gekregen om bij akte op onder meer de eisvermeerdering te reageren. In het licht van deze omstandigheden valt niet in te zien waarom de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Bij de verdere beoordeling van het geschil zal daarom worden uitgegaan van de vermeerderde vordering van [eiser in conv.] .
2.4.
[eiser in conv.] heeft bij akte de hoogte van de herstelkosten van de in rechtsoverweging 4.11. van het tussenvonnis genoemde gebreken en niet uitgevoerde werkzaamheden gesteld op een bedrag van € 15.532,53, welk bedrag volgens [eiser in conv.] moet worden verhoogd met 10% als na 1 oktober 2025 vonnis wordt gewezen. Ter onderbouwing van dit onderdeel van de vordering heeft [eiser in conv.] twee offertes overgelegd, namelijk van [bedrijf] en van [bedrijf] . Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen deze offertes echter niet dienen als onderbouwing van de hoogte van de herstelkosten. Daarvoor is het volgende redengevend.
2.5.
In beide offertes zijn kosten begroot voor het verrichten van herstelwerkzaamheden die verder gaan dan het enkel herstellen van de in rechtsoverweging 4.11. van het tussenvonnis genoemde gebreken. Het gaat daarbij om werkzaamheden zoals het volledig demonteren van de vloer in het toilet en het opnieuw betegelen van het toilet met nieuwe tegels, het vernieuwen van het leidingwerk/de afvoeren in de badkamer, het opnieuw opbouwen van de koven en het volledig demonteren van het toiletruimte. Zoals hierna uit rechtsoverweging 2.7. zal blijken, komen niet alle geoffreerde kosten voor vergoeding in aanmerking. Aangezien in beide offertes de kosten niet, althans onvoldoende, zijn uitgesplitst en daarin alleen een vaste aanneemsom wordt genoemd, kan uit de offertes niet worden afgeleid welk deel van de kosten is begroot voor het deel van de werkzaamheden en materialen dat door [gedaagde in conv.] moet worden vergoed. Dit maakt dat voor het bepalen van de omvang van de herstelkosten niet kan worden aangesloten bij de door [bedrijf] en van [bedrijf] in de offertes genoemde aanneemsommen.
2.6.
[gedaagde in conv.] heeft bij antwoordakte drie offertes overgelegd, waaronder een offerte van 9 september 2025 van R-Design. In die offerte zijn de herstelwerkzaamheden en benodigde materialen voor onder meer de in rechtsoverweging 4.11. van het tussenvonnis genoemde gebreken/niet uitgevoerde werkzaamheden opgenomen en gespecificeerd met kosten. Dit komt neer op het volgende:
 Hertelkosten toiletruimte ad € 836,72 (incl. btw) voor het herstellen van:
- de te hoge plaatsing van de toiletpot,
- de niet strak en glad aangebrachte kitlaag aan de achterzijde van de toiletpot,
- de niet goed bevestigde toiletpot,
- de niet volledig op het tegelwerk aangesloten drukplaat,
- de niet aangebrachte deurdorpel in het toilet,
 Herstelkosten badkamer ad € 650,98, voor het herstellen van:
- de niet waterdicht gemonteerde kraan in de badkamer,
- het niet symmetrisch onder het wastafelblad aangebrachte badkamermeubel,
- de niet recht en waterpas aangebrachte douchecabine,
- de ontbrekende bevestigingspunten van de schuifdeuren van de douchecabine,
- het onjuist bevestigde doucherekje,
 Herstelkosten diverse reparaties ad € 413,82 (incl. btw), voor het herstellen van:
- de loshangende wandcontactdozen en wasmachinekraan in de badkamer,
- de niet aangesloten mechanische ventilatie in de badkamer,
- het niet gestukte plafond in de badkamer.
 Extra werkzaamheden ad € 1.966,25 (incl. btw), voor het:
- verwijderen van de badkamervloer,
- uitvlakken van de badkamervloer,
- betegelen van de badkamervloer,
- voegen en kitten van de badkamervloer.
2.7.
[eiser in conv.] heeft de hoogte van deze door R-Design begrote arbeidsuren en opgenomen materiaalkosten op zichzelf niet betwist. Zij heeft echter gesteld dat voor een aantal onderdelen volledige vernieuwing van diverse onderdelen van de badkamer en het toilet de enige mogelijkheid van herstel is en dat dit aanzienlijk meer kosten met zich brengt dan door R-Design is begroot. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij verwezen naar de toelichting van [bedrijf] en [bedrijf] bij de offertes. In beide offertes is vermeld de badkamervloer moet worden verwijderd omdat het afschot van de badkamervloer niet correct is en dat de vloer onder de douchecabine niet waterpas is terwijl dit wel nodig is om de douchecabine juist te installeren. Voorts blijkt uit de offerte dat de reeds gebruikte vloertegels niet meer leverbaar zijn en dat daarom de gehele badkamervloer moet worden verwijderd en moet worden betegeld. Daarnaast is in beide offertes vermeld dat als gevolg van een lekkage waterschade is ontstaan aan het wastafelmeubel en dat deze daarom moet worden vervangen. [gedaagde in conv.] heeft deze bevindingen van [bedrijf] en [bedrijf] niet, althans niet gemotiveerd, weersproken. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat daarom vast dat de kosten voor voormelde arbeidsuren en materialen ook onderdeel uitmaken van de herstelkosten. De overige door [bedrijf] en [bedrijf] genoemde extra werkzaamheden (zoals het volledig demonteren van de toiletruimte, het betegelen van het toilet met nieuwe tegels en het vernieuwen van het leidingwerk/de afvoeren) hebben geen betrekking op de in rechtsoverweging 4.11. van het tussenvonnis genoemde gebreken/niet uitgevoerde werkzaamheden. De in dit verband gevorderde extra kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
2.8.
De kantonrechter ziet gelet op het voorgaande voldoende aanknopingspunten om voor het vaststellen van de hoogte van de herstelkosten aansluiting te zoeken bij de hiervoor onder 2.6. weergegeven kosten, inclusief de begrote kosten voor de extra werkzaamheden in verband met het verwijderen en opnieuw betegelen van de vloer in de badkamer. Dit is een totaalbedrag van € 3.867,77. R-Design heeft geen kosten begroot voor de aanschaf van nieuwe badkamervloertegels. Deze post is in de door [gedaagde in conv.] overgelegde offerte van Schuit Totaal Wonen d.d. 16 september 2025 wel opgenomen. Daarin zijn deze kosten begroot op een bedrag van € 254,10. In de offerte van R-Design is voorts geen rekening gehouden met de aanschaf van een nieuw badkamermeubel. In de offerte van [bedrijf] is dit wel gedaan. Daarin is hiervoor een bedrag van € 477,23 begroot. [gedaagde in conv.] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van deze twee bedragen. Met inachtneming van het voorgaande bedragen de totale herstelkosten daarmee € 4.599,10 (€ 3.867,77 + € 254,10 + € 477,23).
2.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een gespannen markt en van besmet werk. Gelet op deze omstandigheden wordt aanleiding gezien om de herstelkosten te verhogen met het door [eiser in conv.] genoemde percentage van 10% voor een opslag besmet werk en aannemelijke prijsstijgingen. De totale herstelkosten worden daarmee vastgesteld op een bedrag van in totaal € 5.059,01 (€ 4.599,10 + 10%). De vordering die strekt tot betaling van de vervangende schadevergoeding is tot dit bedrag toewijsbaar en ligt voor het overige deel als onvoldoende onderbouwd voor afwijzing gereed.
2.10.
[gedaagde in conv.] heeft nog als verweer aangevoerd dat een correctie nieuw voor oud van 10-15% moet worden toegepast omdat [gedaagde in conv.] de werkzaamheden ruim vier jaar geleden heeft uitgevoerd. Dit verweer slaagt niet. Een correctie nieuw voor oud kan alleen worden toegewezen wanneer de badkamer en het toilet na de uitvoering van de herstelwerkzaamheden een verbetering hebben ondergaan vergeleken met de situatie waarin [eiser in conv.] zou hebben verkeerd als [gedaagde in conv.] zijn werkzaamheden wel deugdelijk had verricht. Die verbetering is niet gesteld en is ook niet gebleken.
2.11.
[gedaagde in conv.] heeft verder als verweer opgeworpen dat geen sprake is van verzuim. Ook dit verweer faalt. Reeds in het tussenvonnis is vastgesteld dat [gedaagde in conv.] in verzuim verkeert. Voor zover [gedaagde in conv.] heeft beoogd de kantonrechter te verzoeken terug te komen op deze bindende eindbeslissing, heeft hij geen omstandigheden aangevoerd die daartoe aanleiding geven.
2.12.
[eiser in conv.] heeft de waarde van het in rechtsoverweging 4.10. van het tussenvonnis genoemde minderwerk gesteld op een bedrag van € 1.902,77. [gedaagde in conv.] heeft de hoogte van dit bedrag niet, althans niet gemotiveerd, betwist. Aangezien de hoogte van dit bedrag de kantonrechter ook niet onredelijk hoog voorkomt, zal de waarde van het minderwerk worden vastgesteld op een bedrag van € 1.902,77. De in dit verband gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde betaling van dit bedrag zijn dan ook toewijsbaar.
2.13.
De slotsom is dat de door [eiser in conv.] gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 6.961,78 (€ 5.059,01 + € 1.902,77). De niet betwiste wettelijke rente daarover zal op grond van artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen.
2.14.
[eiser in conv.] heeft onweersproken gesteld dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. [gedaagde in conv.] is daarom buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser in conv.] verschuldigd. Aan buitengerechtelijke incassokosten zal een bedrag van € 723,09 worden toegewezen overeenkomstig het tarief dat is weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
2.15.
De gevorderde onderzoekskosten voor het schaderapport van Bos Bouwadvies ad € 1.161,91 zijn aan te merken als kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro voor vergoeding in aanmerking. De wettelijke rente daarover vanaf de datum van de dagvaarding (2 augustus 2024) is eveneens toewijsbaar.
2.16.
[gedaagde in conv.] is de partij die in conventie grotendeels ongelijk krijgt en hij zal daarom in een deel van de proceskosten van [eiser in conv.] worden veroordeeld. Daarvoor geldt het volgende.
Omdat de door [eiser in conv.] ingestelde vordering na eisvermeerdering een waarde heeft van in totaal € 20.674,90, is [eiser in conv.] een griffierecht van € 1.409,00 verschuldigd in plaats van het al in rekening gebrachte griffierecht van € 130,00. [eiser in conv.] is dus nog een aanvullend griffierecht verschuldigd ter hoogte van € 1.279,00 (€ 1.409,00 -/- € 130,00), voor welk bedrag zij nog een factuur zal ontvangen. [gedaagde in conv.] is als de in het ongelijk gestelde partij in beginsel gehouden het griffierecht aan [eiser in conv.] te vergoeden maar gelet op de hoogte van de toegewezen vordering blijft van het verhoogde griffierecht een bedrag van € 885,00 (€ 1.409,00 -/- € 524,00) voor rekening van [eiser in conv.] .
Voor de aktes van [eiser in conv.] zullen geen punten voor het salaris gemachtigde worden toegekend omdat [eiser in conv.] reeds voorafgaand aan de mondelinge behandeling de hoogte van de herstelkosten had kunnen stellen en onderbouwen. Deze kosten zijn daarom nodeloos veroorzaakt.
Met inachtneming van het voorgaande worden de proceskosten tot aan dit vonnis aan de zijde van [eiser in conv.] als volgt vastgesteld en begroot:
- kosten van de dagvaarding
118,69
- griffierecht
524,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2,0 punt × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.319,69
in reconventie
2.17.
[gedaagde in conv.] vordert in reconventie in de eerste plaats betaling van de nog openstaande aanneemsom ter hoogte van € 1.688,50. Dit is de laatste betalingstermijn.
2.18.
[eiser in conv.] heeft aangevoerd, althans zo worden haar stellingen begrepen, dat de vordering van [gedaagde in conv.] nog niet opeisbaar is omdat partijen zijn overeengekomen dat [eiser in conv.] pas hoeft te betalen als alle openstaande opleverpunten zijn opgelost. Dit verweer faalt. Niet gebleken is namelijk partijen deze afspraak hebben gemaakt. [gedaagde in conv.] heeft het in dit verband door [eiser in conv.] gestelde betwist en [eiser in conv.] heeft vervolgens het bestaan van deze afspraak, hoewel dat op haar weg had gelegen, niet nader onderbouwd. Het verweer van [eiser in conv.] op dit punt wordt daarom als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.
2.19.
Voor zover [eiser in conv.] heeft beoogd aan te voeren dat zij de laatste termijn van de aanneemsom niet is verschuldigd omdat [gedaagde in conv.] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst, faalt dit verweer. Een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van [gedaagde in conv.] ontheft [eiser in conv.] immers niet van haar betalingsverplichting jegens [gedaagde in conv.] aangezien de overeenkomst tussen partijen niet is ontbonden.
2.20.
Omdat de in reconventie gevorderde betaling van het bedrag van € 1.688,50 overigens voor toewijzing vatbaar is, zal dit onderdeel van de vordering worden toegewezen. De niet betwiste wettelijke handelsrente daarover zal worden toegewezen vanaf de datum van de conclusie van eis in reconventie (9 oktober 2024) omdat niet gesteld of gebleken is dat [eiser in conv.] eerder in verzuim is komen te verkeren.
2.21.
[gedaagde in conv.] maakt verder aanspraak op betaling van een bedrag van € 387,21. Dit bedrag ziet op meerwerk dat [gedaagde in conv.] stelt te hebben verricht in verband met het vervangen en aanpassen van de meterkast. [eiser in conv.] heeft betwist dat zij aan [gedaagde in conv.] opdracht heeft gegeven om dit meerwerk uit te voeren. Gelet op deze betwisting had het op de weg van [gedaagde in conv.] gelegen om zijn stellingen op dit punt nader te onderbouwen. [gedaagde in conv.] heeft dat echter nagelaten. De enkele stelling dat de zwager van [eiser in conv.] kan bevestigen dat opdracht voor het meerwerk is gegeven is daarvoor in elk geval onvoldoende. Niet gebleken is dan ook dat opdracht voor het meerwerk is gegeven. Een grondslag voor betaling van het bedrag van € 387,21 ontbreekt daarom. Dit onderdeel van de vordering zal om deze reden worden afgewezen.
2.22.
De door [eiser in conv.] gevorderde onderzoekskosten van A2 ad € 994,62 zullen ook worden afgewezen. Deze kosten zijn namelijk niet aan te merken als kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro. De in dit bedoelde artikel vergoeding strekt er immers toe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd. In dit geval is [gedaagde in conv.] geen benadeelde partij maar juist de aansprakelijke partij. Artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro mist daarom toepassing.
2.23.
[eiser in conv.] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde in conv.] worden vastgesteld en begroot op:
- salaris gemachtigde
396,00
(2 punten × factor 0,5 x € 396,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
531,00

3.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
3.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde in conv.] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van aanneming van werk;
3.2.
verklaart voor recht dat [gedaagde in conv.] aansprakelijk is voor de vervangingsschade die voortvloeit uit:
- de te hoge plaatsing van de toiletpot,
- de niet strak en glad aangebrachte kitlaag aan de achterzijde van de toiletpot,
- de niet goed bevestigde toiletpot,
- de niet volledig op het tegelwerk aangesloten drukplaat,
- de niet waterdicht gemonteerde kraan in de badkamer,
- het niet symmetrisch onder het wastafelblad aangebrachte badkamermeubel,
- de loshangende wandcontactdozen en wasmachinekraan in de badkamer,
- de niet recht en waterpas aangebrachte douchecabine,
- de ontbrekende bevestigingspunten van de schuifdeuren van de douchecabine,
- het onjuist bevestigde doucherekje,
- de niet aangesloten mechanische ventilatie in de badkamer,
- de niet aangebrachte deurdorpel in het toilet,
- het niet gestukte plafond in de badkamer;
3.3.
verklaart voor recht dat de waarde van het minderwerk € 1.902,77 bedraagt;
3.4.
veroordeelt [gedaagde in conv.] om aan [eiser in conv.] te betalen een bedrag van € 6.961,78, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 5 juni 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
3.5.
veroordeelt [gedaagde in conv.] om aan [eiser in conv.] te betalen een bedrag van € 723,09 aan buitengerechtelijke kosten;
3.6.
veroordeelt [gedaagde in conv.] om aan [eiser in conv.] te betalen een bedrag van € 1.161,91 aan onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 2 augustus 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
3.7.
veroordeelt [gedaagde in conv.] in de proceskosten van € 1.319,69, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde in conv.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.8.
veroordeelt [gedaagde in conv.] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
3.11.
veroordeelt [eiser in conv.] om aan [gedaagde in conv.] te betalen een bedrag van € 1.688,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag met ingang van 9 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;
3.12.
veroordeelt [eiser in conv.] in de proceskosten van € 531,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser in conv.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.13.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.14.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
lt